Schoonheid in de ogen van God

Alain Verheij | 12 april 2024
  • Beschouwing
  • Thema-artikelen

Als je kijkt op Instagram, lijkt het wel alsof we allemaal steeds mooier worden. Maar is er in ons tijdperk ook ruimte voor de ‘lelijke eendjes’? Heeft de Bijbel nog iets te zeggen over uiterlijke schoonheid?

Ergens aan de zijkant van mijn hoofd zit een vrij grote moedervlek. Op de meeste foto’s zie je  er wel een stukje van, ook al zorg ik er eerlijk gezegd meestal voor dat er een flinke pijpenkrul overheen hangt. En toch, als je naar de auteursfoto achter op mijn boeken kijkt, zie je hem zitten. Tenminste, dat was altijd zo. Op mijn nieuwste boek, dat nota bene over ziekte gaat, is de moedervlek miraculeus verdwenen. Mijn beste vriend was de eerste die het zag: de vormgever had hem zonder dat ik het wist van mijn hoofd afgefotoshopt.

Ik ben op mijn boekcover mooier gemaakt dan ik wilde en hetzelfde gebeurt me als ik een selfie upload op Instagram. Waar je vroeger uit allerlei filters kon kiezen, zie ik tegenwoordig soms dat mijn foto automatisch wordt aangepast. Dit wordt gepresenteerd als service van het sociale medium: ‘We helpen je wel even een handje, zo zie je er beter uit.’ Helaas komt met deze proactieve correctie tegelijkertijd een andere boodschap mee: het oordeel dat ik er van mezelf niet goed genoeg uitzie om op het internet te worden vertoond. Meer dan een miljard mensen per maand, overwegend jongeren, krijgen dat mee.

De mens als beeld van God

De mens is volgens de Bijbel gemaakt naar het beeld van God. Dat is een geweldige manier om het leven ingestuurd te worden: dat we onderdeel zijn van een mooie schepping en samen niet alleen kinderen maar ook beelddragers van God mogen heten. We moeten dat zien als een collectieve afspiegeling. Samen met alle acht miljard mensen vormen we een accurater beeld van God dan ik dat in mijn eentje ben. Toch mag ik niet ontbreken. Als er ook maar één mens onzichtbaar blijft, ontbreekt er een stukje van het beeld van God. Daarin bestaan geen lelijke eendjes die we beter kunnen wegmoffelen.

In het beeld van God bestaan geen lelijke eendjes

Wat dat betreft kunnen sociale media wel iets moois hebben, omdat het de eerste keer in de geschiedenis is dat de beeltenissen van miljarden mensen op een plek worden verzameld. Toch is dat niet de praktijk. In werkelijkheid zie je maar een minderheid van de mensen: zij die in conventionele zin mooi of succesvol zijn, komen bovendrijven in het algoritme. Sterker nog, Facebook was helemaal in het begin een website waar men de foto’s van twee vrouwen te zien kreeg en moest stemmen wie van beiden knapper was. Aan het einde genereerde de site uit alle jaarboeken een top tien van de aantrekkelijkste studentes.

Imperfectie en schaamte

Dat is inmiddels twintig jaar geleden. De eerste generatie digital natives die met sociale media zijn opgegroeid, is inmiddels volwassen geworden. Hun online wereld bestaat uit geautomatiseerde timelines waaruit alle ‘moedervlekken’ inmiddels zijn weggepoetst. Wie minder knap of opvallend is, krijgt alleen een like van haar eigen moeder en wordt verder niet weergegeven. Wie bijzonder symmetrisch of welgevormd is, gaat er vandoor met een publiek van honderdduizenden. Wat een prachtig mozaïek van God had kunnen zijn, is in de praktijk een geamputeerd en karikaturesk beeld geworden. Er ontbreken cruciale ledematen, terwijl andere onnatuurlijk sterk zijn uitvergroot.

Dit probleem is niet nieuw. Het begon al bij de eerste mensen, Adam en Eva. Nadat zij hebben gegeten van de verboden vrucht, gaan hun de ogen open. Het is frappant wat er dan als eerste gebeurt: ze zien dat ze naakt zijn. Ze krijgen een vorm van zelfbewustzijn die je bij dieren niet ziet. Mijn hond toont een algehele desinteresse als ze zichzelf in de spiegel ziet; maar wij mensen zijn geobsedeerd door hoe we eruitzien en overkomen. Adam en Eva gaan direct aan de slag om bepaalde lichaamsdelen voor elkaar te verbergen. Wat een beeld van God had kunnen zijn, wordt voortaan geblurd omdat de mensen zich voor elkaar zijn gaan schamen. Daarna verstoppen ze zich voor God.

Van God los

De schaamte van de zondeval heeft veel met ons zelfbeeld te maken: ‘Ik mag niet gezien worden.’ Dat heeft religieuze en sociale gevolgen. Het eerste religieuze gevolg is dat de mens verwijderd raakt van God. Als je jezelf niet meer ziet als beelddrager van God, en in het verlengde daarvan niet meer als geliefd kind van God, wordt God minder vertrouwd. Eng zelfs. Hoe heb je het ooit in je hoofd gehaald om met God te durven wandelen, jij die zo naakt bent als wat en niets te bieden hebt? Je bent Gods aandacht niet waard – dus kruip je weg uit  Gods nabijheid.

Maar we kunnen helemaal niet zonder! Dus fabriceren we nieuwe goden. In de Bijbel gebeurde dat door beelden te maken. In plaats van alle mensen samen als beelddragers van God te erkennen, maakte men beelden van klei, steen en hout. Zo werd de mens na de zondeval in feite eerder meer dan minder religieus, want beelden waren er in alle soorten en maten. In je broekzak, in je tuin en bij de markt stonden ze. Gespierde mensen en dieren, vrouwen met uitbundige rondingen en voor al die beelden kon je offeren en knielen. Waarom eigenlijk? Vooral omdat zij iets hadden wat jij niet had.

Reclames en sociale media doen duizenden jaren later precies wat die godenbeelden toen deden. Ze pakken iets uit de schepping – een mooi mens, iets indrukwekkends – en zetten het om in beelden. Aan die beelden vergapen we ons vele uren per dag en we zwichten ervoor. Soms door onze tijd en aandacht eraan te offeren, soms door iets te kopen. Vaak door te denken: daarop moet ik ook lijken. Er ontbreekt iets aan mij en als ik mezelf maar genoeg probeer te vormen naar dat beeld daar, krijg ik misschien ooit mijn eigenwaarde opgekrikt. Intussen wordt er maar één ego gestreeld: het ego van de beeldenmaker die toch al succesvol genoeg was. De rest blijft eenzaam achter met de schaamte: ‘Zo mooi zal ik toch nooit zijn.’

Jezelf met anderen vergelijken

Het sociale gevolg van de zondeval is ook funest. Het eerste wat Eva en Adam deden, was zichzelf bedekken voor elkaar. Je ziet de ander en je weet dat de ander jou ziet. Je ogen dwalen onwillekeurig af naar het verschil tussen jou en de ander. Dat verschil is onuitstaanbaar: je gaat jezelf haten, omdat je waarschijnlijk minder mooi bent dan de ander en je gaat de ander om precies diezelfde reden haten. Als we niet in alle mensen meer beelddragers van God kunnen zien, vaart de duivel in ons. We zullen onze vreugde verliezen en onze verbinding met de ander verspelen.

Dat gebeurt dan ook direct met Kaïn, de eerste mensenzoon. Hij krijgt een jongere broer, Abel, en kan het niet laten om zichzelf met die broer te vergelijken. Zodra hij ziet dat Abel meer in de gunst van God lijkt te staan dan hijzelf, staat Kaïns gezicht op onweer. God komt nog tussenbeide om Kaïn te zeggen dat er echt niets aan de hand hoeft te zijn, maar het is te laat. Kaïn kan het verschil tussen Abel en hemzelf niet vergeten en hij moet het tenietdoen. Desnoods door die broer teniet te doen: de eerste mensenzoon vermoordt de tweede. Dat allemaal doordat hij bij de ander iets zag wat hij zelf had willen hebben.

Altijd wanneer ik dit bijbelverhaal vertel, haal ik mijn telefoon uit mijn broekzak en scroll ik even door Facebook of Instagram. Een tijdsbesteding die menig modern mens onder de vijftig goed kent. En wat doen we dan eigenlijk? We zien de tuin, de partner, de kinderen, de auto  en de vakantie van de buren. Continu worden we uitgenodigd om onszelf te vergelijken met het online beeld dat onze naasten van zichzelf creëren. In de tussentijd zitten zij ook op de wc, op bed en in de trein naar onze beelden te kijken. Maar hoeveel onnodige en gevaarlijke onvrede doen we onszelf daarmee eigenlijk aan?

