Is er straks nog een kerkverband?

0

In een themanummer over de toekomst van de kerk moet het ook gaan over de toekomst van het kerkverband. Nu zou je daar snel klaar mee kunnen zijn. Over de volle breedte van protestants Nederland zie je namelijk dezelfde tendens richting een marginaal kerkverband: groepen relatief losstaande gemeenten, voorzien van een zo klein mogelijke dienstenorganisatie voor opleiding en financiering van werkers in de gemeenten, probleemoplossing en toerusting. Maar is daar alles mee gezegd?

Een fractal is een meetkundige figuur (zoals deze bloemfiguur) die opgebouwd is uit delen die min of meer gelijkvormig zijn met de figuur zelf. De kerk heeft van nature een fractalstructuur: hetzelfde patroon keert op elk volgend niveau terug, in principe zonder einde. In de kerk is dat het patroon van de communie, de avondmaalsgemeenschap. Het is de structuur van de liefde, van de verzoening, van op elkaar letten en voor elkaar zorgen, die ontspringt aan de liefde van Christus. (beeld Anikakodydkova/Shutterstock)

Een fractal is een meetkundige figuur (zoals deze bloemfiguur) die opgebouwd is uit delen die min of meer gelijkvormig zijn met de figuur zelf. De kerk heeft van nature een fractalstructuur: hetzelfde patroon keert op elk volgend niveau terug, in principe zonder einde. In de kerk is dat het patroon van de communie, de avondmaalsgemeenschap. Het is de structuur van de liefde, van de verzoening, van op elkaar letten en voor elkaar zorgen, die ontspringt aan de liefde van Christus. (beeld Anikakodydkova/Shutterstock)

Het marginale kerkverband is nu al een gewone situatie in de evangelische wereld en in de NGK. Andere kerken bewegen naar hetzelfde punt (zelfs de PKN, in het verlengde van het project Kerk 2025). Vroeger was het anders. Ruim een eeuw lang nam het kerkverband een flinke plaats in. Maar dat is voorbij, en ik heb geen aanwijzingen dat er iets van terugkeert. Wat terugkeert, is de gewone stand van zaken in reformatorische kerken: de kerk is de plaatselijke gemeente, de rest is op zijn best van secundair belang.

Waarom de gewone stand van zaken? Omdat in reformatorische kerken vanouds de focus ligt op de verhouding van de gelovige met God. Je gaat naar de kerk om het Woord te horen, zo nu en dan de sacramenten te gebruiken, te bidden en via de collecte de armen te helpen (zie zondag 38, Heidelbergse Catechismus). Alles draait om het oproepen en in stand houden van het zeker weten en vast vertrouwen van de gelovige (zondag 7, Catechismus). De Reformatie is ontsprongen aan de problematiek van de individuele biecht en blijft tot vandaag altijd ergens binnen die persoonlijke horizon gevangen.

Niet dat er niets verandert. Tegenwoordig gaan veel mensen naar de kerk om positief iets van hun geloof te beleven. Het Woord moet je het gevoel geven geaccepteerd en gestimuleerd te worden. Liederen en gebeden dienen om je te uiten. Vaak draait het om het oproepen en in stand houden van geloven als een soort permanente verliefdheid op de Heer. Maar de focus ligt dus nog steeds op de verhouding van de gelovige met God. Meer dan een plaatselijke gemeente als warme en stimulerende gemeenschap is daar niet of nauwelijks voor nodig.

Horizon

Bij wat er nog aan aandacht voor de eenheid van de kerk was, lag vroeger het accent op een vorm van oecumene van het hoofd: het eens zijn over belijdenissen. Vandaag gaat het vooral om een vorm van oecumene van het hart: delen in geloofservaring en geloofsbeleving. Dat doorbreekt oude kerkgrenzen, maar reikt in de eenheid van de kerk nog steeds niet bijster ver: geestverwanten vinden elkaar, meer niet.

Ook hier is de continuïteit groter dan het verschil. Erg ver heeft de blik op de eenheid van de kerk in reformatorische kerken namelijk nooit gereikt. De Reformatie vond plaats binnen de regionaal versnipperde kerkelijke wereld van de late middeleeuwen. Er was overal een vorm van verbinding met Rome, maar de kerken waren veel meer Frans, Engels of op de rest van het continent nog kleiner regionaal. Overal waren eigen rechten en gewoontes.

De praktische oplossing van 1555, dat elke regio de religie van de landsheer zou aannemen, was uiteindelijk een bevestiging van de toestand zoals die al was, alleen nu deels zonder verbinding met Rome. In reformatorische kerken was bovenplaatselijk kerk zijn vanzelfsprekend begrensd tot de eigen regio. Het werd of aan de regionale overheid overgelaten (luthers) of naar analogie van de organisatie van die overheid regionaal zelf opgebouwd (gereformeerd). Verder reikte de horizon kennelijk niet.

In reformatorische kerken is de regel dat wat er aan bovenplaatselijke organisatie is, in feite voortkomt uit vormen van verbondenheid die niets met kerk zijn te maken hebben. Ging het eerst om samen ergens wonen, later ontstond de Nederlandse Hervormde Kerk op de beweging van het ontstaan van de Nederlandse natiestaat. Nog later volgde het kerkverband de structuur van de negentiende-eeuwse vereniging. Daarna was de vrijwilligersorganisatie een tijd lang het model en nu schuiven we naar een netwerkmodel.

Al deze vormen zijn in feite seculier of in ieder geval niet in zichzelf kerkelijk. Wel konden ze zorgen voor een stevige vorm van kerkverband. Achteraf blijkt dit een uitzonderingssituatie die ‘van buiten’ kwam. Ten diepste blijft kerk zijn naar reformatorisch besef plaatselijk, de rest is van secundair belang.

Constructies

Binnen de kleine gereformeerde kerken heeft dit in de negentiende eeuw een tegenstrijdige situatie opgeleverd. Aan de ene kant zie je rond de Doleantie een aparte nadruk op de ‘zelfstandige’ plaatselijke kerk ontstaan. Het geheel van de Hervormde Kerk werd destijds gedomineerd door grotendeels vrijzinnige besturen. Daartegenover vroegen mensen als Kuyper, Rutgers en Lohman aandacht voor ‘de rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken’. Het ging er vooral om dat de synode en regionale bestuursorganen niet de bevoegdheid hadden om zich met de plaatselijke kerk te bemoeien. De ‘zelfstandige’ plaatselijke kerk was dus vooral een beschermingsconstructie voor een kleinere groep die zich overeind probeerde te houden in een groter geheel dat er anders over dacht.

Het kenmerkende uitgangspunt van dit Doleantie-kerkrecht is dat plaatselijke kerken ten opzichte van elkaar en vooral ten opzichte van een bovenplaatselijke kerk autonoom zijn. Bovenplaatselijk bestaat er geen kerk, alleen een samenwerkingsverband van kerken waarin bepaalde bevoegdheden worden gedeeld, maar wel zo min mogelijk. Dit kerkverband kan heel actief en dominant zijn, en is dat ook een tijd lang geweest. Maar het blijft secundair en wordt nooit zelf kerk. Je zou kunnen zeggen dat het bij het Doleantie-kerkrecht gaat om een vorm van principieel individualisme op gemeenteniveau. Daarom werkt het vooral in situaties waar het voor ontworpen is: als beschermingsconstructie voor een minderheid (bijvoorbeeld bij de Vrijmaking).

Als er iets in de kerk niet kan bestaan,
is het een zelfstandige gemeente

Aan de andere kant moet er wel constructief samengewerkt worden. En dan blijkt de ‘zelfstandige’ plaatselijke kerk vooral een sta-in-de-weg: met uitgesproken individuen is het lastig samenwerken. In feite dwingt de praktijk de erkenning af dat gemeenten niet zelfstandig kúnnen zijn. Maar dat mag niet worden toegegeven. Dus worden er over de ‘zelfstandigheid’ van de plaatselijke kerk heen extra constructies aangebracht.

De Gereformeerde Kerk koos vanaf de jaren twintig voor de constructie van een eigen bevoegdheid van meerdere vergaderingen. De GKv hanteert sinds de jaren zestig de constructie van ‘de kerken’ die in meerdere vergaderingen geacht worden gezamenlijk te besluiten. Effectief komt dat op hetzelfde neer: waar kerkelijke vergaderingen dat nodig vinden, wordt de ‘zelfstandigheid’ van de plaatselijke kerk buitenspel gezet, ook al blijft ze met de mond beleden.

Zolang men het in de kerkengroep in overgrote meerderheid eens is, levert dit weinig problemen op. Ontstaan er verschillen van mening of praktijk, dan blijkt het om constructies te gaan: gemeenten worden niet werkelijk door de kerkelijke vergaderingen vertegenwoordigd en voelen zich overruled. De reflex is dan: terugvallen op de nog steeds door iedereen met de mond beleden zelfstandigheid en een eigen route kiezen. Gebeurt dat veel, zoals in de NGK, die decennia geleden twee keer achter elkaar door synodes overlopen werd, dan blijkt de samenwerking in het kerkverband een serieus probleem te worden en keert de wal het schip. Gebeurt dat regelmatig, zoals in de GKv, dan zie je dat landelijke besluiten op den duur door de praktijk gecorrigeerd worden. Denk aan het project rond liturgie en eredienst, het besluit over gasten aan het avondmaal en allerlei gedetailleerde regelingen voor kerkelijke contacten.

Inmiddels kiezen zelfs vrijgemaakte synodes met zoveel woorden voor een basishouding van faciliteren van de ontwikkelingen in de plaatselijke kerken. Gevoelige uitzonderingen (vrouwelijke ambtsdragers, homoseksualiteit en tucht) bevestigen die regel. Al met al blijkt steeds sterker waar het werkelijke zwaartepunt ligt: bij de ‘zelfstandige’ plaatselijke kerk. Normaal opereren gemeenten individueel, hoogstens geholpen door een steeds kleinere dienstenorganisatie.

Overzien we het geheel, dan blijkt dit precies het karakter te zijn van alle vormen van bovenplaatselijke organisatie in reformatorische kerken: dat van een dienstenorganisatie ten bate van de gemeenten. Dat een deel van die organisatie de vorm heeft van een kerkelijke vergadering en een ander deel niet, maakt uiteindelijk niet uit. In ieder geval gedragen gemeente(lede)n zich doorgaans zo.

Fractalstructuur

Zoals gezegd zie ik geen signalen dat in deze situatie op korte termijn verandering komt. Het belang ervan wordt niet ervaren en de vormen van verbondenheid die vroeger het kerkverband droegen, zijn weggevallen. De combinatie van plaatselijke gemeenten en oecumene van het hart in internationale bewegingen lijkt meer dan voldoende.

Tegelijk blijft het op zijn zachtst gezegd een merkwaardige situatie. Theologisch gezien heeft de eenheid van de kerk namelijk wel degelijk een structuur. Die wordt zichtbaar in de avondmaalsviering. Elke plaatselijke gemeente die avondmaal viert, kan dat alleen maar doen als geïntegreerd onderdeel van de kerk van alle tijden en plaatsen. Het lichaam van Christus dat gegeten wordt, is onontkoombaar zijn ene lichaam. Zoals de verschillende gelovigen bij de viering samen deel van dat ene lichaam vormen, vormen verschillende gemeenten dat ook, en verschillende groepen van gemeenten opnieuw.

Het is tijd dat we bedenken dat het in de kerk niet om jouw verhouding met God gaat

De kerk heeft van nature een fractalstructuur: hetzelfde patroon keert op elk volgend niveau terug, in principe zonder einde. In de kerk is dat het patroon van de communie of koinonia (avondmaalsgemeenschap). Het is de structuur van de liefde, van de verzoening, van op elkaar letten en voor elkaar zorgen, die ontspringt aan de liefde van Christus, die ons in het evangelie overkomt en die in het avondmaal gestalte krijgt.

De gedragsnormen die in de gemeenschap gelden tussen avondmaal vierende gemeenteleden, zijn dezelfde normen voor gemeenten en groepen van gemeenten. Wie in het lichaam van Christus is gedoopt, kan zich met een groep gelijkgezinden als gemeente niet individualistisch opstellen zonder het evangelie in feite te verloochenen. Als er iets in de kerk niet kan bestaan, is het een zelfstandige gemeente.

Een kerkverband is theologisch een functionerende gemeenschap van kerken, inclusief alle vormen van liefde, zorg en bemoeienis die daarbij horen. Een kerkverband is net zo kerk als een avondmaal vierende gemeente, alleen dan op een volgend niveau. Een kerkverband is net zo verantwoordelijk voor elkaar, en opnieuw deel van een lichaam. Dat gaat veel verder dan welke vorm van kerkverband ook die momenteel in reformatorische kerken bestaat.

Heilige koe

Des te merkwaardiger is het dat gemeenten het zonder blikken of blozen met veel minder doen. Neem bijvoorbeeld het beroepen van predikanten. Dat wordt overal door de plaatselijke gemeente uitgevoerd. Zusterkerken beconcurreren elkaar. Het is systematisch onmogelijk om op het belang van de ander te letten (Filippenzen 2:4). In ieder geval is er geen enkele gemeenschappelijke sturing dat ‘de juiste man op de juiste plaats’ terechtkomt. Er kan niet gewerkt worden vanuit een visie op het geheel, omdat dat geheel geen gemeenschap vormt, maar een groep individuen die allemaal voor zichzelf opkomen. Wil hier iets aan gebeuren, dan moet de heilige koe van de ‘zelfstandige’ plaatselijke kerk geslacht worden en de zaak op het niveau van het kerkverband geregeld worden.

En daar eindigt het niet. Het lichaam van Christus eindigt ook niet bij een kerkverband. Dat het oog niet tegen de hand kan zeggen: ik heb jou niet nodig (1 Korintiërs 12:21), geldt net zo goed tussen kerkverbanden als tussen gemeenten en gemeenteleden. We kunnen niet zonder onze roomse, oosters-orthodoxe, anglicaanse en anders protestantse broeders en zusters. Juist omdat ze anders zijn, hebben we hen nodig. Ze hebben allemaal iets van de Heer gekregen dat wij niet hebben. Zolang dat niet serieus vorm krijgt in allerlei vormen van gemeenschap, kun je je theologisch afvragen of het bij gemeenten eigenlijk nog wel om de kerk gaat.

Het is tijd dat we bedenken dat het in de kerk niet om jouw verhouding met God gaat. Je wordt ingevoegd in een gemeenschap die zich tot God verhoudt en die voor elkaar met huid en haar verantwoordelijk is, op alle niveaus. De kerk heeft een fractalstructuur. Elke avondmaalsviering bepaalt je daarbij: déze communie vraagt erom herhaald te worden, zonder einde. Wellicht dat er dan toch bijzondere ontwikkelingen opduiken de komende jaren. Gemeenten die weer kerk worden, zoiets.

Delen.

Over de auteur

Wim van der Schee was predikant in de GKv en is sinds kort beroepbaar in de PKN. Hij is medewerker van OnderWeg.

Laat een reactie achter