Het koninkrijk: zichtbaar of verborgen?

0

In hun bijdragen aan het thema ‘Gods koninkrijk’ schrijven Ronald Westerbeek (lees zijn artikel) en Wim van der Schee (lees zijn artikel) over de zichtbaarheid en onzichtbaarheid van het koninkrijk van God. Hun invalshoeken en uitkomsten verschillen. Wat hebben ze elkaar te vragen?

Beste Wim,

In je artikel zoek je de nuance. Ik vind het mooi wat je schrijft over het verrassende karakter van Gods koninkrijk: het komt in kwetsbaarheid, zet mensen van macht en geweld op het verkeerde been en overwint het kwade door het goede. En terecht schrijf je dat onze ervaringen van het doorbrekende koninkrijk vaak ‘meerduidig’ zijn. Maar ik heb ook een paar vragen aan je.

Zou het voor een Joodse man in de eerste eeuw nu echt minder overweldigend zijn om genezen te worden door een aanraking van Jezus dan voor ons nu? En is een overweldigende ervaring van Gods heil dan meteen hetzelfde als ‘manipulatie’?

Je zegt tamelijk stellig dat genezing op gebed alleen plaatsvindt bij psychosomatische aandoeningen. En over Jezus’ verschijningen aan Paulus en Johannes zeg je: ‘Zo is Hij niet bij ons.’ Jouw ervaring wijkt hier af van de ervaring van een groot deel van de wereldwijde kerk, ook in westerse contexten. Dat zou je iets voorzichtiger mogen stemmen. Om iets te noemen: bij ons in ICF Amersfoort (GKv/CGK) zijn de meeste bekeerlingen tot geloof in Jezus gekomen nadat Hij aan hen verscheen in een droom of visioen, of na een wonder.

Waarom is het zo belangrijk dat Gods aanwezigheid verborgen is? Zou het bedreigend zijn als Jezus zich ondubbelzinnig zou openbaren in je leven? En waarom dan?

Het valt me op dat je voor je duiding van ‘bijzondere ervaringen’ verwijst naar de agnostische antropologe Luhrmann, die niet alleen dergelijke ervaringen maar überhaupt het geloof in God duidt als een ‘idee in het hoofd’ dat als ‘extern reëel’ ervaren wordt. Hoe zie jij je eigen geloof en welke plek heeft zoiets als een Godservaring daarin?

Je probeert een middenpositie in te nemen tussen hen die het heil van Gods koninkrijk naar de toekomst verbannen en hen die dit in het heden trekken, en dat lijkt me volledig terecht. Maar benadruk je de verborgenheid van Gods heil niet zó sterk dat je feitelijk toch de eerste positie inneemt: pas na de wederkomst gaan we iets zien van het heil van Gods koninkrijk?

Ronald Westerbeek

Beste Ronald,

Waar zit het hem in dat ik me toch niet senang voel bij je artikel? Ik heb er echt even over moeten nadenken.

Hoe ben je gekomen bij je insteek over het koninkrijk dat doorbreekt? Er is misschien één Bijbeltekst (Matteüs 11:12) die zo gelezen kan worden, maar het normale begrip bij het koninkrijk is ‘komen’.

De kern van het evangelie is dat ons iets overkomt. Mensen krijgen er deel aan door erop te vertrouwen (= geloven). Ze ontvangen gaven van de Geest en dragen vrucht. Mensen worden erin meegenomen en geactiveerd, maar de bron van alles is passief. Aan de komst van het koninkrijk wordt door mensen nergens in de Bijbel meegewerkt. Het blijft van het begin tot het eind een zaak van God. ‘Medewerkers van God’ zijn wij alleen in de verkondiging van de komst van het rijk.

Wat is de plaats van de dood en het lijden binnen het koninkrijk? Het is bij jou net alsof dat alles erbuiten staat en alleen bij de tegenstander en de ‘tegenwoordige boze tijd’ hoort. Maar Jezus is koning als de gekruisigde. Zijn volgers hebben een kruis te dragen (Matteüs 16:24). Er is nog aan te vullen aan Christus’ lijden (Kolossenzen 1:24). Wie wil delen in Jezus’ opstanding, moet ook delen in zijn dood (Romeinen 6:5).

Waarom zijn de mensen gelukkig die om Jezus gehaat, buitengesloten en beschimpt worden (Lucas 6:22)? Waarom begint het christenleven in de dood van de doop? Dit alles krijgt vanzelf zijn plek in de stijl van Jezus’ optreden als koning zoals ik die geschetst heb. Hoe geef jij er plek aan?

Wat doe jij met de afwezigheid van de bruidegom (Marcus 2:20 en verder), de gelijkenis van de ponden (Lucas 19:11 en verder) en de impliciete ontkenning van Jezus zelf dat binnen afzienbare tijd het koningschap over Israël hersteld wordt (Handelingen 1:6-8)?

Het lijkt erop dat jij ‘verborgenheid’ leest als afwezigheid. Ik lees het als meerduidige aanwezigheid. Daarom moeten geesten beproefd worden (1 Johannes 4:1). Tegelijk is het de reden dat ik altijd wat verdrietig word van de tweeslag ‘reeds-nog niet’. Doe mij maar ‘reeds-nog veel meer’.

Wim van der Schee

Delen.

Over de auteur

Laat een reactie achter