Christus in het kerklied (5, slot)
1992-09-11
Jezus is Heer! In Openbaring 5 is Hij de enige die de boekrol van de geschiedenis kan openen en de zeven zegels verbreken. Johannes ziet Hem dan als een lam, staande als geslacht, d.w.z. met de slachtwonde zichtbaar aan zijn hals. Zo verscheen de opgestane Heer ook aan zijn discipelen .en aan Thomas: de spijkerwonden waren zichtbaar in zijn handen. En als Hij bij de Emmaüsgangers het brood breekt, herkennen ze Hem vermoedelijk dááraan dat, wanneer zijn mouwen terugvallen, de wonden in zijn handen (even boven de pols) zichtbaar worden.- Jaargang 36
- nummer 19
Verzoening met God
Waarom die wonden bij een verheerlijkte Heer, waarom zelfs in de hemel nog gezongen van het geslachte Lam?
Daarmee herinnert de heiland ons er aan welke dood Hij heeft moeten sterven om de toorn van God over onze zonden te dragen en ons met God te verzoenen. Zijn wonden herinneren ons er aan dat Hij ons heeft losgekocht met zijn bloed en dat wij nu zijn eigendom zijn, dat Hij onze Heer is die recht heeft op ons leven. Waarom leg ik, in een lezing over het kerklied, daar zo'n nadruk op? Omdat dat evangelie vandaag op de tocht staat, ook in het moderne kerklied. Wie de radio maar aanzet en preken of religieuze programma's van NCRV of IKON beluistert, merkt dat die boodschap niet meer actueel geacht wordt.
Aan de totstandkoming van het oecumenische Liedboek voor de kerken is zeer aktief meegewerkt door een zevental zeer verdienstelijke dichters: de protenstanten Willem Barnard, Ad den Besten, Klaas Heeroma (alias Muus Jacobse), Jan Willem Schulte Nordholt en Jan Wit, en de katholieken Tom Naastepad en Huub Oosterhuis. Wanneer sommige van deze dichters oude liederen uit het Duits en het Engels vertalen, zoals Ad den Besten die liederen van Luther vertaalde, houden ze zich in het algemeen aan de oorspronkelijk tekst wanneer die spreekt over verzoening over onze zonden door het bloed van Christus. Ik zeg: oveer het algemeen - want soms worden een paar zinnen of een heel couplet over dat onderwerp niet vertaald. In gezang 404 slaat Schulte Nordholt twee coupletten van het Duitse origineel (E.K.G. 244) over, juist die coupletten die over Gods genade voor een zondig mens zingen.
Solidair. geen Verlosser
Maar wat gebeurt er in de eigen, originele liederen van deze dichters? Let wel, het gaat mij niet om het oordeel over deze dichters, maar om hun verzen.
Ik het al hun eigen liederen in de rubrieken Advent, Kerstfeest, Tijd voor Pasen, Paasfeet en Hemelvaart doorgenomen, en die in de rubriek Overige liederen (achterin het Liedboek), en daarbij bleek me dat in hun gezangen over Christus de verzoening met God door het dragen van onze schuld geen rol speelt. Ook niet in dsie liederen waar de contekst daar eenvoudig om vraagt, zoals in de verzen over Jezus' komst op aarde en in die over zijn lijden. Het beeld dat in deze liederen naar voren komt, is dat van een Zoon van God, een God, die solidair met ons geworden is, die zich met ons heeft vereenzelvigd en hetzelfde juk en dezelfde last op zich heeft genomen dat wij hebben te dragen en die ons zo ten voorbeeld is om andermans juk en andermans last te helpen dragen; het beeld van een mens die als eerste alle geboden van God voldragen heeft. En het is waar: Christus is in alles aan ons gelijk geworden (beha1ve de zonde) - maar als het daarbij gebleven was, waren we nóg niet met God verzoend, waren we nóg in onze zonden.
Want het was niet voldoende dat Christus zijn plaats ónder ons en náást ons innam - Hij moest in onze plááts de woede van God over onze zonden wegdragen en ons zo maken tot kinderen van zijn Vader. Slechts in drie gezangen kwam ik de noties "schuld" en "zonde" tegen: 129, 134, 169. Het laatste lied is volgens de dichter, Ad den Besten, een soort vrije herdichting van een lied van Luther (402).
Ik geef twee voorbeelden van gezangen waarin die moderne theologie zichtbaar is, en u moet maar van me aannemen dat ze representatief zijn voor de overige. Het eerste is lied 149 van Ad den Besten, waarvan ik de 3e strofe citeer: Om onze lotgenoot te zijn waar wij versagen, om onze nederlagen, ons leed en onze dood; om ons nabij te zijn, van vader en van moeder venetenen. - 0 broeder in nood, deelt Ge' onze pijn.
Ik weet niet of het u opvalt, maar Den Besten spreekt hier wel over ons versagen, onze nederlagen, ons leed, onze dood, onze nood en onze pijn, maar niet over iets van ons draagt, dan is het steeds ons lot, onze last, en onze juk, onze dood, maar nooit onze schuld tegenover God. Het gaat erom dat er Iemand met ons mee-lijdt, niet om onze verzoening met God.
Voorbeeld. geen Heer
Het tweede voorbeeld is gezang 162 van Huub Oosterhuis:
(1) Omdat Hij niet ver wou zijn is de Heer gekomen.
Midden in wat mensen zijn heeft Hij willen wonen.
Midden onder U staat Hij die gij niet kent.
(2) Overal nabij is Hij menselijk allerwegen. Maar geen mens herkent Hem, Hij wordt gewoon verzwegen.
(3)God van God en licht van licht aller dingen hoeder heeft een menselijk gezicht aller mensen broeder.
Het vervolg is mooi:
(4) Wilt daarom elkander doen alle goeds geduldig.
Weest elkaar om zijnentwil niets dan liefde schuldig.
Evenals het slot van het vorige lied (149): Maak onze ogen dan ziende en ons hart genegen tot wat er allerwegen leeft en niet leven kan. We herkennen daarin Filippenzen 2:5: "Laat die gezindheid in u zijn welke ook in Christus Jezus was. Maar als Jezus niet onze Verlosser is, niet de Heer van ons leven, die ons kocht met zijn bloed, dan blijft Hij als voorbeeld vrij-blijvend. Wij blijven dan machtelozen bouwers aan een koninkrijk dat we het Koninkrijk Gods noemen. Als Hij niet mijn Héér is die mij kocht met zijn bloed, kan ik zijn voorbeeld nnaar eigen believen invullen naar alle moderne 'inzichten' die de wereld op mij afstuurt.
Want dat is het tweede wat me in de gezangen van deze dichters opvalt: Christus wordt wel bezongen als een bewust machteloos geworden God, maar Hij wordt in die liederen niet de Heer voor wie elke knie zich moet buigen. Begrijp me niet verkeerd: ik zeg niet dat in elk lied alles mot vóórkomen, maar het ontbreken van deze twee met elkaar samenhangende, in de Schrift zo belangrijke, zaken - Jezus' plaatsvervangend lijden waardoor Hij ons met de Vader verzoend heeft en het feit dat Hij nu daardoor onze en aller Heer is - maakt me ongerust. En die ongerustheid wordt er niet minder op wanneer ik de stroom van liederen bekijk die ná de uitgave van het liedboek zijn verschenen en die het reservoir vormen waaruit geput gaan worden voor het nieuwe Liedboek-2000. In veel van die liederen (zie b.V. de bundeltjes Zingend geloven) voert het speculatieve de boventoon.
Mensengemeenschap
Dat in zo'n sfeer ook het onderscheid vervaagt tussen hen die van Christus zijn en hen die niet in Hem geloven, is te begrijpen. We zien dit b.v. in lied 488, waar Huub Oosterhuis zijn uitgangspunt neemt in de gemeenschap van alle mensen, en van die mensengemeenschap zou God dan de vader zijn:
(1) Zolang er mensen zijn op aarde, zolang zijt Gij ons aller Vader.
Zolang mensen met elkaar communiceren en voor elkaar bestaan, zolang zal ook God ons niet ontbreken, zegt Huub Oosterhuis:
(2) Zolang de mensen woorden spreken, zolang wij voor elkaar bestaan, zolang zult Gij ons niet ontbreken.
Is het niet eerder andersom: pas waar God als Vader erkend wordt, daar gaan mensen echt voor elkaar bestaan.
Wij leven niet van een wereldwijde mensengemeenschap (de trieste realiteit is dat er een scheidslijn tussen de mensen loopt), maar van de gemeenschap der heiligen, waarvan de engelen zongen in de Kerstnacht: Heerlijkheid voor God in de hoge en vrede op aarde onder mensen van zijn welbehagen. laten we ons lied daarop afstemmen, totdat Hij komt.
Allen meesters Straks zullen we staan voor de troon van God en van het lam: heilig en onbesmet, zonder vlek of rimpel.
Onbekommerd zullen we zingen, we hoeven niet meer te letten op verkeerde leringen van mensen. De engelen zullen ons de zuivere woorden leren.
De engelen? Ik denk dat we zelf, vol van de Heilige Geest, spontaan het zuivere loflied zullen zingen voor God en voor het lam. Want dan zijn allen meesters die nu nog leerlingen zijn, als God zal zijn alles in allen.
Halleluja!