Ik ben die Ik ben
1990-11-09
"Daarop zeide Mozes tot God: Maar wanneer ik tot de Israelieten kom en hun zeg: De God uwer vaderen heeft mij tot u gezonden, en zij mij vragen: hoe is zijn naam - wat moet ik hun dan antwoorden? Toen zeide God tot Mozes: Ik ben die Ik ben. En Hij zeide: Aldus zult gij tot de Israelieten zeggen: Ik ben heeft mij tot u gezonden." - Exodus 3,13-14.- Jaargang 34
- nummer 23
'Ik ben die Ik ben'. "Wat ik geschreven heb dat heb ik geschreven", zei Pilatus toen de Joodse overheid zich kwam beklagen over het opschrift dat de stadhouder boven het kruis van Jezus had laten plaatsen. 'Jezus van Nazareth, de koning der Joden'.
Dat vonden de Joden een belediging en zo was het inderdaad door Pilatus bedoeld. De Romeinse stadhouder wilde met dat opschrift het Sanhedrin een hak zetten en daarom was er geen denken aan dat hij de klagers hun zin zou geven. Hij poeierde hen af. "Wat ik geschreven heb dat heb ik geschreven", zei hij en dat betekende dat zijn beslissing vast stond, dat het opschrift definitief was. Wat hij zo zei was een machtswoord waarmee hij zich voor tegenspraak en zelfs voor inspraak afsloot.
"Zaken zijn zaken", zegt de koopman.
Nee, niet iedere koopman zegt dat maar er zijn er die het doen. En wanneer gebeurt dat? Nu, als zo'n koopman aangesproken wordt op zijn manier van zaken doen die zo afwijkt van zijn normale gedrag.
"Zeg, je bent anders zo'n joviale vent. Vanwaar nu opeens die harde opstelling?" - "Ja, zaken zijn zaken."
En met dat woord sluit hij zich in zijn manier van zaken doen op en voor kritiek daarop af.
Het zijn twee niet zo sympathieke voorbeelden waarmee ik nu kom en toch hoor ik iets daarvan in de NAAM waarmee God zich aan Mozes openbaart. 'Ik ben die Ik ben'.
Taalkundig al. Die herhaling, nietwaar?
In iedere zin, hoe klein ook, zit een beweging. Het gaat van A naar B en A wordt nader verklaard door B. Maar in zo'n zin als 'zaken zijn zaken' of 'Ik ben die Ik ben' zit, ja, ook wel een beweging, maar het gaat van A terug naar A. De woorden beschrijven een gesloten cirkel.
En wie zo spreekt geeft zichzelf met zijn woorden iets ongenaakbaars.
Bij de Here God spreken we dan van heiligheid. Zoals Mozes bij de gelegenheid dat God zich met de NAAM aan hem openbaarde te horen kreeg: "Doe de schoenen van uw voeten want de plaa,ts waarop gij staat is heilige grond" (Exodus 3 : 5,6). De naam 'Ik ben die Ik ben' is daarom de heilige NAAM, de verheven majesteit van God straalt ervan af.
Tegenwoordig zijn er vele beschrijvingen van die geheimenisvolle woorden 'Ik ben die Ik ben' in omloop.
Al die omschrijvingen hebben één ding gemeen en dat is de begeerte om ons die NAAM dichterbij te brengen en vertrouwd te maken.
"Ik ben degene die er altijd is", zo geeft de Groot Nieuws Bijbel het weer. De bedoeling is: Ik sta altijd tot je beschikking. En als het volgende vers in Exodus 3 nader verklaart: "Zeg maar: 'Ik ben' heeft mij tot u gezonden", dan geeft diezelfde vertaling ook dat weer met: 'Ik ben er' heeft mij gest4,urd. De heilige verbondsnaam wordt hier dus opgevat als belofte, als toezegging.
Ik geloof niet dat dat juist is. Even eerder in dat prachtige verhaal van Exodus 3 lezen we: "Maar Mozes zeide: wie ben ik dat ik naar Farao zou gaan en de lsraetieten uit Egypte zou leiden?" Een begrijpelijke tegenwerping wanneer je Mozes' moeilijke roeping overweegt.
Maar geruststellend zegt dan de Here God: "Ik ben immers met u!"
Kijk, daar is de toezegging, de belofte van het erbij zijn van de Here.
Daarop komt Mozes met zijn nieuwe bedenking: "Maar wanneer ik tot de Israelieten kom en hun zeg: de God uwer vaderen heeft mij tot u gezonden, en zij mij vragen: hoe is zijn naam - wat moet ik hun dan antwoorden?"
Wanneer nu de Here daarop zou terugzeggen: 'Ik ben degene die er altijd is', dat wil zeggen: Ik ben de aanwezige, Ik ben de beschikbare, - dan zou dat ten opzichte van de eerste gespreksronde van Gods kant slecnts een herhaling zijn, geen echt antwoord op Mozes' vraag. Ik ben daarom van mening dat de Godsnaam 'Ik ben die Ik ben' niet in de sfeer van de belofte ligt.
Meer daarachter, daarboven. Want als de Here toezegt: "Ik ben immers met u!" dan is inderdaad de volgende vraag: wie is nu eigenlijk de 'Ik' die daar spreekt? Mozes informeert naar Gods identiteit. En dat niet tevergeefs.
Want daarop krijgt hij ten antwoord: 'Ik ben die Ik ben'. 'Ik ben', zo mag je dat blijkens het vervolg weergeven, 'Hij is', met grote nadruk op dat 'is'. Als het over een mens ging dan mocht je omschrijven: 'hij is er eentje', zoals wij dat zeggen van een persoon die door een geweldige eigenheid gekenmerkt is. Bij God heet die eigenheid zijn ijverzucht, zijn goddelijke geldingsdrang. Er brandt in God een laaiend vuur. De brandende braamstruik waar Mozes naar ging kijken getuigt daarvan. 'Ik BEN', - het zou in onze bijbel met drie hoofdletters geschreven moeten staan. Na 'Ik ben' verwacht je dat er iets volgt: Ik ben zus, Ik ben zo. God evenwel zegt: Ik ben ... nou ja, die Ik ben. Het 'Ik' van God is zo in zichzelf bepaald, zo van zichzelf vervuld, dat iedere nadere bepaling en elke verdere invulling daar schade aan zou doen. In het bekend geven van de NAAM zit een geweldige openbaring, maar in het bekend geven van deze NAAM zit tegelijk een stuk verberging. Als je je naam aan iemand geeft dan betekent dat dat die ander een zekere macht over je krijgt. Daarom zeggen sommige mensen als ze de telefoon opnemen hun naam niet maar roepen enkel 'ja-a' of iets dergelijks. Ze zijn bang dat zij met hun naam zichzelf uit handen geven. God geeft zijn naam aan de mensen maar Hij doet het zo dat de mensen God niet in hun macht krijgen. De NAAM is tegelijk openbaring en verberging. Openbaring voor degenen die die naam met vreze en eerbied gebruiken, maar verberging voor hen die er misbruik van maken.
En het is nu deze tegelijk geopenbaarde en verborgen God die tegen Mozes en tegen ons zegt: "Ik ben immers met u!" Dat wil nu zeggen: in mijn majesteitelijke verhevenheid ben Ik met U. Van ons vergt dat vertrouwen.
Wij schrijven God zo vaak voor hoe Hij met ons moet zijn. Hij moet dit doen of Hij moet zo zijn.
Maar God zegt met zijn heilige NAAM: Wacht dat nu eens af! Vertrouw Mij toch! Ik vervul die belofte op mijn wijze, op mijn heilige manier.
Immanuel ('God-met-ons'), daar geef Ik mijn heel eigen invulling aan. Wij weten: in Jezus, in zijn kruis en opstanding. Maar veel mensen willen niet dat God zo met hen is. Wanneer het hun tegenzit en ze worden niet onmiddellijk op hun wenken bediend, dan worden ze boos en zeggen: Ik dacht dat U degene was die er altijd zou zijn, maar daar merk ik niets van. Nee, maar ze zijn ook begonnen God op hun eigen maat te snijden. Niet met God maar met hun godsbeeld zijn zij vastgelopen.
We zullen altijd weer moeten beginnen met de Here God zelf te laten zeggen wie Hij is. En Hij zegt: Ik ben die Ik ben. Hij hanteert daarbij een spreekwijze die afstand schept.
Dat horen wij niet graag wanneer het God betreft. Maar geloof me, God heeft juist die afstand nodig om op zijn wijze, op zijn Jezus-manier, de nabije, de beschikbare te zijn, degene die met ons is alle dagen tot de voleinding der wereld.