Diskussie over het ene talent (3)

1990-11-23
  • Jaargang 34
  • nummer 24
'Zullen' of 'kunnen'
Een stevige reaktie op mijn artikelen-reeks hebben we allen kunnen lezen in het 'ingezonden' van prof.dr. A.Th. van Deursen uit Amstelveen. Hem was opgevallen dat ik in mijn schrijven zo afstandelijk was ten opzichte van ons kerkelijke verleden zoals dat onder ons werkzaam is in de dordtse kerkorde en de konfessionele geschriften. Van de kerkorde had ik geschreven dat ze duidelijk stamt uit een tijd dat de maatschappij nog een heerschappij was. Van Deursen stelt daartegenover: 'ik geloof niet dat we de oude kerkenordening recht doen wanneer we haar bestempelen als een product van heerschappelijk denken'.
Mee eens!, maar dat zit in mijn uitspraak ook niet opgesloten. Je kunt onder de indruk zijn van de zelfstandigheid van de kerkorde tegenover het gangbare denken van de tijd waarin ze is ontstaan (en ons dat aanschouwelijk voor te stellen is de historikus Van Deursen zeer wel toevertrouwd) en toch van ons standpunt uit gezien getroffen worden door de heerschappelijke trekjes die ze desondanks toch nog heeft. Dat kan samengaan. Ik probeer er vanuit onze tijd tegenaan te kijken en bots dan een beetje op tegen het sterk voorschrijvend karakter van het dordtse produkt. Dat komt misschien wel doordat ik gewend geraakt ben aan ons Akkoord van kerkelijk samenleven.
Dat is op dat punt juist zo anders. Het loont beslist de moeite die twee dokumenten naast elkaar te leggen. Een kenmerkend verschil springt dan onmiddellijk in het oog.
In een menigte van gevallen waarin Dordt het werkwoord 'zullen' gebruikt vervangt het Akkoord dat door 'kunnen' (of woorden van gelijke strekking, zoals 'zo mogelijk', 'in de regel', 'in het algemeen' of 'eventueel').
Toen ik dat voor het eerst ontdekte mishaagde mij dat zeer; ik vond het maar slap en vrijblijvend gepraat. Totdat ik ontdekte dat in werkelijk principiële gevallen deze versoepeling toch beslist niet doorgetrokken was. Ik ging er toen wat milder gestemd tegenaan kijken en begon het te waarderen dat de broeders opstellers zich moeite hebben gegeven om in de regelgeving enerzijds de wijsheid van de vaders vast te houden en anderzijds de mondigheid van de gemeente te eerbiedigen.
Ik begon toen het Akkoord lief te krijgen als een zeer kenmerkend gerecht uit de nederlands gereformeerde keuken: het zet zich niet af tegen de vaders maar het gaat ook niet klakkeloos achter ze aan. En waarom dat laatste? Die gedeeltelijk eigen weg ten opzichte van het verleden?
Is dat om hoe dan ook onze zelfstandigheid tegenover de vaders te bewijzen? Nee, zulke pubers zijn we nu ook weer niet. Iets anders. We hebben gemerkt dat dat al te bevelerige zo z'n bezwaren heeft en voor ongelukken zorgt. Men had in vroeger tijd het woord 'bevelen' nogal voor in de mond. Dat is aan onze kerkelijke geschriften goed te merken.
Ook het avondmaal, zeiden onze vaders, ging terug op het bevel van Christus (zie bijvoorbeeld antwoord 75 van de Heidelbergse Katechismus).
Wie zal het ontkennen?
Maar dat woord bevelen is in de traditie te nadrukkelijk blijven hangen en te gretig overgenomen, het kwam telkens en telkens terug. En het is waar, men kon zich daarvoor beroepen op de grammatikale bevelsvorm in de instellingswoorden: doet dit tot mijn gedachtenis. Maar dat argument lijkt sterker dan het is.
