‘Als je opruiming houdt, weet dan goed wat je opruimt’

Leendert de Jong | 4 juni 2021
  • Achtergrond
  • Interview
  • Thema-artikelen

Zijn de gereformeerde belijdenisgeschriften toe aan vernieuwing of zelfs vervanging? Die vraag ligt op tafel bij de Landelijke Vergadering van de NGK en bij de GKv-synode. Zij buigen zich daarover in een gezamenlijke vergadering later dit jaar. Hoe kijkt een relatieve buitenstaander hier tegenaan? Leon van den Broeke, PKN’er, gastlid GKv Kampen-Zuid en verbonden aan de TU Kampen: ‘Het verlangen naar een nieuw belijden is begrijpelijk, maar maak het niet groter dan het is.’

Leon van den Broeke is sinds 2016 hoofddocent kerkrecht aan de TUK. Begin dit jaar werd hij buitengewoon hoogleraar rechtstheologie en kerkrecht aan diezelfde universiteit. Van den Broeke werkt daarnaast bij de Faculteit Religie en Theologie van de VU in Amsterdam. Voordat hij theologie ging studeren, volgde hij een opleiding management, economie en recht. Van den Broeke is lid van de PKN en gastlid van een GKv-gemeente in Kampen.

Stel er is een groepje kerken die ongeveer gelijktijdig zijn ontstaan, elkaar goed kennen en veel met elkaar delen. Ze willen meer binding aan elkaar. Wat hebben zij nodig?
‘Wat zij nodig hebben, is allereerst het gevoel dát zij elkaar in geloof nodig hebben. Als die overtuiging er is, ontstaat vanzelf het verlangen om vervolgstappen te zetten. Dat is een: de overtuiging dat je elkaar nodig hebt in het geloof de Heer van de kerk te dienen. Wat daarna nodig is, ligt aan het type kerk(verband) dat zij willen vormen. In het algemeen is het goed om helder te hebben wat je samen gelooft, hoe en wat je bidt, hoe je dingen samen beleeft en welke organisatie nodig is. Je legt afspraken vast. Dat is nodig voor het interne functioneren, maar ook voor de presentie in de samenleving. Ook daar zoek je samen woorden voor, evenals voor het omschrijven van waarin jij je als kerk onderscheidt van andere.’

(beeld TU Kampen)

(beeld TU Kampen)

Hiermee teken je iets van een document met de hoofdlijnen van het gemeenschappelijke geloof?
‘Ja, je wilt een theologische duiding geven aan wat je (samen) gelooft, waar je (samen) naar verlangt. In zo’n document moeten ook praktische zaken een plek krijgen. Geloof zit ook daarin; je geeft bijvoorbeeld aan wanneer, waar en hoe vaak je een kerkdienst belegt en wie met welk recht daarin mag voorgaan.’

Dit heeft wel wat weg van de ontstaansgeschiedenis van de huidige gereformeerde belijdenisgeschriften. Die kwamen er enkele decennia na de Reformatie, ook een nieuw begin. Ook daarin staat wat de kerken samen geloven en ook waartegen zij zich keren.
‘Die gelijkenis is er inderdaad. Daardoor zie je dat het bij belijden gaat om het verlangen naar eenwording en om de erkenning dat je in Christus al één bent. Je merkt ook, dit in reactie op het laatste dat je zei, dat de opstellers zich gerealiseerd hebben dat een gemeenschappelijk verlangen gemakkelijk kan verflauwen. Als kerk moet je elkaar kunnen vinden en vasthouden. Je wilt recht doen aan twee begrippen: koinonia, er is eenheid, en episkeopè, je wilt naar elkaar omzien. Houd die twee bij elkaar en zorg dat een aantal grondwaarden wordt vastgelegd zodat je elkaar daarop in goede en minder goede tijden kunt aanspreken.’

Geïnspireerd? Neem een gratis proefabonnement op magazine OnderWeg.

