Ook woede en verdriet horen bij Pasen

0

Toen de euthanasiewet in april 2001 door de Eerste Kamer werd aangenomen, zei toenmalig minister van Volksgezondheid Els Borst: ‘Het is volbracht.’ Het gebruik van het kruiswoord van Jezus namen velen haar niet in dank af. Dat is begrijpelijk, maar het neemt niet weg dat het thema ‘voltooid leven’ zeker met Pasen te maken heeft. Een gesprek met pastor Margriet van der Kooi en bestuurder Esmé Wiegman.

Wie is wie?

Margriet van der Kooi (1953) werkt als hart- en zielzorger in het Daan Theeuwes Centrum in Woerden.

Esmé Wiegman (1975) was lid van de Tweede Kamer voor de ChristenUnie en was onder andere directeur bij de Nederlandse Patiënten Vereniging en bestuurder bij Palliatieve Zorg Nederland. Tegenwoordig is ze directeur bij brancheorganisatie Valente.

Het debat dat ‘Voltooid leven’ is gaan heten lijkt gepolariseerd: gelovigen zijn per definitie tegen zelfbeschikking en niet-gelovigen voor eigen keuze. Ligt dat wel zo zwart-wit?
Margriet: ‘Dat beeld heerst inderdaad en niet-kerkelijken koesteren het hartstochtelijk., maar het ligt veel genuanceerder. Wat bedoelen we eigenlijk met ‘voltooid leven’? Ik weet het niet precies. Het is wonderlijk hoe gemakkelijk dat begrip over de toonbank is gegaan, zonder dat we elkaar duidelijk hebben gemaakt wat we er eigenlijk mee bedoelen.’

Esmé: ‘Els van Wijngaarden had de leiding over het opstellen van het rapport Perspectieven op de doodswens van ouderen die niet ernstig ziek zijn. Dit rapport heeft veel nuances aan het licht gebracht en daarmee de vloeibaarheid van het begrip laten zien. En wat doet Nieuwsuur? Dat zet een gelovige met een kruis aan de muur tegenover iemand uit de grachtengordel die haar leven volkomen onder controle heeft. Dat doet absoluut geen recht aan de situatie.’

Esmé Wiegman. (beeld Kim van de Wetering)

Esmé Wiegman. (beeld Kim van de Wetering)

Margriet: ‘Het echte gesprek dat we sterfelijke en kwetsbare mensen zijn die ouder worden en hoe je daarmee om kunt gaan, wordt almaar niet gevoerd: dat boezemt ons angst in. Ook een gesprek over waardigheid is iets waar we heel snel mee klaar zijn. We vinden het onwaardig als je in je bed plast of als je niet meer zelf vanuit je stoel in bed kunt komen. Dan is waardigheid een eigenschap die je kunt verliezen. Dat is slecht nieuws voor heel veel mensen in de samenleving. Ik geloof dat mensen per definitie waardig zijn, beelddragers van God. In dat licht kun je het gesprek aangaan over vragen als: waar zijn we bang voor als we ouder worden? Hoe denken we daarover? Daar zijn we in onze samenleving niet heel goed in.’

Kun je daar een voorbeeld van geven?
Margriet: ‘Het ziekenhuis waar ik werkte, ging fuseren. Collega’s van boven de zestig hoorden vaak van jongere collega’s “waarom zou je de moeite van het inwerken in een nieuwe organisatie nog doen?” Het is tegen mij ook gezegd. Als je eenmaal zestig bent, hoef je toch niet meer mee te doen? Dat gebeurt dan in de zorg, onder verpleegkundigen. Die zouden er toch anders naar kunnen kijken.’

Esmé: ‘Ik herken wat Margriet over waardigheid zegt. Frits de Lange vergeleek het ooit met de lagen van een schilderij. Eerst heb je de grondverf: de mens in essentie. Dan de kleuren, die zien we op het schilderij. Tenslotte, de vernis, de glans. Als functies van mensen wegvallen, dan is de glans er misschien vanaf. Maar wat blijft er over? Dat is de grondlaag, waardoor het schilderij van waarde blijft. Als je een Rembrandt vindt op zolder, een doek dat zwaar beschadigd is, dan is het toch nog veel waard. In onze samenleving werkt het vaak zo: als de glans eraf is, omdat het leven niet meer leuk is, dan is het direct ook minder waard geworden.’

Margriet: ‘In kloostergemeenschappen, met vaak zeer oude leden, wordt die vraag over de waarde van het leven nauwelijks gesteld. Ook al ben je bijna honderd, blind en doof, je kunt nog altijd meedoen met het gebed. Omdat dat geoefend is, en geen dooddoener als “oma jij kunt voor ons bidden”. In het klooster zit gebed in de genen. We zullen moeten zoeken naar manieren waarop we elkaar laten weten dat we betekenis hebben voor elkaar. Dat is meer dan af en toe eens een bingo organiseren, hoe aardig bedoeld ook. Het zal dieper moeten gaan.’

Hoe voer je dit gesprek met mensen die aangeven dat ze klaar zijn met het leven?
Margriet: ‘Dat is delicaat werk. Het is ook waar dat er tegenwoordig langer geleefd wordt, langer geleden en langer gestorven. Daar moet recht aan gedaan worden. Je kunt niet zomaar zeggen dat je ‘tegen’ bent. Als je aan het bed zit van iemand die ten einde raad is, of iemand die moe is en pijn lijdt, dan moet je eerst goed geluisterd hebben voordat je met spreken begint. Ik ben niet waar zij zijn. Eerst zijn verschillende vragen van belang: Wat maakt mijn leven betekenisvol? Wat heb ik nog te doen? Heb ik nog dingen af te hechten? Zit er nog iemand te wachten op een woord van mij? Misschien wel een woord met een hoofdletter? Als we geen antwoord hebben op de vraag naar de betekenis van het leven, dan maken we de vlucht naar voren en grijpen het protocol. Dan ben je onvoldoende beziggeweest met de vragen. Dit zijn spannende gesprekken, waar het vaak niet van komt als de oplossing al klaarligt.’

Margriet: ‘Ik was eens op een kerkelijke gemeentevergadering in het land en vroeg: “Wat brengt u hier vanavond?” Een vrouw stak haar vinger op en vertelde dat de andere oma van haar zesjarige kleinzoon begon te dementeren en een levenstestament gemaakt heeft. Hierin is vastgelegd dat ze euthanasie zou willen als de dementie doorzet. Alsof dat zomaar kan, maar goed… Haar kleinzoon zei tegen deze oma: “Als het met jou niet meer goed gaat, neem je dan ook een prikje?” Dat is een heel interessante uitspraak van zo’n kind. Dat groeit niet meer op met levensvragen, maar met oplossingen. Het hangt in de lucht. Misschien kunnen we als kerk de moed hebben om bij dat langer leven en langer sterven, wat echt moeilijk is, in ieder geval dat gesprek nog wel te voeren.’

Esmé: ‘Dat is ook mijn ervaring in de afgelopen jaren, ook bij spreekbeurten onder de vertrouwde achterban van ChristenUnie en NPV (Nederlandse Patiënten Vereniging). Ik benadrukte vaak: maak het jezelf niet te gemakkelijk door meteen te zeggen dat je dit alles vanzelfsprekend afwijst. Horen we ook de vraag achter het verzoek om levensbeëindiging ook? Kunnen we daarnaar luisteren? Kunnen we er zijn zonder direct te zeggen dat we het voor je oplossen? We zijn in onze samenleving gewend om regie te hebben. Wij hebben de geloofsantwoorden dat ons leven in Gods hand is, dat we rustig wachten tot God ons komt halen. Als iemand hulp nodig heeft dan komen we poetsen en boodschappen doen. Maar zijn we er ook echt? Kunnen we ook luisteren als mensen zeggen: “Ik vind het moeilijk?” En: “Ik worstel ermee?”’

Margriet: ‘Aan beide kanten wordt er vaak voorbijgegaan aan existentiële vragen die bij mensen leven. Dat doe je als je direct naar het protocol grijpt. Maar je gaat er ook aan voorbij als je snel een geloofsantwoord tevoorschijn tovert.’

Margriet van der Kooi. (beeld Hans van Sloten)

Margriet van der Kooi. (beeld Hans van Sloten)

Zien jullie ook een verschuiving onder gelovige mensen, juist omdat het zo in de lucht hangt?
Esmé: ‘Bedenk wel dat de euthanasiepraktijk zoals we die nu kennen ondenkbaar zou zijn zonder de ontwikkeling van de protestantse. Ook in meer orthodoxe kringen hoor ik steeds vaker dat mensen in situaties van ondraaglijk en uitzichtloos lijden euthanasie reëel vinden, als laatste zetje. Maar als het gaat om euthanasie in geval van voltooid leven, dan zie ik die verschuiving niet. Het gevaar is dat we te weinig begrip hebben voor de situatie waarin mensen zitten en daardoor afstand scheppen. Dat we het geworstel niet kunnen invoelen. Ik benadruk vaak dat pastoraat niet in eerste instantie bedoeld is om van dingen iets te vinden, maar om te luisteren. Het is niet zo interessant wat wij allemaal vinden van euthanasie en voltooid leven. Het gaat erom of we iets voor elkaar kunnen betekenen.’

Er lijkt bij mensen ook wel een bepaalde angst te zijn voor de zonde van de euthanasie, waardoor ze nog een extra behandeling willen.
Esmé: ‘We kunnen inderdaad zo ontzettend prolife zijn dat we doorslaan in het eindeloos rekken van het leven. Ik merkte bijvoorbeeld bij de vraag of mensen gereanimeerd willen worden dat mensen gelijk denken: dit gaat over euthanasie. Het is soms lastig om de afweging te maken: voegt een behandeling kwaliteit van leven toe of richt het ook schade aan? Ik zou ervoor willen pleiten vooral voldoende ruimte te geven aan het stervensproces.’

Margriet: ‘Ik herinner me een gereformeerd gezin. Het had te horen gekregen dat aan de ziekte van moeder niets meer gedaan kon worden. Het gesprek ging vervolgens alleen nog maar over behandelingen die misschien wat zouden kunnen helpen of niet. De vraag of er nog dingen waren waar ze met elkaar over moesten praten, kreeg geen ruimte. Hoe kijk je terug? Waar ben je dankbaar voor? Waar hoop je op? Wat is je troost? Maar wanneer de kinderen dat aansneden, leken ze hun ouders alle hoop te ontnemen. Ze zeiden achteraf dat ze zonder geestelijke erfenis achterbleven. We zullen elkaar moeten helpen het gesprek over dit soort dingen te voeren. Op begrafenissen worden vaak de mooiste dingen aangehaald, maar hebben we ze ook daarvoor gezegd? Zeg mij niet dat we in Nederland zo geweldig omgaan met de dood en dat er geen taboe meer is.’

Esmé: ‘De dood is nog steeds het grootste taboe in ons land. Niet de zelfgekozen dood, daar gaat het heel vaak over. Het sterven, de alledaagse dood, is vaak heel ver weg.’

Zou het bespreekbaar maken van de dood onze meest wezenlijke bijdrage aan het debat kunnen zijn?
Esmé: ‘Dat denk ik wel. Ik heb in de periode dat ik bij de NPV werkte, samen met organisaties als de ouderenbonden en het Humanistisch Verbond een groep gevormd om het gesprek over het levenseinde te bevorderen. Wat is je grootste angst? Hoe zou je geholpen willen worden? Dat soort vragen.’

Margriet: ‘Ik denk dat de kerk hier veel in kan betekenen. We moeten dan wel eerst zelf die grote angst in de ogen willen kijken. Een van mijn meest geliefde Bijbelverhalen staat in Johannes 11, waar Jezus bij het graf van Lazarus komt. Dan staat er dat Jezus weent en dat hij toornig is. Dat is ongehoord. Johannes schreef dat voor Grieken. Voor hen was het ondenkbaar dat goden gevoel zouden hebben.’

Esmé: ‘Volgens mij is dit Pasen: zowel het triomfverhaal dat de dood is overwonnen, als ook met je woede en je verdriet bij het graf staan, de worsteling daarmee.’

Margriet: ‘Op geen enkele manier worden de smartelijkheid en de bitterheid weggemasseerd. Nee, die gaan zelfs voorop. Geen Pasen zonder Goede Vrijdag. Het mooie is dat er in de Bijbel ook iemand is die zegt dat zijn leven wel voltooid is. Dat is Simeon. Hij kan gaan, want hij heeft de redding van de wereld gezien. Zijn leven is in een breder perspectief gezet.’

Esmé: ‘Als mensen spreken over voltooid leven, dan is er vaak niets voltooids aan. Ze zitten met allerlei onvoltooide gedachten en worstelingen, nog rauw en weerbarstig.’

Margriet: ‘Het onderwerp is smartelijk. Simeon kan sterven, niet vanwege zichzelf, maar omdat hij erop vertrouwt dat God garant staat voor de goede afloop van deze wereld. Dat is heel kostbaar.’

Leestips

Kees en Margriet van der Kooi, Midden in het leven. Over christelijke toekomstverwachting, (KokBoekencentrum), 2019.

Vonne van der Meer, Winter in Glosterhuis, (AtlasContact), 2014.

Els van Wijngaarden, Voltooid leven, over leven en willen sterven, (AtlasContact), 2016.

Dit artikel komt uit nummer 8 van magazine OnderWeg (11 april 2020), een inspirerend magazine voor christenen die God en de kerk liefhebben en midden in het leven staan. Neem een gratis Proefabonnement (Digitaal of Papier Plus).

Delen.

Over de auteur

Arie Kok is journalist en tekstschrijver.

Laat een reactie achter