Onze nood aan lichamelijkheid

0

Een mens is niet gemaakt voor social distancing en de ‘anderhalvemetersamenleving’, stelt psychotherapeut Nadine Boers-de Graaf. Het moet nu, maar ze ziet dat mensen eronder lijden. ‘Wij hebben nood aan lichamelijk contact, Jezus heeft het ons voorgedaan. Zijn handen hebben aangeraakt, zijn voeten zijn gezalfd, zijn lippen hebben gekust.’

061130 opinie foto2Als Jezus nu met zijn discipelen zou rondwandelen, zou Hij dan een boete hebben geriskeerd voor samenscholing? Wat denkt u? Hoe zou Jezus gehandeld hebben als het coronavirus en de maatregelen daarvoor in Zijn tijd speelden? Zou Hij de kinderen hebben gezegend op anderhalve meter? Als ik nadenk over Jezus, Zijn leven, Zijn dood en de tijd tussen Pasen en Hemelvaart, valt me op hoe lijfelijk en lichamelijk Hij was. Juist zijn lichamelijkheid en aanraakbaarheid onderscheiden Hem van de Vader en de Heilige Geest. Door de ‘vleeswording’ werd Hij aan ons mensen gelijk.

In een mum van tijd zijn we afgelopen periode in een andere wereld beland: de wereld van afstand houden en om de beurt de supermarkt in met gedesinfecteerde winkelkarren. Een wereld zonder handdrukken, knuffels of schouderklopjes van anderen dan je huisgenoten. Een werkelijkheid die we de ‘anderhalvemetersamenleving’ zijn gaan noemen.

Beeldbellen

In mijn werk als psychotherapeut volg ik de richtlijn van de overheid en ontmoet ik nog maar enkele cliënten per dag in mijn spreekkamer. Bij begroeting geef ik geen hand, ik loop zelfs naar achteren als iemand mijn kamer in komt. We zitten op voldoende afstand van elkaar en bij vertrek reinig ik deurkrukken, kranen en trapleuningen, alle contactoppervlakken. De rest van mijn cliëntengesprekken voer ik via telefoon of beeldbellen. ‘Het valt niet tegen’, zeggen we als collega’s daarover tegen elkaar. We kunnen onze cliënten zien en naar ze luisteren, en we kunnen gedachten en gevoelens bespreken en analyseren.

En toch.. Toch voelt het anders. Tijdens het beeldbellen zie ik ook steeds mezelf, waardoor ik niet alleen het gesprek voer, maar er ook toeschouwer van ben. Dat is ingewikkeld. Verder zien we tijdens het beeldbellen alleen elkaars hoofd plus hooguit de schouders. Ik voel mijzelf ook vooral een hoofd, merk ik, en heb meer hoofdpijn dan anders. Ik mis de rest van het lichaam en de lichaamstaal van de ander: hoe iemand in de stoel zit, wel of niet wiebelt en oogcontact maakt (onmogelijk via beeldbellen, probeer maar eens). Ik mis hoe mijn eigen lichaam reageert op de ander. Wil ik bijvoorbeeld naar iemand toe buigen of mij stilhouden? Kan ik nabij zijn? Ik mis de ‘ontmoeting in het vlees’.

Ingebakken

Sommige cliënten zeggen: ‘Dit is precies hoe mijn leven er vroeger uit zag: afstand, geen lichamelijk contact, isolatie.’ Dat snijdt door mijn ziel, wat een gemis. De behoefte aan aanraking is zo des mensen. Een vriendelijke schouderklop, een fijne omhelzing, ze laten je ervaren dat je er mag zijn. En ja, dat kan ook met woorden, met knipogen en bemoedigende knikjes, maar de behoefte om vastgehouden te worden is ingebakken in de mens.

De laatste weken wordt breed gedeeld hoe vreselijk het is om mensen alleen te laten sterven. Cliënten noemen de behoefte aan voelbare nabijheid, ook als we het hebben over traumatische ervaringen. ‘Wat had je nodig op dat moment’, vraag ik? ‘Dat iemand er voor me was, me even vasthield of over mijn haren streek.’ Ja, ik weet het. Diepe wonden worden niet alleen geslagen door gebrek aan aanraking. Ook te veel ongewenste aanraking kan beschadigen. Als het respect voor de ander verdwijnt, kan het flink misgaan. Maar de behoefte aan aanraking is ingeschapen.

Nood

Een mens heeft ‘nood aan’ aanraking, zeggen Vlaamse collega’s. Die uitdrukking zegt mij meer dan de woorden ‘behoefte’ of ‘nodig’. Je komt in nood zonder lichamelijk contact. Ik hoor het alleenstaanden en alleenwonenden de laatste weken ook regelmatig zeggen: ‘Nu ook vriendinnen mij niet meer begroeten met een knuffel, is er niemand meer die mij aanraakt.’

Het treft me dat God deze nood zag en serieus neemt. Zo zegt Hij: ‘Het is niet goed dat de mens alleen zij’, als Hij Adam een tijdje alleen heeft laten bivakkeren op de verder zo goed geschapen aarde. De ‘hulp die bij hem past’ die Hij vervolgens schiep, wordt vaak gekoppeld aan het huwelijk of een partnerrelatie. Maar zou God die woorden ook breder bedoeld kunnen hebben? Dat de mens nood heeft aan een voelbaar mens in zijn nabijheid?

Verder noemt God zichzelf ‘Jahweh’: ‘Ik zal er zijn’. Hij weet dat wij ten diepste niet alleen willen, kunnen en durven zijn. Dat we iemand zoeken die er voor ons is. Hij wil deze nood lenigen.

Pijnlijke afstand

Wij zijn niet gemaakt voor social distancing, voor een ‘anderhalvemetersamenleving’. Wij hebben nood aan lichamelijkheid. Jezus heeft het ons voorgedaan: Zijn handen hebben aangeraakt, Zijn voeten zijn gezalfd, Zijn lippen hebben gekust. ‘Dit is mijn lichaam voor u’.

Terug naar mijn beginvraag: hoe zou Jezus de anderhalvemeterregel praktiseren? Ik vermoed dat Hij zich eraan zou houden en toch ook niet. Net iets voor Hem. Wij gewone mensen moeten nu verder met de woorden van Prediker: ‘Er is een tijd om te omhelzen en een tijd om afstand te houden’. Het eerste komt weer, maar het laatste is nu. Ik weet dat de Prediker gelijk heeft, maar het doet pijn.

Ik heb ervaren dat het benoemen van de pijnlijke afstand helpt om dichterbij te komen. Dus dat is wat ik doen kan en doe, beeldbellend, telefonerend of op royale afstand zittend: ‘Ik was graag iets dichter bij je gekomen’. En verder rest mij slechts te bidden: ‘Heer, wees Jahweh, waar wij afstand moeten houden.’

Dit artikel komt uit nummer 11 van magazine OnderWeg (23 mei 2020), een inspirerend magazine voor christenen die God en de kerk liefhebben en midden in het leven staan. Neem een gratis Proefabonnement (Digitaal of Papier Plus).

Delen.

Over de auteur

Nadine Boers-de Graaf werkt als psychotherapeut in haar eigen praktijk in Utrecht. Ze is lid is van de Utrechtse Opstandingskerk.

Laat een reactie achter