Diezelfde belijdenisgeschriften worden nogal bevraagd: functioneren ze nog wel? Herken en deel je die observatie?
‘Ik herken dat gevoel als ik luister naar mensen binnen de GKv en de NGK. Ik zie ook dat dit gevoel in toenemende mate wordt geuit: kunnen en willen we er nog iets mee? Of: ik heb er niks mee! Dit past in een bredere context van niet meer goed weten hoe je op een goede manier met de traditie omgaat. Tegelijk zie ik ook de tegenbeweging bij mensen die zich zorgen maken en zich afvragen: als we elkaar daarop niet meer kunnen aanspreken, wat is er dan nog over?

Zelf betreur ik dat subjectieve gevoelen van ‘ik heb er niks meer mee’. Het gaat wel heel hard binnen bijvoorbeeld de GKv. Dat is vreemd. Ik herinner mij dat ik als student – lid van de toenmalige (synodaal-) Gereformeerde Kerken in Nederland – altijd aan de tand gevoeld werd door juist GKv- en NGK-studenten. Ze stelden vragen: hoe kun je theologie studeren aan de VU? Hoe is het mogelijk dat je synodaal-gereformeerd bent? Nu is dit iets van vroeger. Maar nog niet zo lang geleden zei iemand met een NGK-achtergrond: “Heb jij binnen de GKv ook dat gevoel dat je altijd nog examen moet doen, je extra moet bewijzen?”

Tegelijk, ik ben de TUK en de GKv erg dankbaar dat ze me aanvaard hebben als een van hen en de samenwerking met Nederlands-gereformeerden is aangenaam. Ik merk wel dat de kerkelijke ontwikkelingen snel gaan. Hierin proef ik het spanningsveld tussen trend en traditie. Eerlijk gezegd: ik denk dat gereformeerde mensen niet altijd goed in staat zijn (geweest) om een goede balans te vinden tussen die twee, tussen trend en traditie.’

‘Gaat het nieuwe wel landen bij gemeenteleden?’

Proef ik hierin iets van moeite: dit gaat té snel?
‘Laat ik het zo zeggen: in mijn openheid voor trends koester ik ook de traditie. Ik houd van openheid en dynamiek, van eigentijds geloven en wil niet alles bij het oude houden. Tegelijk zeg ik ook: help mensen als mij een beetje en blijf wel (vrijgemaakt) gereformeerd. Laat ballast uit het verleden gerust weg, durf die los te laten, dat mag als je als christen onderweg bent. Houd tegelijk de goede elementen uit het verleden vast. Anders gezegd: als je opruiming houdt, weet dan goed wat je opruimt. Het is heel waardevol dat gereformeerden, in brede zin bedoeld, ergens pal voor staan. Maar als zij eenmaal om zijn, dan gaan ze zomaar met dezelfde felheid de andere kant op. Zo werd in de PKN wel geopperd om de figuur van de classis als overtollige ballast te schrappen. Ik heb toen gevraagd: “Moet je om iets af te schaffen niet eerst weten waarom het ooit in het leven is geroepen? Is het niet beter om het waardevolle eruit te halen en dat mee te nemen naar de toekomst?”’

Als jij kijkt naar de fusiekerken GKv en NGK en je herkent de gevoelens rond de belijdenisgeschriften, hoe breng je dan als belijdende kerk anno 2021 onder woorden waar je als kerk voor staat?
‘Ik begrijp goed het verlangen naar een herenigde kerk, juist vanuit een als pijnlijk ervaren verleden. Ik zie ook de geestdrift die er is. Op grond hiervan denk ik dat de komende tijd inderdaad een momentum kan zijn om tot een belijdenis te komen. Omdat het verlangen naar eenheid er is. Misschien werkt het wel zo dat de tijd na de hereniging als vanzelf uitnodigt om tot een nieuw belijden te komen. Tegelijk liggen er vragen. Hoe gaat een nieuw verwoord belijden zich verhouden tot de huidige belijdenisgeschriften? Gaat het nieuwe wel landen bij gemeenteleden? Hoe voorkom je dat mensen over een beperkt aantal jaren opnieuw zeggen: daar hebben we niet zoveel meer mee?’

‘Is de belijdenis een stok om te slaan
of een staf om te gaan?’

