Dichter Lenze Bouwers blijft een vrije Fries

0

De Dalfse dichter Lenze L. Bouwers dacht twee jaar geleden dat zijn dichtersleven voorbij was. Na een hartstilstand verwachtte hij niet meer te kunnen werken. Vorige maand werd hij tachtig jaar en verscheen zijn nieuwe dichtbundel Vechtdalnotities.

Lenze L. Bouwers is geboren op 16 mei 1940 in Breezand. Na de Gereformeerde Onderwijzers Opleiding (GOO) in Enschede werd hij in 1963 onderwijzer aan de gereformeerde basisschool in Delfzijl. Van 1968 tot 1992 was hij docent aan het Greijdanus College in Zwolle. Daarna wijdde hij zich geheel aan het schrijven en dichten. Van 2007 tot 2009 was hij stadsdichter van Zwolle. Hij schreef negen kinder- en jeugdboeken en bracht zeventien dichtbundels uit. Lenze Bouwers is getrouwd en heeft vijf kinderen en een achterkleinkind. Hij won in 1997 met het boek De pyromaan de Hoogste Woordprijs voor het beste christelijke kinderboek.

‘Ik ben vernoemd naar een oom en tante van moederskant: oom Linse en tante Leona. Mijn vader heeft bij de geboorteaangifte de naam Linse doorgegeven als Lenze. Waarschijnlijk sprak hij Linse uit als Lenze. De familie Bouwers komt uit de streek rond Emmen. Mijn vader was veenarbeider, mijn moeder is een Friezin uit Oudega. Mijn taaltalent komt bij haar vandaan. Haar moeder kende het Onze Vader in heel veel talen. Ik spreek zelf geen Fries, maar ik voel me sterk met haar verwant. Ik heb een sterke drang naar vrijheid. Dat hoort bij de Friezen. Ik voel me een vrije Fries.

Mijn liefde voor taal is sterk aangewakkerd door mevrouw Schilder-Van Houwelingen Rijkhoek. Zij was mijn lerares Nederlands op de Gereformeerde Onderwijzers Opleiding (GOO) in Enschede. Ze had een enorme collectie kinderboeken. Daar was ze zo zuinig op, dat ze die doorlopend op 21 graden Celsius hield. Ik heb haar later nog eens opgezocht. Ze zat met de Variant op schoot, de zaterdagse bijlage van het Nederlands Dagblad waarvan ik literair medewerker was. “Je bespreekt niet de goede dichters”, zei ze. Ze vond dat ik te veel aandacht had voor middelmatige christelijke dichters, terwijl er buiten de christelijke kring veel betere dichters waren.’

Dit interview is gepubliceerd in magazine OnderWeg, een inspirerend magazine voor christenen die God en de kerk liefhebben en midden in het leven staan. Neem een gratis Proefabonnement (Digitaal of Papier Plus).

U schreef jeugdboeken over controversiële onderwerpen, zoals in 1988 Lieve vader, vuile schurk over incest. Waarom koos u voor dat onderwerp?
‘Ik had als decaan op school gesprekken met meisjes gehad die slachtoffer waren van incest. Ik begon daarover ’s nachts te dromen. Daarom ben ik gaan noteren, om het van me af te schrijven. Zo is het boek Lieve vader, vuile schurk ontstaan. Het taboe op incest werd doorbroken en na dertig jaar kwam er weer vraag naar het boek uit reformatorische kring. Het is in 2015 opnieuw uitgegeven onder de titel Zwijg over liefde.’

U bent gestopt als docent om u helemaal aan de schrijfkunst te wijden.
‘In 1992 heb ik de stap gewaagd. Heerlijk! Ik was vrij kunstenaar. Het kon omdat mijn vrouw mij steunde. Vanaf 1985 kreeg ik financiële steun van het Fonds voor de Letteren en wilde de prestigieuze Amsterdamse uitgever Querido mijn gedichten gaan uitgeven. Querido bleef me trouw tot 2009, daarna zetten ze het mes in het medewerkersbestand. Buiten die uitgeverij heb ik daarna nog heel wat gepubliceerd.’

‘Ik wil niet in een fuik gelokt worden’

Is uw geloof veranderd in al die jaren?
‘Mijn leven is minder rationeel geworden, minder dogmatisch. Ik ben God anders gaan zien. Ik voel me een eend in het vrije water van een eendenkooi, zo een als op Ameland. Ik zwem met meerdere eenden. Dan laat de kooiker zijn hondje los en wordt de rust verstoord. Toegepast: ik wil vrij blijven in Christus. Dat wil niet zeggen dat er geen begrenzingen zijn, maar ik wil niet in een fuik gelokt worden.’

Welke fuik zou dat kunnen zijn?
‘Er zijn allerlei soorten fuiken. De fuik van de te grote ellendekennis, waardoor verlossing en dankbaarheid geen plek krijgen. De fuik van verbond en ware kerk laten samenvallen. Gods verbond met mensen is ruimer. De fuik van: wij zijn klein in aantal, maar we hebben ons wel aan Gods Woord gehouden en anderen niet. Dat is uitsluiting door mensen. Zeg niet wat alleen God kan zeggen! Dan is er de fuik van precies weten wat God wil. Ons kennen is niet volmaakt. En er is nog de fuik van eenzijdig het gevoel laten prevaleren: alleen als ik God ervaar, als ik zing, enzovoort, is God in mij. Het is die Friese vrijheid, die ik bijvoorbeeld heel sterk ervaar als ik op Ameland ben. Die ruimte die ik daar vind, die wil ik ook in de kerk. Het strakke en georganiseerde is in strijd met mijn wezen.

Ik blijf een verbondsdenkertje. Maar dan niet verkoeld, maar graag in praktijk gebracht. De heilige Geest waait en is niet te vangen in een schilderijtje dat we ophangen aan de wand en zeggen: zo is God. Ondanks de veranderingen in de kerk zijn mijn vrouw en ik vrijgemaakt gebleven. Ik geniet van de kerkdiensten op zondag, die geven me energie. Ik hoor de mooie muziek en teksten van Kinga Bán. Maar ook van het Jongenskoor Dalfsen, waarvan mijn schoonzoon oprichter en dirigent is. De jongens worden wel eens de engelen van Dalfsen genoemd, zo mooi zingen ze.’

(beeld Jaco Klamer)

(beeld Jaco Klamer)

Op de onderwijzersopleiding kreeg u het advies te stoppen, omdat muzikaliteit ontbrak. Toch maakte u kerkliedteksten, waarvan een aantal het Gereformeerd Kerkboek heeft gehaald.
‘Ik houd van zingen, maar ik ben muzikaal niet sterk. Toen ik in Delfzijl werkte, nam een collega de muzieklessen van me over. Ik had andere kwaliteiten: ik kon machtig mooi vertellen. Ik vind het maken van liederen leuk werk, maar er zijn zoveel betere dichters dan ik. Bijvoorbeeld de Liedboekdichters Jaap Zijlstra en Ria Borkent.

Toch ben ik ook best trots dat er verzen van mij in zijn gekomen. De berijming van de twaalf artikelen (‘k Geloof in God de Vader die uit niets) wordt nog regelmatig gezongen, zie ik tot vandaag aan de betalingen die ik ontvang van Buma/Stemra. Als jouw lied in een bundel staat, wordt dat deel van een groter geheel. De verzen gaan op in de communicatie van de kerk. Laatst zongen we die geloofsbelijdenis weer eens. Bij vers 5 kreeg ik mijn bedenkingen, zoveel dogmatiek! Het lijkt wel zo’n volgepropte verse worst!’

In uw gedichten en liederen maakt u graag nieuwe woorden. In het lied ‘Het is er altijd al geweest, het Woord’ staat het woord ‘tintenwonderpracht’.
‘Ik kwam ooit het Latijnse woord parallellepipedum tegen. Daar wilde ik wat mee doen. Maar toen ontdekte ik jammer genoeg dat de beroemde dichter Gerrit Achterberg het al had gebruikt. Maar sindsdien gebruik ik expres zulke lange samengestelde woorden.’

Hoe was het om van 2007 tot 2009 als Dalfsenaar stadsdichter van Zwolle te zijn?
‘Ik ben een beetje een gelegenheidsdichter die graag communiceert. Voor mij was het een toptijd. Er zijn toen heel wat gedichten van mij verschenen op muren en glazen. Het was geen probleem dat ik niet in Zwolle woonde. Ik heb er 24 jaar lesgegeven, en ik heb er vijf jaar gewoond. Ik was 67 toen ik stadsdichter werd, dus al best een ouwe baas. Door die functie bleef ik onder de mensen, met allerlei optredens op veel verschillende plekken. Er is een mooie dichtbundel uit voortgekomen en nog steeds levert het werk op. Elk jaar in december draag ik een gedicht voor bij de naturalisatie van nieuwe Nederlanders.’

‘Zoveel dogmatiek!
Het lijkt wel een volgepropte verse worst!’

Heeft u altijd inspiratie voor een gedicht?
‘Er borrelt een blijvende stroom aan ideeën in mijn hoofd. Een dezer dagen komt de bundel Vechtdalnotities uit, in samenwerking met fotograaf en beeldend kunstenaar Gijs Dragt. Hij las mijn werk over de opgravingen in Dalfsen en vroeg om samenwerking voor de bundel over het Vechtdal. Nu die bundel klaar is, loop ik na te denken over gedichten in coronatijd, bijvoorbeeld over ziekenverzorging. Misschien zet ik wel een gedicht daarover los op een kaart bij het verschijnen van de Vechtdalnotities.’

Wat doet u als u niet aan het dichten bent?
‘Ik verveel me geen moment. Dat komt door contacten met de familie, gedichten maken en mijn grote hobby: oude ansichtkaarten verkopen voor goede doelen. Ik heb al voor enkele duizenden eurootjes verkocht. En in de zomer bramen en vlierbessen plukken om er sap en jam van te maken.’

U bent nu tachtig jaar. Hoe voelt dat?
‘Tachtig, prachtig, zeg ik de laatste tijd heel vaak. Iedere dag ervaar ik als een wonder. Zeker na mijn hartstilstand eind januari 2018. Via reanimatie en een snelle ingreep in het ziekenhuis kon ik weer vrij ademen. En met Job zeg ik: ik heb alle facetten van het leven mogen meemaken. In Enschede heb ik de prinses op het witte paard ontmoet. We zijn nu 56 jaar getrouwd. En dan is er nog mijn inwendige vriend: de letteren. Even leek het dat mijn bundel ‘Rust’ uit 2017 mijn geestelijk testament zou worden, want ik had verwacht dat ik na de hartstilstand niet meer zou kunnen dichten. Maar kijk, toch verschijnt nu de bundel Vechtdalnotities. Zou dat het begin van een vervolgstroompje zijn?’

Dit artikel is gepubliceerd in magazine OnderWeg, een inspirerend magazine voor christenen die God en de kerk liefhebben en midden in het leven staan. Neem een gratis Proefabonnement (Digitaal of Papier Plus).

Delen.

Over de auteur

Peter Sneep is journalist, presentator, componist en organist.

Laat een reactie achter