Oost-Europa (3)

1990-11-23
  • Jaargang 34
  • nummer 24
"Wie weigert God te verraden kan geen verrader zijn van zijn land en volk. Laten alle gelovigen bidden dat het volk tot God terugkeert, zoals de verloren zoon naar de vader terugging.
Wij zijn zo onbeduidend en hulpeloos te midden van deze woedende en satanische machten. Maar zelfs als we machteloos zijn, kunnen we er door onze houding toe bijdragen dat het kwaad bij ons volk vandaan blijft."
Kardinaal Beran brief in 1949/1950 "Ik kan me nauwelijks ... een ervaring herinneren die me meer heeft bemoedigd dan het geregelde contact met onze gemeenten in het hele land, in de jaren '50 en '60... In alle menselijke moeiten en soms frustraties kwam steeds de heerlijkheid van de christelijke gemeenschap en zending zonder enige twijfel naar boven. "


J.M. Lochman

De achtergrond
"In de loop van ruim 300 jaar hebben de begaafde Centraal-europese volkeren, die nu de bevolking van de staat Tsjechoslowakije vormen, niet meer dan twintig jaar echte onafhankelijkheid gekend." Die eerste zin uit het hoofdstuk over Tsjechoslowakije in Trevor Beesons boek geeft al iets aan van het eigen karakter van volk en kerk van Tsjechoslowakije.
Hetzelfde geldt voor de eerste zin van het hoofdstuk over dit land in het eveneens al genoemde boek van Dr. Hebly. "Wie op Starometske Namesti in het centrum van het oude Praag voor het monument van Jan Hus staat, realiseert zich met enige verwondering, dat door dit monument een overwegend r.k. land zijn eerste 'protestant' als nationale held eert."
Het land van de Tsjechen, waartoe Bohemië en Moravië behoren, is in het verleden diep beroerd door de Reformatie. En later is het door de Contra-Reformatie diepgaand geteisterd.
De Reformatie kwam op gang door 'eigen mensen', terwijl het Protestantisme te vuur en te zwaard werd bestreden door 'buitenlanders', de Duitstaligen. Evenzo werden de Slowaken, die in het Oostelijk deel van het land wonen, eeuwenlang gedomineerd door de Hongaren.