De vraag is dan: is er een andere route om het gezamenlijk belijden te omschrijven en helder te hebben dat je elkaar hieraan wilt houden?
‘Bij het beantwoorden van deze vraag helpt de kerkgeschiedenis. Eind jaren veertig van de twintigste eeuw speelde diezelfde vraag in de Nederlandse Hervormde Kerk: is het juist nu niet tijd voor een nieuw belijden? Er is een document gekomen: Fundamenten en perspectieven. Maar dat kreeg niet het karakter van een belijdenis, het is meer gaan functioneren als een ‘bewegend papier’ dat aangevuld werd met regelmatig een herderlijk schrijven. Van hieruit zou mijn advies aan de fusiekerken zijn: het verlangen is begrijpelijk, wellicht is nu het momentum voor een nieuw belijden, maar maak het niet groter dan het is. Denk bijvoorbeeld aan je relaties met kerken die dezelfde belijdenisgeschriften onderhouden. Maak jezelf ook niet te groot. Zomaar namelijk spreken we bij de belijdenis over een anker of: ‘waar je voor staat’. Realiseer je dat zulke typeringen een nieuw hek kunnen vormen dat afsluit of de toegang verhindert. Juist dan moet ik denken aan het bekende gezegde: “Is de belijdenis een stok om te slaan of een staf om te gaan?” Ik denk dat het voor christenen onderweg evident het laatste is: een staf om te gaan.’

Er is een link tussen het belijden van een kerk en het kerkrecht. In gereformeerde kerken geldt bijvoorbeeld dat ambtsdragers een verklaring ondertekenen waarin zij instemmen met de belijdenisgeschriften. Hoe zit het met die link?
‘Het gereformeerde kerkrecht is gebaseerd op de Heilige Schrift en op de belijdenisgeschriften. Uit deze omschrijving volgt dat een gereformeerde kerkorde – nog dit jaar beslissen GKv en NGK over een nieuwe tekst – schriftuurlijk en confessioneel van aard is. Het probleem bij die ondertekening is vooral dat er te formalistisch naar de handtekening gekeken wordt als het ondertekenen van een (juridisch) contract. Waardoor jij je kunt afvragen: kan ik dit wel ondertekenen?

Dit punt speelt breder bij het belijden van een kerk. Veel te vaak ging en gaat de aandacht uit naar de letter, terwijl het belijden van de kerk en van gemeenteleden ondersneeuwt. Het ‘belijden’ als werkwoord is belangrijk voor het leven van elke dag: belijdenisgeschriften fungeren dan en soms nog als meetlat om de ander de maat te nemen.

Terug naar de ondertekening: ook het gebruik daarvan is te absoluut geworden. In plaats van om een handtekening zou het veel meer moeten gaan om een naam, jouw naam. Als je die daar plaatst, zeg je als het ware: “Hiermee sluit ik aan bij de kerk die er al eeuwen is. De kerk begint niet bij mij, nee, wij bewegen ons in de lijn van het voorgeslacht en hopelijk ook het nageslacht.” Zou zoiets niet voldoende zijn? Zo’n benadering kan ons rust geven. Diezelfde rust mag er ook zijn bij de vragen over een nieuwe belijdenis of niet. Je hoeft niet steeds opnieuw uit te vinden wat kerk zijn is. Misschien is de komende tijd wel het momentum voor een nieuw belijden; wel, dan is het goed. Maar ook als het anders gaat, kan dit goed zijn: er zijn, zoals ik eerder aangaf, andere instrumenten waarmee je kunt laten zien: “De kerk belijdt telkens opnieuw…”.

Dit interview komt uit de OnderWeg van 5 juni 2021. Geïnspireerd? Neem een gratis proefabonnement op magazine OnderWeg.

Over de auteur
Leendert de Jong

Leendert de Jong werkt in de media en is hoofdredacteur van
OnderWeg.

De ambtelijke handtekening onder de belijdenis

De ambtelijke handtekening onder de belijdenis

Peter Sneep
  • Reportage
  • Thema-artikelen
‘Een belijdenis is nooit een eindpunt’

‘Een belijdenis is nooit een eindpunt’

Klaas van den Geest
  • Opinie
  • Thema-artikelen

Reageer op dit bericht

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief