Ex Libris
1990-11-23
Over spelonkiemensen en andere vromen- Jaargang 34
- nummer 24
"Na deze bevinding was de Hemel krachtdadig bij hem doorgedrongen om hem te laten zien hoe de duivel onder de toelating de hand heeft in alle prediking, vooral bij die zogenaamde Gereformeerden, die bang waren de zielen pijn te doen, zodat zij maar klaar stonden, als echte okselnaaiers, om ze zo zacht mogelijk uit de ellendeput op te trekken."
Verstaat gij wat gij daar leest? Probeer dan ook het volgende maar eens:
"Och, wat komt de Hemel tegen al die tafels vol uitspouwsel van het vrome vlees te getuigen, zeggende: Raap uw kramerijen weg,Odochter Sions. Wel meid, als je het nog eens mag komen te gebeuren dat de Hemel dat eens personeel tot jou mag komen te zeggen, O, dan zal je komen te staan als ten dage dat je geboren werd, en O, dan zal je zieltje naakt uitgestroopt worden en aan het stotteren raken. En O, dan zal je beschaamd en schaamrood worden over je mooie versjes, want och, dan zal je je eigen te kennen krijgen als een hater van dat hoge Wezen, dat
toch zo komt uit te roepen in het dierbare getuigenis, dat eeuwig zeker is: Zou ik niet haten, die u haten ... "
Als u zich nu vol afkeer afwendt, kan ik dat begrijpen, maar daarvoor schrijf ik dit niet en ik hoop dat u verder wilt lezen. Wat u hierboven aantrof, waren eeri paar fragmenten uit een roman, Neveldijk, opnieuw uitgegeven naar de laatste druk van 1930. De schrijver was de predikant D. Hogenbirk.
Toen ik het boek uit had, dacht ik: "Wat moeten we dáár nou mee in 1990?" Als ik in 1930 had kunnen lezen, zou ik het tóen al ouderwets gevonden hebben. Misschien hadden mijn ouders er meer van begrepen, maar ik heb mijn twijfels. Wie in onze kring kan iets beginnen met die 'Tale Kanaäns'? En bij de jeugd tot en met vijftig zullen er zeker weinigen zijn die met dit soort geheimtaal uit de voeten kunnen. Misschien moeten we daarvoor zijn bij hen die meer dan wij vertrouwd zijn met het begrip 'toeëigening der genade'?
Dominee Hogenbirk heeft in dit boek een aantal mensen beschreven die eigenlijk allemaal als een bepaald type christen beschouwd kunnen worden. Het vreemde ratjetoe van de tale Kanaäns is in gebruik bij de 'spelonkiemensen'. Dat zijn degenen die de prediking in de kerk veel te licht vinden. In dergelijke kringen heet het dat de dominees "niet goed in de hoeken vegen". Dat wil zeggen dat er veel te gemakkelijk wordt gepreekt over genade en verlossing.
Er wordt te weinig gewaarschuwd: het is immers maar een enkeling die behouden wordt, velen gaan "met een ingebeelde hemel" voor eeuwig verloren. En als het een mens gegeven wordt (je kunt er zelf geen nageischrapseitje aan toedoen) dat je vanuit je ellende enig licht mag komen te zien, dan zul je daarvan gaan spréken. "Genade maakt de tong los." En dat spreken dient in die eigen geheimtaal te gebeuren, want dàt is pas een bewijs van echte ervaring, bevinding. Waar dat spréken ontbreekt, daar kan ook geen echte redding zijn. Nee, van de kerk moeten die mensen niet veel hebben. De meeste dominees zijn 'okselnaaiers'.
Ook al zo'n fraaie term. De herkomst vinden we in Jeremia 38:12. De profeet zal met touwen uit een put getrokken worden, maar eerst moet hij oude lappen onder zijn oksels doen om verwonding, door de touwen te voorkomen. Waarschijnlijk is er ook nog verband met Ezechiël 13:18 waar sprake is van vrouwen die "kussens naaien voor alle oksels der armen" (Oude Vertaling uiteraard).
Waar die naam 'spelonkiemensen' vandaan kwam? Ik citeer uit 'Neveldijk': "Dan liep het huis vol en dan vonden ze, de vrienden en vriendinnen van de schipper, dat het bij Klaas net de spelonk van Adullam was, waar tot David vergaderde alle man die benauwd was, en alle man die een schuldeiser had, en alle man wiens ziel bitterlijk bedroefd was, en hij tot een overste over hen werd. De vrienden en vereerders van de schipper werden uit dien hoofde op het dorp als de 'spelonkiemensen' aangeduid."
Nou, dat ging helemaal niet goed met die mensen. Bij sommigen was de vroomheid meer schijn dan werkelijkheid en anderen tobden maar door zonder dat er bij hen wat licht doorbrak. En dat de kerkdiensten hun weinig goed deden, was eigenlijk geen wonder. De dominee durfde niet "verder te preken dan hij geleid was". Het was natuurlijk onvermijdelijk dat hij wel eens van genade moest spreken, bij voorbeeld op christelijke feestdagen, maar dan was hij niet op dreef. Het was in zijn eigen ziel geen feest en dus ging hij er altijd weer toe over in krasse termen te verkondigen wat het wil zeggen als die genade wordt versmaad en tevens uitvoerig te vertellen hoe veel strijd het kost die genade te aanvaarden. Een hoorder, een boer, zei na afloop van een dienst: "Er was eens een koe die een emmer melk gaf, maar daarna die emmer met haar poot omstootte".
En zo was het. Maar de Neveldijkers vonden dat ze een beste dominee hadden die het de mensen goed kon 'aanzeggen'. En als de dominee weer eens voor een beroep had bedankt, sjouwden ze de pastorie vol cadeaus. Zelfs het spelonkievolk deed dan mee.
Gelukkig waren er ook andere vromen in Neveldijk, mensen die wél durfden te aanvaarden dat zij kinderen van God mochten zijn, zonder dat zij zich het hoofd braken over de vraag of zij wel zeker mochten zijn van hun uitverkiezing en of zij daarvoor wel voldoende ervaringen en kenmerken konden opsommen. Er kwam ook een àndere dominee. Hij durfde bij een graf van een blijmoedige vrome te zeggen: "Nu zingt zij met alle gezaligden het nieuwe lied voor de troon des Lams dat haar kocht met zijn bloed." De spelonkiemensen vonden dat maar lichtzinnige taal. Toch, in Neveldijk begon het lichter te worden, de zon der genade brak door.
Dominee Hogenbirk heeft met dit boek zijn bedoeling gehad. Hij wilde de ogen openen voor de valse mystiek, hij wilde er niet de spot mee drijven, maar hij hoopte met de medicijn van de humor de lijders te genezen. Zelf schrijft hij: "Het christelijk leven in ons goede land is vervreemd van de eenvoudigheid des geloofs. Het is ontstellend, zoals in veel boeken het Woord des Heeren van de plaats welke het hebben moet - de eerste en hoogste plaatsweggeschoven wordt door eigenzinnig-vrome, het vlees behagende beuzelpraat." En als laatste citeer ik van hem: "Het is gemakkelijker een vroom mens te schijnen, dan een vroom mens te zijn."
Of dit boek nu zo nodig herdrukt moest worden? Ik heb mijn twijfels.
Ik vrees dat in kringen die nog net zo denken als de spelonkiemensen, dit boek weinig effect zal hebben. Onder de lezers van Opbouw zijn zulke mensen niet te verwachten, lijkt me.
Toch, als historisch document kan het onze interesse wekken. Het heeft bij mij in elk geval het voornemen opgeroepen eens iets te schrijven over mystiek in het algemeen en over de tale Kanaäns in het bijzonder.
U hebt dus nog wat tegoed.