Hus, Zisjka en Comenius
Keizer Karel V, de vorst van het Heilige Roomse Rijk, maakte Praag tot zijn residentie en stichtte er in 1347de Karelsuniversiteit, de oudste universiteit van Centraal-Europa.
Een van de rectores van deze 'prestigieuze' universiteit was Jan Hus, die tevens de prediker was van de in 1390gestichte Betlehemkapel. Ook was hij biechtvader van de keizerin.
Hus, die een geleerde van formaat mag heten, kwam in de Middeleeuwse Christenheid met nieuwe opvattingen, in het voetspoor van de Engelsman John Wycliffe. Vooral op het punt van 'het priesterschap aller gelovigen' en de viering van het Avondmaal had hij afwijkende meningen.
Wat dat laatste betreft, hij vond dat het Avondmaal "onder beide gedaanten", dat van brood en wijn, door de leken moest worden genuttigd. Toen in 1415Hus lafhartig en verraderlijk werd gedood - in de stad Konstanz werd hij verbrand, ondanks een hem door de keizer geschonken vrijgeleide - was dat het sein tot een zeer langdurige Boheemse opstand tegen het Duitse opperbewind. Het teken van een van de Hussietengroepen was dat van de 'Avondmaalskelk': het teken dat de leken net als de priesters volledig aan het Avondmaal mochten deelnemen.
Deze 'Calixtijnen' (het Latijnse woord) werden tenslotte ingepalmd door de Pauselijke belofte dat men in Bohemen voortaan uit de kelk mocht drinken. (Stel je voor, in de rest van de Christenheid mochten leken dat niet! Hoe noem je dat: opportunisme, cynisme of puur en onbeschaamd bedrog?) Niet alle Hussieten stelden dat echter als eis. Een veel radikaler groep vestigde zich in het stadje Tabor, en heette dus de 'Taborieten'. Tabor ligt zo'n 90 km ten Zuiden van Praag, en is zeer bezienswaardig! Hoe dichter je bij het stadscentrum, met zijn grote kerk, komt, hoe nauwer de straten worden; als je bij de markt komt, zijn ze zó nauw dat één man ze kan afsluiten. De stad werd dus gebouwd met het oog op verdediging.
De leider van de Taborieten was een zekere Jan Zisjka, die maar één oog had, en die met recht een 'protestantse guerrillastrijder' mag heten. De strijd duurde lang.
Toen de Habsburgse keizers zich daadwerkelijk gingen inzetten voor de zaak van de Contra-Reformatie, werd het Protestantisme een zware slag toegebracht. Na de veldslag bij de Witte Berg, vlakbij Praag, in 1620, werd de Contra-Reformatie "met meedogenloze efficiëntie doorgevoerd.
De hele adel en vele Protestantse leiders werden ter dood gebracht, het belijden van de evangelische godsdienst werd tot misdaad verklaard, en de mensen konden kiezen tussen het land te verlaten of de macht van de Katholieke Kerk te aanvaarden ... De periode van 1620 tot het Tolerantie-Edict (1781) staat vaak bekend als 'het tijdperk der duisternis' en wordt in Bohemen nog steeds als een nationale ramp beschouwd."
In die situatie was er voor de Tsjechische Protestanten geen kans om op vorsten hun vertrouwen te stellen. Daarom ging men speciaal op het voorbeeld letten van hoogleraren, zoals Jan Amos Comenius (1592-1670)die tenslotte naar ons land uitweek. Zijn graf en museum, in Naarden, zijn verplichte pelgrimsoorden voor Tsjechische toeristen, zoals Alexander Dubcek nog zeer onlangs aantoonde.
In het specifiek Tsjechische Protestantisme ontwikkelden zich, zo stelt Beeson, elementen die tot in onze eeuw hun sporen zouden nalaten.
Een daarvan is het accent op persoonlijke navolging, die soms in de buurt komt van 'Christelijk Communisme'.
Een tweede is het aanvaarden, dat lijden tot het Christelijk leven behoort. De Boheemse broeders behoorden vaak tot de 'verworpenen der aarde'. Ten derde was er een sterk 'oecumenisch besef', een sterk bewustzijn dat men verbonden was met allerhande Hervormers in heel Europa, en met de Orthodoxe gelovigen in Oost-Europa. En tenslotte, was er een sterke 'vredestraditie' , het besef dat men, ondanks alle conflicten, de 'Vredevorst' volgen moest. (a.w. 191, 192) Juist door de felle vervolging van Protestanten heeft een aantal van hun leiders zich tot helden van nationale allure weten te ontwikkelen.
Toen het land in 1918zelfstandig werd, kreeg het een Protestant, Thomas Masaryk, als eerste president.
Deze Masaryk leeft nog voort in de herinnering van velen, als een onkreukbaar 'Vader des Vaderlands'.

1948 tot 1968 Alle kerken
In 1948 werd door de Communistische Partij, die bij verkiezingen 40% van de stemmen had gekregen, feitelijk een staatsgreep gepleegd.
Het feitelijke verloop van die gebeurtenissen is zeer de moeite van bestuderen waard, maar het ontbreekt hier aan de nodige ruimte om dat uitvoerig te doen. Moge volstaan worden met de opmerking dat, achteraf gezien, de andere partijen zich merkwaardig passief naar de slachtbank hebben laten leiden.
De macht van de staat over de kerken was van meet af aan groot. "Een belangrijk handvat van de staat om de kerken te beheersen was de bepaling dat de staat het salaris (op basis van de minimum-arbeiderssalarissen van 1949) van alle predikanten en priesters betaalde en dat dezen een arbeidsvergunning van de staat moesten hebben. De staat financierde ook de theologische faculteiten, die los kwamen te staan van de staatsuniversiteiten, en nam de onkosten voor restauratie en onderhoud van kerkgebouwen, die op de monumentenlijst stonden, voor zijn rekening. Bepaald werd verder, dat de Commissie van godsdienstzaken uitgaven van de gemeenten en parochies moest goedkeuren, hoewel het geld door de kerkleden zelf bijeengebracht werd ... De kerken mochten niet naar buiten treden, bv. door sociaalcharitatieve arbeid ... Alle monniksorden werden opgeheven en de leden verplicht een wereldlijk beroep uit te oefenen. Kerkelijke jeugdverenigingen werden verboden, alleen de protestantse kerken hadden nog bepaalde vormen van jeugdwerk, zoals zondagsscholen, katechisaties en bijbelkringen. Voorafgaande censuur van alle kerkelijke publicaties werden verplicht gesteld."
(Hebly, a.w. 112, 113)

De RK Kerk
Vooral de R.K. Kerk had het daarbij zwaar te verduren. Processen, deportaties, huisarrest, het intrekken van arbeidsvergunningen en het vervroegd pensionneren van priesters bleken probate middelen om kunstmatig een groot priestertekort te creëren.
AI meteen in 1948,toen de geruststellende woorden van de overheid nog nauwelijks waren verstorven, werden al twee maatregelen ingevoerd, die voor de Kerk van Rome, destijds negen miljoen zielen sterk, zeer ondermijnend waren. In de eerste plaats was er een Landbouw Hervormings Wet, die nagenoeg het hele kerkelijke landbezit, van 320.000 ha, onteigende. Daarmee waren in één klap praktisch alle bronnen van inkomsten voor de RK Kerk weggevaagd. Een nieuwe Onderwijswet maakte eigen katholieke scholen een feitelijke onmogelijkheid.
Het jaar erop werden staatscommissarissen aangesteld, die het bewind in ieder diocees overnamen.
Er moest toestemming gevraagd worden voor elke bijeenkomst, die men wilde beleggen en herderlijke schrijvens werden gecensureerd.
Een afgesplitste Roomskatholieke groepering werd met overheidssteun in het zadel geholpen; collaborerende priesters kregen invloedrijke posten, waaronder een ministerszetel, en een eigen blad. De RK Kerk, geleid door aartsbisschop Beran, vocht echter moedig terug, vaak zonder veel succes.

De Protestanten
"In de protestantse kerken stonden velen vanuit hun hussitische traditie aanvankelijk in principe positief tegenover het kommunisme als sociaal-ekonomisch systeem", meldt Hebly. Hij vervolgt dan: "Helaas werd hun goede wil om met de kommunisten samen te werken vanaf het begin zwaar op de proef gesteld, niet alleen door de vijandige houding van de regering, maar ook doordat het atheïsme als de enige geldige wereldbeschouwing wordt gepropageerd.' , De voorvechter van een positieve houding t.o.v. het regime is de Praagse protestantse hoogleraar Josef Hromádka. Hij streefde ernaar om een echte dialoog tussen Communisten en Christenen tot stand te brengen. Naar zijn mening moesten Christenen begrijpen hoezeer atheïsten wantrouwen konden voelen, na zovele eeuwen dat de kerk zich aan de machthebbers had verbonden.
Eveneens meende hij dat de Communisten als hoofddoel niet hadden om het atheïsme te verbreiden, maar om rechtvaardige strukturen te bevorderen. De opvattingen van Hromádka, en zijn rol tijdens de zgn. 'Praagse Vredescongressen', hebben hem destijds in kringen van de Wereldraad tot een belangrijke figuur gemaakt. Hij heeft ook een rol gespeeld in de 'Praagse Lente' van 1968, het kortstondige experiment van Dubcek c.s. om te komen tot een 'Socialisme met een menselijk gezicht'.
Na herstel van het stalinistische klimaat in het land was ook Hromádka's rol grotendeels uitgespeeld.

1968-1989
Opnieuw brak er een periode van wezenlijke onderdrukking aan, met een regering die voor een groot deel bestond uit de 'landverraders' van 1968.De Protestanten waren, ondanks druk van het regime, soms aktief; ze waren soms o.a. verbonden in de politiek-linkse groepering 'Nieuwe Oriëntatie', die wilde blijven strijden voor een 'Socialisme met een menselijk gezicht'. De R.K. Kerk kreeg opnieuw een 'vredesbeweging', Pacem in Terris, die door mensen werd geleid die met het regime heulden. De Paus deed een aantal omstreden bisschopsbenoemingen, om althans toch weer enige plaatsen vervuld te zien. Contact en correspondentie met het Westen waren weer riskant.
De beweging 'Charta 77' werd opgericht, en een aantal prominente schrijvers en intellectuelen kwamen herkenbaar in aanvaring met het regime. Met de gevolgen, die we einde vorig jaar meemaakten, toen het Communistische bewind in verbluffend korte tijd ten onder ging. En toen niet zo lang erna een heuse dissident, Vaclav Havel, president werd en het woord 'socialistisch' uit de naam van de republiek werd geschrapt.

En nu...
De berichten uit Tsjechoslowakije zijn veelkleurig en boeiend, ook wat de kerkelijke situatie betreft. Wat is er in korte tijd al veel veranderd!
Wat is er in diezelfde korte tijd ook al een nood geconstateerd! Een greep uit de vele berichten: • De R.K. Kerk slaat kennelijk enorm aan bij de jongeren. AI op 6 januari jl. schreef Hubert Smeets in de NRC over "de miraculeuze rehabilitatie van de tsjechische katholieken". Ze werden gezien als verdachte burgers en omgekeerd zagen ze zichzelf ook niet als loyale Tsjechen, citeert Smeets een Protestantse ondertekenaar van Charta 77. De laatste zin uit het artikel is opnieuw een citaat uit de mond van dezelfde Protestant. "Nu de fronten radicaal zijn doorbroken, zullen de Tsjechoslowaakse katholieken dus uit hun schulp moeten kruipen. Maar als ze dan bereid zijn tot een theologische renaissance, tot een open en niet louter religieuze, maar ook intellectuele ontwikkeling ... dan zullen ze dit land kunnen winnen."
Een nadere aanvulling zijn berichten over de explosieve groei van kerkgangers en het bericht dat "zich in de eerste helft van dit jaar alleen al bij de ordes en congregaties van vrouwen 1500 nieuwe leden gemeld"
hebben. (Friesch Dagblad, 24-7-90).
In hetzelfde bericht ook melding van de teruggave van 74 kloosters of andere gebouwen aan de R.K. Kerk.
Na een langdurig debat stemde 80% van de parlementsleden voor deze maatregel.
• In Protestantse kring bestaat er echter 'angst voor r.k. triomfalisme' (kop van een artikel in Trouw, 27-3-90). De zeer machtige positie van 'Rome' in Polen dient Protestanten als voorbeeld van een situatie die men in eigen land niet wenst.
Toch wordt in Protestantse kring vooral ervaren hoeveel kansen de nieuwe vrijheid biedt. Evangelisatie en diakonaal werk horen tot de mogelijkheden, net als boekenverkoop op straat. Kansen te over! Alleen, ook hier het probleem van de onervarenheid.
"We zijn als kerk (in Tsjechoslowakije) niet voorbereid op de nieuwe situatie. We hebben geen uitgewerkte plannen, terwijl de vrijheid zoveel werk mogelijk maakt.
Vooral zien we ons geplaatst voor een belangrijke diakonale opgave: tehuizen voor kinderopvang, bejaardenhuizen en zo meer; zulke voorzieningen en de werkers ervoor hebben we niet meer. En ook geen ervaring. We moeten alles van de grond af aan opbouwen." (Ds. Erdély Geza) (N.O. 13-6-90)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief