Hoofdkenmerk van de scholastiek en een bijzondere bijkomstigheid

1992-09-11
  • Jaargang 36
  • nummer 19
23. Verstandsgebnaik in de scholastiek t
We noemden aan het slot van ons vorig artikel het rationalisme in de scholastiek. Anders dan veelal gebruikelijk zien we daarin niet de hoofdzaak, maar wel een belangrijke bijkomstige trek in de scholastiek. Deze bijkomstigheid is echter wel een gevolg van het hoofdkenmerk van de scholastiek, nl. de combinatie van het christelijk geloof met niet-christelijke (pagane of humanistische) theoretische werkelijkheidsbeschouwingen ("filosofie") en daaraan ontsproten denkschema's .. Alvorens hier op in te gaan, kan het dienstig zijn de meerzinnige term "rationalisme" eens even ter zijde te laten en te spreken over twee verwante, maar wel te onderscheiden verschijnselen, die men desgewenst kan samenvatten onder de naam "rationalisme".

24. Twee vormen van ‘rationalisme’
Prof. Vollenhoven placht altijd met nadruk te zeggen: de ratio bestaat niet. God schiep de mens met verstand, en dat is (historisch gezien) iets anders."Ratio" is in de geschiedenis van de wetenschap nl. meestal verstaan als verstand dat apriorische inzichten vanuit zichzelf meebrengt. Het woord "rationeel" in ons spraakgebruik is derhalve niet onbesmet. Het stamt uit een (religieus-onchristelijke) visie op het menselijk verstand. Het is nauwkeuriger te spreken over intellectualisme, wanneer men bedoelt dat het verstandelijk element in het geloofsleven (en elders in de levenspraktijk) wordt overschat of overbeklemtoond. Wanneer echter deze overschatting gepaard gaat met (al of niet bewuste) overschatting van wetenschappelijk verstandsgebruik, wat uiteraard in het verlengde ligt van het intellectualisme, dan spreken we speciaal van sciëntisme, overschatting van de wetenschap (sciëntia =wetenschap) en van het wetenschappelijk verstandgebruik.
Wanneer bijv. de theologie in het kerkelijk leven overschat wordt, kunnen we spreken van een theologisch sciëntisme.
Het traditioneel Westerse gebrek aan onderscheiding tussen deze twee (intellectualisme en sciëntisme) is gevolg van het nog veelszins feitelijk negeren in het wetenschappelijk spraakgebruik van het structuurverschil tussen niet en wel theoretisch denken, tussen de practische en de wetenschappelijke functie van ons verstand.

25. intellectualisme In de scholastiek
Op het intellectualisme in de scholastiek wees ik al eerder, toen het ging over de aard van het geloof. In de scholastieke gedachtengang meende men de aard van het geloof te kunnen definiëren door gebruik te maken van de toen gangbare filosofischantropologische categorieën intellect (verstand), gevoel en wil. Dat waren de elementen waaruit het geloof structureel zou zijn opgebouwd. In die filosofisch/antropologische visie was het verstand (intellect) niet het enige, maar wel het eerste en belangrijkste element. Thomas van Aquino zei: geloof is een verstandszaak. Wel méér dan dat, en er beh66rde nog een en ander bij te komen, maar het bleef toch primair een verstandszaak. ("Fides est aliquid rationis"). Zo las ik nog deze week (in Koers 10/7,p.18) de daarmee vergelijkbare uitspraak van een geref.bondspredikant dat een goede preek bestond uit een evenwicht tussen schriftuitleg plus "een stuk bevinding". M.a.W. het geloofsleven moest gebouwd en gevoed worden met "een stuk verstandswerk" plus nog wat anders, dat dan het eigenlijke is waarop het aankomt. Vanwege het korreltje waarheid dat in deze opvatting verscholen ligt wordt het een verleidelijke, maar voor het geloofsleven niet ongevaarlijke dwaling.

26. Sciëntisme in de scholastiek
Bij intellectualisme bleef het niet. In nauwe verwantschap daarmee brak ook het sciëntisme, de wetenschapsoverschatting, zich baan in kerk en theologie. Het was ten slotte de oude erfenis van het Griekse denken, dat de Westerse cultuur sinds 25 eeuwen gestempeld heeft met een diep (religieus) geworteld rationalisme. Reeds in de 7e eeuw was bijvoorbeeld de theoloog Aldhelm van Malmesbury volgens Prof. De Rijk in zijn boek "Middeleeuwse Wijsbegeerte" van mening "dat de Bijbel ook op grammaticaal gebied als een autoriteit kon geiden". Ook de beroemde Anselmus van Canterbury gebruikt de Schrift als een logisch-semantische autoriteit. In de 12e en 13e eeuw werd aan de uitspraken van God in de Bijbel een hoge "grammaticale" waarde toegekend, aldus Prof. De Rijk. Dat herinnerde mij aan de colleges "logica" die ik als eerstejaars student moest volgen.
Daarin werd, ook toen al tot mijn verbazing, verteld dat het soms schijnbaar ontbreken van een logisch verband in bijbelteksten natuurlijk niet echt onlogisch was. Dat kon niet vanwege de onfeilbaarheidvan de Schrift.
Juist daarom zou zoiets ons heel wat kunnen leren voor de ontwikkeling van een christelijke logica vanuit de Schrift.

27. Christelijke wetenschap
Dat was een typisch-traditionele scholastische denkhouding, inclusief de daarbij passende sciëntistische hermeneutiek en bijbeltheorie. Zij werkt nog steeds door in de idee dat allerlei wetenschappen moeten worden "ontwikkeld"
vanuit zgn."bijbelse noties", of althans vanuit door de theologie ontwikkelde bijbelse grond-ideeën, zoals bv. rentmeesterschap, eerbied voor het leven, sociale of economische gelijkheid, e.d. Dat acht men dan de theologische of geloofsbasis die noodzakelijk is, wil men inhoud kunnen geven aan de idee van een christelijke wetenschap.

28. Een les der geschiedenis
Toen in de jaren twintig de VU begon te twijfelen aan de mogelijkheid om de idealen van haar oprichter(s) inzake een christelijke wetenschap te realiseren, kreeg de theologische faculteit de opdracht om voor alle toen bestaande faculteiten "uit Gods Woord de grondbeginselen te formuleren" voor de christianisering der diverse vakwetenschappen.
De Evangelische Hogeschool kende tot voor kort soortgelijke idealen, maar om organisatorische redenen moest het ideaal voorlopig grotendeels in de koelkast worden gezet. Het is te vrezen dat een deel van de leiding nu meent te kunnen volstaan met een populariserend verdunde implantatie van een bepaald soort theologie in de nog bestaande studierichtingen. In dezelfde lijn ligt, naast dit theologisme, ook het confessionalisme, dat van mening is dat de wetenschapsontwikkeling, wil zij christelijk kunnen zijn, zich moet stellen op de basis van een (of de) kerkelijke confessie.

29. Hedendaagse theologische scholastiek
Met christelijke wetenschap heeft dat echter niets, met scholastiek alles te maken. Want de scholastieke idee van de christianisering der wetenschap is de "vervolmaking", "voltooiing", "aanvulling" en "integratie" der (naief geaccepteerde) bestaande wetenschappen met...theologie. Het r.kath. adagium in dezen luidt vanouds: de genade heft de natuur niet op, maar voltooit haar. Menig protestants theoloog is het daar eigenlijk wel mee eens. Het natuur/genade-schema ligt immers diep-religieus verankerd in de bestaande theologie.
Wel meent men dan de bestaande wetenschappen "kritisch" te moeten en te kunnen benaderen, maar het blijft dan een uitwendige, aan die wetenschappen zelf innerlijk vreemde, nl. een theologische kritiek. De praktijk leert dan ook meestal dat men voor dovemansoren praat. Theologen zijn in de academische wereld niet meer "in", de theologie wordt niet meer erkend als "de konlnqln der wetenschappen", terwijl het "heilige" van de "heilige godgeleerdheid" nog slechts folkloristische waarde heeft. De politiek, de economie, de rechtswetenschap, de socioloog, ze laten zich bepaald niet gezeggen door externe betweters, in de gestalte van theologische moratleten.

30. Pretentie van de theologische ethiek
Dat is ook de tragische grondtrek in het grote driedelige Handbuch der Christlichen Ethik (1978/1982), dat precies in de lijn der scholastieke zelfoverschatting der theologie, de theologische ethiek ziet als de "Integrationswissenschaft", die de verbinding moet leggen tussen de (christelijke) theologie ende "profane"(maatschappij-) wetenschappen. Wat deze grondtrek betreft is er zelfs nauwelijks enig verschil op te merken tussen de protestantse (Lutherse) en de r.kath. auteurs van dit handboek.
Enkele jaren geleden vertelde een vrijzinnige Leidse collega mij nog dat de theologische faculteit eigenlijk de "Centrale Interfàculteit" in een universiteit moest zijn.

31. Natuurlijke en bovennatuurlijke theologie
Zo heeft men ook in de middeleeuwse theologie op grond van EX.3:14("Ik zal zijn die ik zijn zal") een uitgebreide en zeer genuanceerde theologie over God ontwikkeld vanuit het Grieksfilosofische begrip van "zijn", inclusief de onderscheiding van wezen en eigenschappen. Dat heette dan "natuurlijke theologie". Die fungeerde tevens als basis en onderbouw voor de zgn.boven-natuurlijke theologie die geacht werd logisch(!) te zijn "afgeleid" uit de Bijbel. Het apologetisch nut van die natuurlijke theologie zou dan zijn, dat deze alvast logisch kon bewijzen of minstens aannemelijk maken dat er "een god bestaat". Dat heette dan een stap in de goede richting. De "bovennatuurlijke theologie" zou dat voltooien tot een meer volledig "geloof".

32. Hedendaags verzet tegen scholastiek
Het is deze typisch sciëntistische trek van de scholastiek, waartegen ook in onze tijd veel verzet komt, maar die zich o.a. voortzet in het zgn. theologisch fundamentalisme. Dat verzet is terecht, maar het alternatief is meestal weinig beter, omdat het christelijk geloof binnen de hedendaagse moderne theologische scholastiek niet zozeer verbonden wordt met de oudere vormen van het rationalisme der Verlichting, maar met het zgn.irrationalisme van onze eeuw. D.w.z. met extreem subjectivistische stromingen in personalisme, existentialisme, fenomenologie, postmodernisme, neomystiek ("spiritualiteit") e.d. Dat levert nauwelijks verbeteringen op. Maar de genoemde stromingen zijn wel de (humanistische) visies die dominant zijn in onze hedendaagse cultuur. Daarom bepalen zij ook in zekere mate de mode in het spraakgebruik der gestudeeerde mensen, en dáárbij past menig predikant en theoloog zich weer aan in prediking en wetenschapsbeoefening. Men vreest anders te verstarren in "conservatieve scholastiek".

33. Nogmaals: binnen-heidense secularisatie
In de twee vorige artikelen attendeerden we op de geestelijke achtergrond van de scholastiek, nl. de binnenheidense secularisatie. Het heidense mythische en pantheïstische geloof was ingezonken en veruitwendigd in de "burgerlijke" staatsgodsdienst, in ritualisme en folklore. In dit geleidelijk voltrokken proces speelde de opkomst van de wetenschap een grote rol. De beschouwing van de natuurwerkelijkheid werd in de beginnende wetenschap ontmythologiseerd. De werkelijkheid werd ontgoddelijkt, "onttoverd" zou men in latere eeuwen zeggen.
De meest extreme vorm daarvan, het atheïsme, kwam nog weinig voor. Wel bleven de meeste mensen op een of andere manier geloven in goden of in het goddelijke. Maar men meende in de wetenschap daarmee niet te hoeven rekenen. Deïsme, zou men dat later noemen. Als er goden waren, dan bemoeiden die zich niet met de wereld.

34. De godsdienst van het wetenschapsgeloof
Praktisch betekende deze omwenteling een nieuwe godsdienst, dle als zodanig nog niet zo genoemd werd, maar wel als een nieuw geloof functioneerde: het geloof in de wetenschappelijke rede. Daar, in Griekenland, bij filosofen als Heraklitus en vooral Parmenides, en in hun voetspoor bij "de grote drie" (Socrates, Plato en Aristoteles), lag het begin van het "wetenschapsgeloof", dat steeds meer een kenmerk van de Westerse cultuur is geworden. In dat wetenschapsgeloof ontwikkelde zich een levens- en werkelijkheidsbeschouwing die geen rekening hield met God en zijn openbaring, zelfs niet meer met de heidense caricaturen daarvan. Voorzover men traditioneel geloofde, bleef dat geloof onvruchtbaar voor de werkelijkheidsvisie. God of de goden of het goddelijke - dat was een andere wereld, een wereld apart.
De wetenschap had daar geen toegang toe en zij had ook genoeg aan de ontmythologiseerde, ontgoddelijkte wereld. Dat en zö was de "natuur" dacht men.

35. Natuur en genade
Met deze, aldus begrepen wereld, ging het christendom een synthese, een samenvoeging, aan. De correctie die het christendom er op aanbracht was die van het scheppingsgeloof en het geloof in Gods voorzienig bestel, maar in de wetenschappelijke analyse van de werkelijkheid maakte- dat niets uit. Het bijbelse scheppingsgeloof ten' aanzien van de concrete werkelijkheid was versmald en gesteriliseerd tot een uitwendig label, een soort fabrieksmerkje. De wetenschap behoorde immers bij het "natuurlijke" denken, dat alle mensen, christenen en heidenen gemeen hadden. Dat kon veelszins gelijk opgaan, ook al hingen de christenen het etiket "schepping" aan de werkelijkheid. Voor het bovennatuurlijke levensgebied, dat van geloof, en kerk, en Bijbel, was er echter de goddelijke waarheid die in de Schrift staat en in het geloof ontvangen kon worden.
Maar dat was een ander verhaal. Een verhaal dat in de scholastiek met de wereldse filosofie verbonden werd, en dat in alle middeleeuwen en tot op vandaag het probleem levend hield van de verhouding tussen geloven en denken, tussen geloof en wetenschap. De vele vormen van deze synthese kunnen we nu buiten beschouwing laten, maar deze synthese zelf, deze verbinding van religieus-wereldse (of "wereldgelijkvormige") theoretische werkelijkheidsbeschouwing met christelijk geloof, bleef en blijft tot op heden het belangrijkste merkteken van scholastiek.
In de wetenschappelijke theologie kon dat niet tot iets anders leiden dan tot aanpassing. Over "God en goddelijke zaken", zoals het object van de theologie meestal werd aangeduid, kon men wetenschappelijk niet anders spreken dan met menselijke begrippen waarin niet-christelijke werkelijkheidsbeschouwingen, termen en denkpatronen meekwamen. Dat was de typischscholastische verbinding van "natuur en genade".

36. Scholastiek als intellectualisme en sciëntisme
Als tweede en secundaire kenmerk van de middeleeuwse (en hedendaagse!) scholastiek bespraken we de overschatting en soms zelfs verabsolutering van het menselijk verstand. Dit zowel in de geloofspraktijk (intellectualisme), en dáár met een tegenwicht in mystiek (later vaak bevinding genoemd), alsook in de wetenschap (sciëntisme). Voor kerk en theologie is zeer belangrijk en ook zeer funest geworden, dat men, vanwege het verstandselement dat in menselijk "geloven"
inderdaad aanwezig is, het specifieke verschil tussen geloofskennis en theologische kennis niet scherp in het oog bleef houden, Men besefte soms terdege het verschil, maar men wist er filosofisch geen juiste interpretatie aan te geven. Er-was immers geen consequent-christelijke filosofische werkelijkheidsbeschouwing, noch een daarin gefundeerde wijsgerige antropologie en kenn.istheorie.

37.Vrijzinnigheid en orthodoxie
De ellende van de middeleeuwse scholastiek die zich uitwerkte in kerk en theologie, werd dan ook in de tijd der Reformatie aanvankelijk, gedeeltelijk en tijdelijk afgeweerd met wat-een "houten sabel" is gebleken, zonder effect. Dat waardeloze wapen was het weer opvatten van de (niet gerealiseerde) idee van Tertullianus om theologie en filosofie te scheiden, en laatstgenoemde in de theologie niet langer toe te laten. Dit was echter een tragische vergissing en werd een noodzakelijke mislukking. Onze orthodoxe theologie plukt daar nog altijd de wrange vruchten van.
Zoals ik al vaker zei: 'vrijzinnige theologie is geen wettig, maar wel een natuurlijk kind van orthodoxe theologie die zich niet van de scholastiek heeft kunnen bevrllden. Niet alleen de V.U. maar ook de rijksuniversiteiten zijn begonnen als christelijke instellingen met christelijke idealen. Men denke aan de openingsrede van Voetius in Utrecht: "Over- de Vroomheid die met de wetenschap verbonden moet worden". Ja - maar helaas als suiker op het brood en niet als zout in de pap. Als theologis,che suiker uitwendig boven op de wetenschappelijke boterham. Maar,dat is op wetenschappelijk gebied nog niet hetzelfde als het functioneren van het geloof als "het zout der aarde".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief