De naam boven alle namen

0

Daarom ook heeft God Hem hoog verheven
en Hem de naam verleend
die boven alle namen staat.
Filippenzen 2:9, Willibrordvertaling

In het tweede hoofdstuk van zijn brief aan de christelijke gemeente in Filippi zet de apostel Paulus het leven van Jezus in een groots kader. Aan het leven van Jezus op aarde gaat een hele geschiedenis vooraf, een eeuwigheid van bestaan ‘in de gestalte van God’, zoals Paulus het noemt.

(beeld Bruce Rolff / 123rf.com)

(beeld Bruce Rolff / 123rf.com)

Dat gelijk zijn aan God zag Hij niet als een privézaak, iets helemaal voor Zichzelf alleen. Hij koos ervoor het ten goede te laten komen aan anderen. Het betekende dat Hij van veel dingen afstand moest doen. Altijd al had Hij bestaan in de gestalte van God, nu koos Hij voor een heel andere gestalte, die van een slaaf, een bestaan dat zou uitlopen op een vernederende dood, door terechtstelling aan een kruis.

De naam

Paulus beschrijft een beweging van het hoogste geluk naar de diepste vernedering. En dan gaat hij verder met de woorden die boven deze Woordzoeker staan. God reageert op die grootse beweging van Jezus door Hem een hoge positie te geven en ook nog eens de meest eervolle naam.

Uit de woorden die volgen, wordt snel duidelijk welke naam dat is: ‘opdat in de naam van Jezus iedere knie zich zou buigen, in de hemel, op aarde en onder de aarde en iedere tong zou belijden tot eer van God, de Vader: de Heer, dat is Jezus Christus’ (Filippenzen 2:10-11, Willibrordvertaling). Je begint de betekenis en strekking van die woorden pas goed te peilen als je er een passage uit het Oude Testament naast zet:

‘Ik ben God, er is geen ander.
Ik heb bij Mijzelf gezworen:
Uit mijn mond komt gerechtigheid voort,
een woord dat Ik spreek wordt niet herroepen.
Voor Mij zal elke knie zich buigen
en elke tong zal bij Mij zweren.’
Jesaja 45:22-23

‘Er is geen ander’: JHWH, de God van Israël, is volstrekt uniek. Hij is degene voor wie ‘elke knie’ zich zal buigen, het is zijn naam waarbij ‘elke tong’ zal zweren. In de passage uit de brief van Paulus komen de woorden ‘knie’ en ‘tong’ terug. Maar nu is het de bedoeling dat iedere knie zich buigt ‘in de naam van Jezus’ en iedere tong een belijdenis uitspreekt: ‘de Heer, dat is Jezus Christus’. Die belijdenis maakt duidelijk welke naam God aan Jezus geeft: Hij ontvangt de naam ‘Heer’, de Griekse vertaling van JHWH.

Geen concurrentie

Als je deze woorden van Paulus al vaak gehoord hebt, moet je er werkelijk moeite voor doen om je voor te stellen hoe schokkend ze zijn. De God die geen concurrentie duldt (‘Ik ben God, er is geen ander’), geeft zijn naam aan een ander, aan een mens die de in die wereld meest verachtelijke straf had ondergaan: gedood door terechtstelling aan een kruis.

De God van Israël heeft een naam waarvan het copyright nooit van zijn leven zal verlopen. Er is slechts één persoon in de mensenwereld die je aan mag spreken met die naam zonder dat copyright te schenden: ‘de Heer, dat is Jezus Christus’. Dat heeft alles te maken met zijn unieke voorgeschiedenis.

Alleen in de context van de aanbidding van deze persoon betekent het gebruik van de naam ‘Heer’ niet je stem geven aan de concurrentie. Juist het tegendeel, beweert Paulus: op de een of andere manier deelt God in de eer die je aan Jezus Christus geeft. En alleen dit eerbetoon brengt je bij de ontdekking van nog een nieuwe naam, een naam waarmee jij God mag aanspreken, de naam die de Zoon altijd al gebruikt heeft: Vader. God deelt in de eer, jij deelt in de status van kind zijn.

Vraag
Voor wie is de uitspraak ‘de Heer, dat is Jezus Christus’ schokkend – in de tijd van Paulus, in latere eeuwen, in onze tijd? Hoe schokkend is ze voor jou?

Delen.

Over de auteur

Wolter Rose is universitair hoofddocent Semitische talen, geschiedenis en cultuur van het Oude Nabije Oosten aan de TU Kampen.

Laat een reactie achter