Het hoogste geluk

0

Ik ben verrukt van wat mij is toebedeeld.
(Psalm 16:6)

De omstandigheden van de bidder die deze woorden uitspreekt zijn zo te zien niet bepaald gunstig: de bidder zoekt bescherming bij God, hij moet bij Hem schuilen (vers 1). Als iemand op zo’n moment spreekt over iets wat hem gelukkig maakt, dan wil je weten waar hij zo verrukt van is: wat is hem toebedeeld? Volgens sommigen gaat het om een concreet stuk land dat God hem gegeven heeft (‘Een lieflijk land is voor mij uitgemeten’, vers 6 NBV). Die mogelijkheid moeten we zeker overwegen, zolang we ons maar realiseren dat het woord ‘land’ in de vertaling is toegevoegd.

(beeld Patramansky/iStock)

(beeld Patramansky/iStock)

Een mogelijkheid die we ook moeten overwegen, is dat niet iets wat God gegeven heeft, maar God zelf het deel is dat de bidder ontvangen heeft en waar hij zo verrukt van is. Dat sluit goed aan bij het voorafgaande vers:

Nee, de HEER is mijn erfdeel, mijn levensbeker,
mijn lotsbestemming ligt in uw handen;
voor mij is het meetlint gelukkig gevallen,
ja, ik ben opgetogen over dit bezit.
(Psalm 16:5-6, Willibrordvertaling)

Eerder in zijn gebed had de bidder iets vergelijkbaars gezegd:

Ik zeg tot de HEER: ‘U bent mijn Heer,
mijn geluk, niemand gaat U te boven.’
(Psalm 16:2)

Het is prachtig wanneer iemand zijn dankbaarheid verwoordt voor iets wat hem gegeven is: ik ben heel blij met wat u mij gegeven hebt. Deze bidder doet er nog een schep bovenop. Hij is (ook nog) blij met iets anders. Het grootste geschenk dat God hem heeft gegeven is zichzelf, God in eigen persoon.

‘U bent mijn geluk.’ JHWH is voor deze bidder het ultieme geluk en er is niets wat daar iets vanaf doet of daar bovenuit gaat. Zijn God staat wat hem betreft ongeslagen op eenzame hoogte. Er is concurrentie genoeg (verzen 3-4), maar JHWH laat die ver achter zich (‘niemand gaat U te boven’).

Voor de bidder was het een ontdekking met grote gevolgen. Er was een tijd dat hij andere goden en machten vereerde (vers 3). Als deze bidder luistert naar de naam David, dan betekent het dat er een tijd in het leven van David is geweest dat hij andere goden vereerde. Dat is nu verleden tijd (vers 4: ‘niet langer ligt hun naam op mijn lippen’). Hij heeft afscheid genomen van zijn goden van vroeger. Er is maar één God en als je Hem hebt, bezit je alles.

Overvloedig

Andere goden en machten kunnen grote aantrekkingskracht op mensen hebben. Maar uiteindelijk brengen ze geen geluk. Eerder het omgekeerde, zoals de bidder uitspreekt in de woorden waarmee hij afscheid van ze neemt: ‘Wie u volgt, wacht veel verdriet’ (vers 4).

Neem dan JHWH: Hij is de bron die vreugde geeft. Bij deze God voelt de bidder zich veilig. Zijn hele mens zijn – de bidder noemt hart, ziel, en lichaam – is erbij betrokken. En de vreugde is niet maar voor een moment: het gaat om overvloedige vreugde die blijft, zelfs over de grens van leven en dood heen (vers 11). Deze bidder kan zijn geluk niet op.

Om over na te denken
‘Als je God hebt, dan heb je alles.’ Op welke momenten kun je dat beter beseffen: als de zon schijnt, of juist als het stormt? Als je zegt: als de zon schijnt – wat heb je dan in handen op de dag dat het stormt? Als je zegt: als het stormt – kun je dan nog wel onbezorgd genieten op de dag dat de zon schijnt?

Delen.

Over de auteur

Wolter Rose is universitair hoofddocent Semitische talen, geschiedenis en cultuur van het Oude Nabije Oosten aan de TU Kampen.

Laat een reactie achter