Terloops
1990-11-09
M'n tante van 96- Jaargang 34
- nummer 23
Over mijn tante van 96 jaar zou ik een heel lang verhaal kunnen schrijven.
Ik zal proberen het kort te houden.
Als U dit leest, is het al weer een paar weken geleden, dat ze 96 jaar werd. Tot verbazing van haar familie, haar vrienden en niet het minst van haarzelf. Want niemand heeft ooit gedacht; dat ze zo oud zou worden. Vroeger zeiden we altijd 'tante Maai', maar later is dat 'tante Maaike' geworden. Dat klinkt wat leuker. Bovendien past 'Maaike' beter bij haar, want ze is maar een schriel ding, zoals ze bij ons zeggen.
Ze is nooit groot geweest en de laatste jaren is ze al een flink stuk gekrompen.
Toen tante Maaike 20 jaar was, leed ze aan t.b.c. Dat was toen een erge ziekte en het was bovendien besmettelijk.
En dus lag ze dag en nacht in een soort tentje achter het huis in Nieuwaal (voor degenen, die niet zo goed op de hoogte zijn met de aardrijkskundige toestanden in de Bommeierwaard: Nieuwaal ligt vlak bij Gameren en Gameren ligt vlak bij Zaltbommel). De mensen, die haar daar zo zagen liggen, voorspelden, dat ze niet oud zou worden. En de buurvrouw, die er ook kijk op dacht te hebben, zei tegen m'n grootmoeder: 'Da meske wor nie oud.' Da zee ze, maar ze hê gin gelijk gekrege.
Het verliep allemaal anders. Het was wel steeds tobben, maar ze krabbelde er steeds weer boven op. Ze was een paar keer in een rusthuis, ze werkte dan hier en dan daar (geen zwaar werk want dat kon ze niet). Ze bleef sukkelen, maar werd wel elk jaar een jaar ouder. Ze had medicijnen voor dit en medicijnen voor dat, ze had dieet zus en dieet zo, maar zo klein als ze was en zo licht als ze woog, ze haalde de 65 jaar en kwam wat jaren daarna in een bejaardenhuis. En daar had ze haar bezigheden: bloemen water geven, haken en breien voor de bazar, mensen bezoeken. En dat alles niet voor de vorm, maar met een gelovig en dankbaar hart. Met haar 85ste jaar kwam ze nog elke zondag in de kerk en er ging geen avondsluiting voorbij, of ze was er geweest.
De laatste jaren wordt ze minder.
Eerst werden de ogen slecht en kon ze nog slechts met één oog zien en nu gaat ook dat éne oog achteruit.
Lezen is er dus niet meer bij. Haken en breien haalt ook weinig meer uit; alleen af en toe een vaatdoekje ('dat gaat zonder te kijken', zegt ze).
De oren laten het ook af weten, zodat een gesprek ook al moeilijk wordt. In haar rug zit iets, dat niet goed is. Ze groeit wat scheef en heeft veel pijn. En toen ze vorig jaar nog viel ook, werd het bijna te veel.
Ze was opstandig en vond, dat God haar maar eens 'halen' moest. Ze vertelde het met enige schaamte, met een glimlach om haar mond.
Toen ik zei, dat God het allemaal wel niet zo erg zou vinden, kreeg ik prompt een vermaan. Opstandigheid is verkeerd, we moeten de dingen nemen, zoals God ze geeft. Ze verlangt wel naar het einde, maar wil God niet de wet voorschrijven. En we mogen Hem vooral niet tegenspreken.
Er zijn mensen, ook oudere mensen, die heel veel klagen.
M'n tante is een mens met een lofzang in de mond. En ze verbaast er zich over, dat God het 96 jaar lang met haar heeft uitgehouden. Hij is haar steeds een toevlucht geweest!
Ze is blij met de vele bezoeken die ze krijgt en de kaarten die ze van tijd tot tijd ontvangt. 'Ze hebben blijkbaar nog geen hekel aan me...' Wat ze fijn vindt, is dat haar geheugen nog aardig goed is. Ze vergeet wel eens wat, maar dat is geen probleem.
Er wordt wel eens gezegd: 'Oud worden is geen kunst, maar oud zijn ...' Oud zijn ...
M'n tante is oud met God. Dat is een gave. Maar een gave moet je oppakken.
Dat heeft ze gedaan. En daarin is ze in haar ouderdom een lichtend licht, terwijl het, omdat ze slecht zien kan, steeds donkerder om haar wordt.
Waarom ik dit neerschrijf? Omdat anderen er misschien wat aan hebben.
Als ik dit verhaal aan m'n tante laat lezen, zal ze zeggen, dat het veel te mooi is. Ze is immers een zondig mens en moet het van genade hebben.
Maar die genade is haar dan ook genoeg.