Bidden voor Babel
- Achtergrond
- Blog
Met mijn zendingsbril op lees ik Jeremia 29. Daarin wordt zijn brief gepubliceerd aan de eerste groep ballingen die in 597 voor Christus naar Babel zijn afgevoerd.
Het waren mensen uit de bovenste laag van de bevolking die bemoedigende boodschappen uit Juda kregen: ‘Het zal niet lang duren voordat God jullie weer thuis brengt in Jeruzalem.’ Valse profeten bazuinden dit rond als woord van God: ‘De tempel, de tempel, de tempel is hier (Jeremia 7). Kijk maar omhoog. Even zeker als de tempel daar staat op de berg Sion, zo zeker zal God met ons zijn en jullie weer thuis brengen. Alles komt goed.’
Jeremia’s brief
Door de profeet, die Hij wel geroepen had, laat God de ballingen weten dat Hij het was die hen naar Babel had laten wegvoeren. Het oordeel dat Hij door allerlei profeten had laten aankondigen, wordt nu voltrokken. God zal het zwaard, de honger en de pest (29:17-18) op het achtergebleven volk loslaten. Er is geen schijn van kans dat het de ballingschap zal kunnen ontspringen. Het volk heeft niet naar God geluisterd en Jeremia als een onheilsprofeet zelfs in de gevangenis laten gooien. Zo verwerd het tot een afschrikwekkend voorbeeld voor de volken op aarde terwijl zij daarvoor hen juist een zegen hadden moeten zijn (Genesis 12:1-3; 18:18). Maar als zij zelf niet luisteren naar de Heer God Almachtig, hoe zouden zij dan de volken daartoe kunnen bewegen? Daarmee begint de beloofde zegen: luisteren naar de God van Israël, de Heer Almachtig. Hij is het die bepaalt wanneer de ballingschap zal eindigen (70 jaar: Jeremia 29:10). Daarna zal Hij hen weer thuis brengen, waar zij Hem zullen zoeken en vinden als zij dat tenminste met hart en ziel zouden doen (Jeremia 29:13). Er is dus hoop, maar door het oordeel heen. God heeft altijd een pastorale bedoeling met zijn oordelen. Wil Israël ooit nog een zegen voor de volken op aarde kunnen worden, dan moeten zij zich door het oordeel van de ballingschap laten omvormen tot nieuwe mensen, betrouwbare partners van een God die ook de volken, inclusief de Babyloniërs, liefheeft. Daarom moesten de ballingen deze tijd wel goed gebruiken.
Leven in Babel
God wil dat de ballingen een zegen worden voor de mensen onder wie zij in Babel wonen. Er staan een paar dingen in Jeremia’s brief die daarop wijzen. Zij moeten in aantal toenemen, niet afnemen (29:6). Dat doet denken aan Gods belofte aan Abraham (Genesis 12:3): hij zou tot een groot volk uitgroeien en in een eigen land een zegen worden voor alle volken op aarde. Alleen, nu moeten de Israëlieten in het land van hun onderdrukkers, Babel, een zegen worden voor hun vijanden. Daarom roept God de ballingen op om daar een vruchtbaar leven op te bouwen, bij te dragen aan de agrarische economie, sterke huwelijken en gezinnen te ontwikkelen met een positieve impact op de samenleving. En dan dat diep insnijdende woord (29:7): bid tot de Heer voor de stad waarheen Ik jullie weggevoerd heb en zet je in voor haar voorspoed en vrede waarvan jullie ook zullen profiteren. In Israël waren het de priesters die in de tempel de voorbede voor het volk verzorgden. In Exodus 19:6 wordt het volk een koninkrijk van priesters genoemd. Als priesters moesten de ballingen nu ook voorbede doen voor hun vijanden. Zo zouden zij een zegen kunnen worden in Babel voor hun onderdrukkers. De tijd van de ballingschap was geen verloren tijd. Nee, het zou winst opleveren voor Gods wereldwijde heilsplan. In het Nieuwe Testament houdt Jezus ons dezelfde boodschap voor (Matteüs 5:44): heb je vijanden lief en bidt voor hen die je onderdrukken. Hij gaf zelf het goede voorbeeld. Zelfs aan het kruis bad hij nog voor zijn vijanden. Zijn kruisdood was een zegen die tot het uiteinde van de aarde de volken moest bereiken (Matteüs 28).
De ballingen moesten voorbede doen voor hun vijanden
Ballingschap, vreemdelingschap
De tijd van de ballingschap wordt wel vergeleken met die van het vreemdelingschap. Ook wij leven als christenen buiten ons eigenlijke vaderland als vreemdelingen in een God-vijandige wereld (Matteüs 24). Als burgers van dat vaderland, waar we eens zullen wonen, leven wij in deze wereld terwijl we toch niet van deze wereld zijn. Als vreemdelingen op aarde hebben we een dubbele loyaliteit die we niet tegen elkaar uitspelen. Wij zijn Nederlanders en tegelijk ook wereldburgers die op weg zijn naar hun hemelse vaderland, het koninkrijk van God op de nieuwe aarde. Uiteindelijk dienen we geen beperkende nationalistische belangen, maar die van de Koning van ons toekomstige wereldwijde vaderland waar alle volken, talen en culturen een gelijkwaardige plaats zullen krijgen. Jeremia’s boodschap aan de ballingen is ook relevant voor ons als vreemdelingen. Allereerst zoeken ook wij het goede voor de mensen onder wie we wonen. Onze kracht ligt niet in het isolement, in een eigen maatschappelijke zuil waarin we ons terugtrekken. Nee, wij zoeken het goede voor de mensen onder wie wij leven en met wie wij samenleven in alle sectoren van de maatschappij. Verder, wij doen dat al biddend tot onze Heer, God Almachtig, in Jezus’ naam. We bidden voor de wereld en haar leiders, hoe moeilijk ons dat ook valt. Ach, er zijn genoeg mensen voor wie wij bidden, maar doen we het ook voor onze vijanden? En wat bidden we dan? Tenslotte, wij bidden vooral dat God ons zo tot een zegen wil maken, zelfs voor onze vijanden. Wij zijn vreemdelingen op aarde waar we ook wonen. Zijn we herkenbaar als vreemdelingen die het beste voor hebben met de mensen onder wie en met wie wij leven? Er komt een einde aan ons vreemdelingschap zoals ook de ballingschap beëindigd werd – door God op zijn tijd. Totdat dat moment aanbreekt, blijven we bezig. We zoeken het goede ook voor onze vijanden en blijven voor hen bidden.
Dit artikel is gedeeltelijk afgeschermd. Je kunt tijdelijke toegang krijgen op dit apparaat en in deze browser.
Prijs: €1,00
Toegang is tijdelijk en gekoppeld aan dit apparaat en deze browser. Het wissen van cookies of gebruik van een andere browser betekent dat de toegang vervalt.Ds. Bob Wielenga is emeritus predikant van de NGK Kampen en woonachtig in Zuid-Afrika.