Ook de gemeente bidt in die bevelsvorm: kom, Here Jezus!, maar het gaat echt te ver daar van een kommando te spreken. Dat bevelende heeft pastorale schade aangericht en heeft aan het gemeentelijke leven iets militairs gegeven. Dat de Here ons nodigt aan zijn tafel ging zo een beetje verloren. Ja, een verstandig pastoraat heeft dat stramme beveIsdenken wel gekorrigeerd en gelukkig getoond meer noten op zijn zang te hebben dan die koekoek-eenmelodie, maar de kleinmoedigen voelden onder het regiem des bevels hun twijfels alleen maar groeien en weken uit naar kerken met een vriendelijker sfeer. Dus niet alleen in het kerkordelijke maar over de hele linie is er in de gereformeerde traditie te heerschappelijk gedacht. Zonder erg eigenlijk, maar dat komt ervan als je te klakkeloos aan geschriften uit een voorbije tijd blijft hangen. En ongemerkt wordt daardoor voedsel verschaft aan een wettische mentaliteit waar kleingeestigheid zich gemakkelijk op beroepen kan. Kleingeestigheid is voor geen enkel gat te vangen, dat weet ik ook wel, maar er kan wel degelijk een sfeer gekreëerd worden die er gunstig voor is.

Kleine geesten
Hier moet ik iets naders zeggen over een opmerking van mij die bij sommigen niet goed gevallen is en als hautain is overgekomen. Ik had gezegd dat een al te strakke juridische binding (zoals je die bijvoorbeeld tegenkomt in het oude ondertekeningsformulier: 'alle stukken van de leer in alles konform Gods Woord') gevaarlijk is omdat juist de kleinste geesten daar misbruik van maken om goede evangeliedienaars die wel eens over die schreef menen te moeten gaan in diskrediet te brengen.
Van Deursen zegt hierop dat hij niet graag zijn broeders en zusters in kleine en grote geesten zou indelen.
n al weer ben ik dat met hem eens en wel om de eenvoudige reden dat wij geen grote geesten in huis hebben. We komen niet verder dan een indeling in kleine en nog kleinere geesten. Maar dat nu verder daargelaten. Wat ik bedoeld heb kan ik misschien het best met een herinnering duidelijk maken.
Destijds ben ik in Wageningen als vrijgemaakt predikant door een student ten val gebracht. Door een aankomend student aan de Landbouw Hogeschool (nu Universiteit) van die plaats. Hij was het die door brieven en gesprekken de kerke raad voortdurend aanporde maatregelen tegen mij te nemen. Ik zou mij volgens hem niet aan de belijdenis houden.
Nu, het is waar, ik sprak inderdaad wel iets anders over de konfessie dan hij. Niet in essentie natuurlijk, maar en detail. Ik zal daar verderop wel een voorbeeld (uit later tijd, trouwens) van geven. Ook in de prediking, de Katechismus-preek bijvoorbeeld, kwam dat wel voor. Ik deed dat met de zuivere intentie om de schapen die aan mijn zorgen waren toevertrouwd tot mondigheid in Christus op te voeden. Ik ging er in mijn argeloosheid vanuit dat het de bedoeling van de belijdenis nooit kon zijn ons tot gedachteloze herkauwers van de verleden tijd te maken.
Natuurlijk sloeg ik de plank daarbij ook wel eens mis, maar als iemand mij daarvan wist te overtuigen of wanneer ik zelf spontaan tot dat inzicht kwam dan erkende ik dat ook wel. Zei iemand dan: 'nu zie je toch maar eens hoe belangrijk het is dat we ons stipt ... enz.', dan deed ik dat af met 'waar gehakt wordt vallen spaanders', waarmee ik bedoelde dat ik niet van plan was de beperkte vrijheid die ik mezelf toestond op te geven. Ik achtte die onmisbaar voor het werk. Maar onze student vond het maar niks. Hij is tenslotte in zijn opzet geslaagd. De kerkeraad liet zich door deze jongeman opjutten, schorste mij en zette mij af. Ik wil hiermee niet suggereren dat onze kerkeraad in Wageningen uit willoze figuren bestond, integendeel, het waren uiterst bekwame mensen, maar onze zeer jeugdige broeder had de macht van de konsekwentie over hen. Hij zwaaide met een papier (het ondertekeningsformulier) waarin ondanks de goede geest toch teveel letters stonden waarop een wettische bekrompenheid (aan kinderen zo eigen) zich onweerlegbaar beroepen kon. Later ben ik deze student nog eens tegengekomen, afgestudeerd en wel, vader van een gezin, inmiddels zelf een niet onverdienstelijk publicist.
Dat was op een vrijgemaakte studentenkonferentie.
Weet u wat hij zei? 'Ik mis uw preken zo'. Een stuntelig gebaar om iets goed te maken, zegt u. Zeker, en daarin is hij ook wel geslaagd. Wij kunnen elkaar sinds dat korte gesprekje toen weer normaal ontmoeten. Maar tegelijk moet ik zeggen dat zijn opmerking op pijnlijke wijze de tragiek van de vrijgemaakten bloot legde. Denk eens in: een kerk waarvan de leden eigenlijk stuk voor stuk een buitengewoon grote mate van mondigheid vertonen, maar die in plaats van deze mondigheid te stimuleren het zelfstandig nadenken stremt door een te strakke en ook wel reaktionaire binding aan de belijdenisbevoordeelt die niet de kleingeesterij?
Op praktisch elk gebied weten de vrijgemaakten van wanten, alleen op kerkelijk gebied fietsen ze met een vastgebonden stuur en zitten ze in verveling uit te kijken naar ieder nieuw geluid dat hen alleen maar van buitenaf bereiken kan. Zullen zich daar op de duur niet alleen diegenen thuisvoelen wier geest (nog) te klein is om tussen hoofd- en bijzaken te onderscheiden?

Soepele binding
Alles goed en wel, zal iemand zeggen, maar ik zou nu toch wel eens willen weten hoever die beperkte vrijheid die u zichzelf toestaat zich dan uitstrekt. U hebt het wel steeds over een soepele binding aan de belijdenis maar wat voor een vaagheid is dat eigenlijk? Heeft de geschiedenis niet voldoende bewezen waar dat op de duur heengaat? Ook professor Van Deursen voert aan dat de weg die ik wil inslaan niet nieuw is. Ik moet hem dat toestemmen, maar van wat hij er tegenin brengt kun je hetzelfde zeggen. Dat beslist dus niet, oud of nieuw kan pet kriterium niet zijn. Maar toch blijft de vraag: wat betekent een soepele binding aan de belijdenis? Wel, laat ik er eens een voorbeeld van geven aan de hand van een wat langere aanhaling uit een katechismus-preek van mezelf. Het gaat over het derde gebod zoals dat in Zondag 36 wordt uitgelegd, nader bij vraag en antwoord 100. "He, gemeente, hebt u dat gezien, dat ons leerboek van de godslastering wel aangeeft dat God die 'met de dood te straffen bevolen heeft', maar er niet bijzegt door wie die doodstraf zou moeten worden uitgevoerd? Dat met andere woorden de Katechismus het niet aangedurfd heeft te stellen - zoals hij dat bij het zesde gebod wel doet - dat het de overheid is die het zwaard draagt om de godslastering te weren?
De Heidelbergse vaderen hebben dus in het midden willen laten of het ketter-doden zoals de overheden van die tijd dat ondernamen (denk aan de zaak Servet in Geneve!) in overeenstemming met Gods wil was of niet. Wij geven nu op z'n minst als kommentaar: een begrijpelijke aarzeling, om maar niet te zeggen dat wij dat ketter-doden helemaal verfoeien, maar in die tijd was er moed voor nodig om een dergelijke toch niet onbelangrijke zaak onbeslist te laten. Maar, gemeente, op het moment dat we deze onzekerheid van onze belijdenis in de uitleg van het gebod ontdekken, is het leerboek der kerk op dit punt op slag niet langer een gezagsinstantie maar een gesprekspartner geworden. Je ziet dan immers dat de opstellers van dit geschrift ook problemen hadden waar ze niet uitkwamen. Net zoals dat met ons wel het geval is.
Ze hadden dat dan ook maar eerlijk moeten toegeven, vindt u ook niet?
Het misstaat een belijdenis helemaal niet dat ze ook haar verlegenheden belijdt. Maar nu heeft de Katechismus die verlegenheid verheimelijkt.
Onzekerheid openlijk ten toon spreiden is zwak, hebben ze natuurlijk gedacht, dat zou het gezag van de belijdenis aantasten. Je ziet dat vaker. Ook bij de uitleg van het artikei over de nederdaling ter helle van onze Heiland geeft de Katechismus een verklaring die bijbels gesproken helemaal niet gek is maar historisch niet kan. De oude kerk heeft blijkens de plaats in het Credo waar dit wordt beleden gedacht aan een gebeurtenis tussen het sterven en de opstanding van onze Here, maar de Katechismus is niet ten onrechte bang geweest dat er met zo'n hellevaart van Christus een stukje mythologie ons christelijk geloof zou binnenstromen.
Echter, hij had zich over zijn ingreep wel eens mogen verantwoorden.
Ons moderne denken betitelt dit terecht als betuttel ing en bevoogding en eist op punten als deze meer openheid.
Om nu naar de godslastering terug te keren willen we nog even een andere mogelijkheid overwegen.
Zou de Katechismus niet gewoon bedoeld hebben te zeggen dat God haar onder het oude verbond 'met de dood te straffen bevolen heeft'?
De aangehaalde tekst onderaan uit het boek Levitikus steunt die gedachte.
Fervente verdedigers van de onfeilbaarheid van de konfessie zullen met vreugde op dit gat in de heg afspringen om aan onze eerdere konklusies te ontkomen, maar helaas!, die vaders van ons die hun nederlands uitstekend kenden zouden wanneer ze dat bedoeld hadden stellig het woordje 'voormaals' hebben toegevoegd: '... waarom Hij die voormaals met de dood te straffen bevolen heeft', - zoals ze dat ook doen in het doopsformulier als ze het over de achterhaalde besnijdenis hebben. En hoewel ons leerboek dat dus niet zegt zou ik nu toch maar willen doen alsof dat woordje 'voormaals' erbij stond en u dit dan als boodschap willen meegeven: Uit de zware straffen die in het Oude Testament op de godslastering stonden blijkt zonneklaar om wat voor een verschrikkelijk kwaad het hier gaat.
Denk eens in: de heilige en lieve naam van de Here God lasteren, daar opzettelijk kwaad van spreken - daar mag je toch niet van verwachten dat God dat over z'n kant laat gaan? Gods naam is er om die te belijden, niet om die te belasteren!"
Nu, tot zover het citaat en ik geef het als voorbeeld van wat ik me bij een soepele hantering van de belijdenis voorstel. Ik vind niet alleen dat dit mag maar dat je als bedienaar van het Woord de plicht hebt de gemeente op een vergelijkbare wijze te leren de belijdenis van de kerk met kritische ogen te lezen. Anders zal een zogenaamd gravamen (dat is een belijdenis-verbetering) bij belangrijker zaken dan deze (en die zijn er ook! Denk maar aan de leer van de verkiezing en verwerping in de Dordtse Leerregels waarover ik binnenkort iets hoop te gaan schrijven) nooit lukken. Of je moest al het bijna goddelijke gezag van een Abraham Kuyper hebben ... Hem is het als enige in al die vier eeuwen gelukt iets van de belijdenis af te doen. Is dat niet zeer vreemd bij een menselijk geschrift dat z'n eigen onvolkomenheid zelf toegeeft?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief