Leven in de laatste dagen (2)

0

Leven we in de eindtijd? Veel christenen stellen zich die vraag, omdat de recente ontwikkelingen in de wereld ons steeds meer beangstigen. Maar wat verstaan we precies onder de eindtijd? Deel twee van een tweeluik.

Met ‘de laatste dagen’ is Bijbels gezien de heilstijd bedoeld, zagen we in het vorige artikel (OnderWeg nummer 10, 14 mei 2016). Dit betreft allereerst de periode na de oudtestamentische tijd en pas in tweede instantie de periode die voorafgaat aan de wederkomst, oftewel de dag van de Heer.

Geen wonder dat Petrus aan de hand van Joëls profetie ‘de laatste dagen’ zag ingaan op Pinksteren, toen de heilige Geest zich in Jeruzalem manifesteerde. Als woordvoerder van de apostelen verklaarde hij de gebeurtenissen op die dag voor de verzamelde Joden:

‘Hier gebeurt wat gezegd is door de profeet Joël: En het zal gebeuren in de laatste dagen, zegt God, dat Ik mijn Geest zal uitgieten over alle mensen; uw zonen en uw dochters zullen profeteren, de jongeren onder u zullen visioenen zien en de ouderen zullen dromen dromen; ja, over mijn dienaren en mijn dienaressen zal Ik in die dagen mijn Geest uitgieten, en zij zullen profeteren. Ik zal wonderen verrichten aan de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed en vuur en walmende rook. De zon zal veranderen in duisternis en de maan in bloed, voordat de dag van de Heer komt, de grote en stralende dag. Dan zal het gebeuren dat ieder die de naam van de Heer aanroept, gered zal worden’ (Handelingen 2:16-21, Willibrordvertaling).

Petrus begint met een uitvoerig citaat van Joël 3:1-5, om duidelijk te maken dat diens profetie in vervulling is gegaan. Het bijzondere is dat Petrus aan het citaat toevoegt: ‘zegt God’ – blijkbaar om te benadrukken dat de HEER hier zelf aan het woord is. God spreekt door bemiddeling van de profeet Joël. En terwijl de profetie begint met het onbepaalde ‘daarna’, vult Petrus deze tijdsaanduiding concreet in als ‘in de laatste dagen’ (zie ook Joël 4:1, Willibrordvertaling: ‘in die dagen, in die tijd’).

Petrus actualiseert de profetie dus met het oog op de bijzondere gebeurtenissen die in Jeruzalem hadden plaatsgevonden. Hij kan de vrijmoedigheid daartoe hebben ontleend aan de inhoud van het Joël-citaat zelf, waar immers in de volgende verzen sprake is van ‘in die dagen’ en van ‘de dag van de Heer’ (Handelingen 2:18 en 20). Die laatste dagen zijn ingegaan, lijkt Petrus te willen zeggen. Wij beleven het begin van het einde.

Kosmisch

Kenmerkend voor de heilstijd is het uitgieten van de Geest over Gods hele volk. Nu Jezus Christus is opgestaan uit de dood en in de hemel gezeten is aan Gods rechterhand, laat de komst van de heilige Geest zien dat het messiaanse tijdperk is aangebroken.

Dat de Geest is uitgegoten over ‘alle vlees’, zoals er letterlijk staat, betekent dat alle volgelingen van Jezus Christus vervuld zijn van Gods aanwezigheid. De traditionele intermenselijke barrières worden doorbroken, want dit geldt voor mensen van beide seksen, in alle leeftijden en uit alle sociale klassen (later wordt de Geest voor de ogen van Petrus zelfs uitgegoten over niet-Joden: Handelingen 10:44-45).

Bij zo’n wereldschokkende gebeurtenis passen kosmische tekens: bloed, vuur en rook, een zwarte zon en een roodgekleurde maan. Vuur doet denken aan de vuurtongen die ‘s morgens te zien waren geweest, de zonsverduistering aan de drie uur durende duisternis voordat Jezus stierf.

Wie de Joël-profetie kende, had daarin oorlogstaal gehoord. Een optrekkend leger voert een bloedige strijd, steekt nederzettingen in brand en werpt stof- en rookwolken op. Op dezelfde manier nadert het eindgericht. Zons- en maansverduisteringen werden in de oudheid als onheilspellende voortekens beschouwd.

Petrus gebruikt de Joël-profetie als een telescoop om op Pinksteren zo ver mogelijk vooruit te kijken. Zo ziet hij achter de wondertekens van die dag apocalyptische verschijnselen opdoemen, die bij de laatste dag horen. Te midden van al die verschrikkingen klinkt het slot van de Joël-profetie in de mond van Petrus hoopvoller dan ooit: ‘Ieder die de naam van de Heer aanroept, zal worden gered.’

Hersteld paradijs

Vanuit dit perspectief kun je inderdaad zeggen dat de eschatologische tijd al is ingegaan. De vroege christenen hebben het hoogstwaarschijnlijk ook zo ervaren. Rijken kregen het oordeel aangezegd, omdat zij schatten verzamelden ‘terwijl het de laatste dagen zijn’ (Jakobus 5:3, Willibrordvertaling). En bisschop Ignatius schreef aan het begin van de tweede eeuw aan de gemeente van Efeze: ‘Dit zijn de laatste tijden’. Dat was geen bangmakerij van Ignatius: zo gaf hij de urgentie van bekering aan. Laten wij Gods geduld eerbiedigen, voegde hij eraan toe, zodat we niet veroordeeld worden, maar Hem liefhebben vanwege zijn genade (zie ook 2 Petrus 3:9).

Overigens werd ook door niet-christenen gehoopt op het aanbreken van een bijzonder tijdperk, een gouden eeuw. De Romeinse dichter Vergilius suggereerde dat het stabiliserende bewind van keizer Augustus zo’n ideaal tijdperk was dat het misschien voor altijd zou blijven bestaan.

De Joodse toekomstverwachting richtte zich juist op een herstelde paradijssituatie, zodat het wereldeinde zou aansluiten bij het begin van de schepping. Iets dergelijks horen we ook Petrus zeggen, wanneer hij vlak na Pinksteren tot de Joden in Jeruzalem spreekt over momenten van opluchting, tot de tijden van het herstel van alle dingen (Handelingen 3:18-21).

Escaleren

De periode van ‘de laatste dagen’ zal volgens de profeten dus aanbreken met een beslissend ingrijpen van God ten gunste van zijn volk. Dat houdt enerzijds de openbaring van Jezus Christus, de verbondsvernieuwing en het uitgieten van de heilige Geest in, en anderzijds het uitbreken van moreel verval, dat voorafgaat aan de dag van de Heer (afvalligheid, dwaling, liefdeloosheid, zelfverrijking, optreden van spotters). Al die ontwikkelingen zijn sinds Pinksteren aan de gang, zowel de positieve als de negatieve. Daarom is het Bijbelse devies aan alle christenen: weet waar je voor staat en wees alert – dat wil zeggen: nuchter en waakzaam, zodat je kunt bidden.

Zal het kwaad binnen de periode van ‘de laatste dagen’ escaleren? Het boek Openbaring wekt wel die indruk. De apostolische waarschuwingen melden alleen dat ‘in de laatste dagen moeilijke tijden zullen aanbreken’ (2 Timoteüs 3:1, Willibrordvertaling) en dat er spotters zullen optreden (2 Petrus 3:3; Judas 18). Maar dan nog wordt verondersteld dat de lezers zulke eindtijdverschijnselen uit ervaring kennen: zij moeten hun goddeloze medemensen op afstand houden en zich door spotters geen valse gerustheid laten aanpraten. Alleen God bepaalt wanneer de allerlaatste dag aanbreekt.

Terminologie

Het Griekse woord voor ‘laatst’ is eschatos; vandaar de termen ‘eschatologisch’ en ‘het eschaton’. Eén keer spreekt Paulus over ‘de laatste bazuin’ (1 Korintiërs 15:52).

Een bijzondere uitdrukking vinden we tot tweemaal toe in 1 Johannes 2:18, waar staat dat ‘het laatste uur’ is aangebroken. Dit doet denken aan ‘het uur van Jezus’ volgens het Johannesevangelie: eerst is zijn tijd nog niet gekomen, maar later wel (Johannes 2:4; 7:6 en 8; 12:23). Nu er vele antichristen zijn opgetreden die het menszijn van Jezus Christus ontkennen, schrijft Johannes, weten wij hoe laat het is. Dit verschijnsel vormt voor de gemeente een signaal dat de eschatologische dwaalleer oprukt.

Delen.

Over de auteur

Rob van Houwelingen is hoogleraar Nieuwe Testament aan de Theologische Universiteit in Kampen en lid van de brede redactie van OnderWeg.

Laat een reactie achter