God kijkt naar het hart

De Bijbel gaat over het algemeen heel nuchter met uiterlijke schoonheid om. Als de profeet Samuel een nieuwe koning moet zalven, wordt hij door God naar een herder met de naam Isaï gestuurd. Die zet zeven zonen klaar voor Samuel. Al bij de oudste zoon, Eliab, denkt Samuel op basis van zijn uiterlijk dat hij vast en zeker de nieuwe koning wordt. Maar God zegt: ‘Ga niet af op zijn voorkomen en zijn rijzige gestalte. Ik heb hem afgewezen. Het gaat niet om wat de mens ziet: de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de HEER kijkt naar het hart.’

Daarna gaat Samuel alle andere zonen langs, maar geen van allen blijkt de door God gewenste koning. Het is de jongste die bij de schapen en geiten loopt, zoon nummer acht, die koning moet worden: David. Zo draait God de gevestigde volgorde om: hij die vooroploopt als oudste zoon met een goed postuur wordt afgewezen. Hij die zelfs nog niet goed genoeg werd bevonden om auditie te doen, wordt uitgekozen. Al gebiedt de eerlijkheid wel om erbij te zeggen dat ook David een knappe jongen is om te zien, met ‘rossig haar en sprekende ogen’, toch is Gods opmerking tegen Samuel duidelijk. Het gaat God om het hart en niet om de looks. Misschien een cliché, maar tegen catechisanten kun je het niet vaak genoeg zeggen.

Mooie vrouwen

Af en toe komt er ook een vrouw in de Bijbel voor die expliciet mooi wordt genoemd. In bijna geen van die gevallen mag dat zonder meer gelden als een zegen. Zo is er Rachel die mooier is dan haar oudere zus. Jakob krijgt beide vrouwen als echtgenote, maar Rachel is zijn lievelingetje. Dat zorgt voor extreme rivaliteit tussen beiden – en dat valt te begrijpen. Als God ervoor zorgt dat Lea met haar fletse ogen wel kinderen krijgt en Rachel niet, leren alle betrokkenen voor het eerst dat uiterlijke schoonheid ook niet alles is. Familieliefde is bijvoorbeeld al veel meer waard. En wat te denken van gezondheid!

Batseba is ‘heel mooi om te zien’, zegt de Bijbel, maar het brengt haar in de problemen. Zodra de koning haar opmerkt, laat hij haar echtgenoot omkomen, nadat hij haar eerst naar zijn paleis heeft laten brengen en haar zwanger heeft gemaakt. Iets soortgelijks gebeurt met Saraï, die mooi is, maar daardoor tegen haar zin wordt ingelijfd in de harem van de Egyptische farao. Koning David slaapt aan het eind van zijn leven (platonisch) met een heel jong meisje dat ‘werkelijk bijzonder mooi’ is. Je zal haar maar zijn, denk ik dan. In de hele Bijbel kom je zelden een mooie vrouw of man tegen die echt profijt heeft van die schoonheid. Eerder andersom: het kan zich verraderlijk tegen je keren.

Ware schoonheid

Of Jezus aan veel schoonheidsidealen heeft voldaan, kun je betwijfelen. We beelden hem meestal te knap af, denk ik. En dat is zonde. Zijn uiterlijk speelt geen enkele rol in de bijbelverhalen, omdat het er niet toe doet. Hij kan er uitzien als ieder van ons – wij allen zijn zijn broers en zussen en gelden als kinderen van God. Dat heeft aan de ene kant als gevolg dat uiterlijke schoonheid minder belangrijk wordt. Het doet ertoe wat Jezus deed, wie Hij was en wat Hij zei. Dat geldt ook voor ons.

Aan de andere kant geeft het ons een nieuw perspectief op schoonheid. Wanneer ben je echt mooi? Als je gelaatstrekken symmetrisch zijn, als je shirt opbolt door de biceps of je broek door de billen? Nee. Dat type schoonheid creëert ongelijkheid, rivaliteit en schaamte. Mooi ben je als je herkenbaar bent als beelddrager van God. Dat kan op vele manieren. In tegenstelling tot op sociale media, kan in Gods koninkrijk ieder schepsel mooi zijn. Een van de eerste wegen naar die status, is dat je ook erkent dat veel andere mensen beelddragers van God zijn. Mooi ben je, als je de schoonheid van de ander kunt vieren.

 

Verschillende gaven, één Geest

Verschillende gaven, één Geest

Bram Beute
  • Beschouwing
  • Thema-artikelen
‘Laten we minder in ons hoofd zitten’

‘Laten we minder in ons hoofd zitten’

Arie Kok
  • Interview
  • Thema-artikelen

Reageer op dit bericht

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief