Tolerantie

1990-12-07
  • Jaargang 34
  • nummer 25
Zingt, zingt,een nieuw gezang.
Tot het jaar 1933 mochten we in de toen nog ongedeelde gereformeerde kerken alleen de 150 psalmen Davids, de Tien geboden, het Onze Vader, de 12 artikelen des geloofs, de lofzangen van Maria, Zacharias, de Avondzang en de Bedezang voor de predikatie zingen.
In die tijd stond in de psalmboeken nog een gezang waar boven stond: 'Eigen geschrift Davids' (Ik was een jongeling, nog teder en gering.) Vermoedelijk had een drukker dit lied eigenhandig toegevoegd. Een enkele maal liet een predikant per abuis dit lied zingen.
De synode van Middelburg gaf in 1933 een bundel van 29 gezangen vrij, die ook in de kerkdienst gezongen mochten worden.
Natuurlijk gaf dat in het begin moeilijkheden.
A.J. Klei vertelde laatst in Trouw, dat een predikant in het dorp waar hij woonde, na de geloofsbelijdenis liet zingen: 'Wij loven U,O God, wij prijzen uw naam'. Toen het gezang werd ingezet, stond een groenteboer op en verliet het kerkgebouw, de lippen op elkaar geklemd. Hij is nooit teruggeweest en zocht zijn heil bij de hervormden, die het zonder gezangen deden. Toen men hem later vroeg waarom hij zo tegen dat gezang was, zei hij: kijk maar naar wat er boven staat, zo rooms als wat! Er stond boven: Te Deum.
Klei vertelt nog een geschiedenis, waarbij de betrokkenen zich beter gedroegen. In Noordeloos besloot de kerkeraad gezangen te laten zingen, slechts één diaken bleef tegen, maar de vredelievende predikant stelde toch voor het dan maar niet te doen. Nog diezelfde week ging de diaken naar de predikant en"
zei: dominee, doe het toch maar. Ik vind niet, dat een kleine minderheid mag tegenhouden wat de meerderheid graag wil. Deze diaken gaf een goed voorbeeld.
Hoe vaak gebeurt het niet in de kerk, dat men juist bij kleinere meningsverschillen hard op zijn strepen blijft staan.
In onze kerken zingen we nu psalmen, oude en nieuwe berijming en daarnaast ook nog een aantal gezangen uit het Liedboek. Het is wel wat ingewikkeld geworden, maar het belangrijkste is, dat we elkaar bij verschil van mening over te zingen liederen, blijven verdragen.

Veelkleurigheid
Het lijkt aantrekkelijk een gemeente van gelijkgezinden te hebben. Het liefst met dezelfde achtergrond en ligging. Ook voor de groei van de gemeente lijkt het ideaal als de gemeente homogeen is, allen op dezelfde lijn liggen. Maar de werkelijkheid is meestal anders. In de kerk zijn veel zaken waar we niet gelijk over denken.
Ik noemde al het verschil in opvatting over wat we in de kerk behoren te zingen. Eigenlijk lopen onze opvattingen over de liturgie op veel punten uit elkaar.
Zo wordt over koorzang in de kerk zeer verschillend gedacht, evenals over de beurtzang.
De vraag of we elke zondag de wet uit Exodus moeten voorlezen, wordt verschillend beantwoord.
Bent u gelukkig met de wijze waarop we avondmaal vieren? Moet dat in kleine groepjes gebeuren of heel de gemeente tegelijk? Is het nodig om telkens een uitgebreid avondmaalsformulier te lezen? Sommigen dwepen met de oude formulieren. Men vindt ze schitterend. Anderen zouden graag zien, dat ze grondig werden vernieuwd en geformuleerd in de taal van deze tijd.
Ook de taal, met name de bijbelvertaling, is iets dat wij niet gelijk beoordelen. Daar is een Gereformeerde Bijbelstichting, die zweert bij de oude Statenvertaling. "Welk een zorg heeft God aan Neêrlands Kerk willen besteden, om ons een zuivere vertaling te geven, die door Hem is gebruikt tot lering en waarachtige bekering", aldus ds. S. de Jong, hervormd predikant te Staphorst.' "Zo kunnen we nog zalig' worden in de weg waarin Gods deugden worden opgeluisterd." Dit was te horen op de jubileumtoogdag van de Geref. Bijbel stichting ...
Zo zal in onze kerken daar wel niet meer over gedacht worden. Met alle waardering voor de voortreffelijke vertaling, de Statenvertaling spreekt een taal, die de onze niet meer is ...
Het is ook geen volmaakte vertaling.
Denk maar aan de vertaling van het boek Job. Dat is geen verwijt aan de vertalers. Toen had men nog niet de kennis, die men nu heeft.
In onze kerken wordt nu meestal de zog. nieuwe vertaling van 1951 gebruikt.
Maar deze heeft ook al een verouderd taalgebruik en is voor jongeren niet altijd begrijpelijk.
Daarom is later nog de 'Goed Nieuws'-vertaling gekomen. Een vertaling, die ook al weer voor verschil van mening heeft gezorgd. De Statenvertaling leunt zo dicht mogelijk tegen het Hebreeuws aan. Dat is vooral voor hen, die preken maken een belangrijk hulpmiddel.
Bij 'Goed Nieuws' heeft de vertaler zich eerst afgevraagd wat de schrijver destijds aan de lezer wilde overbrengen en daarna heeft de vertaler geprobeerd dat over te brengen in het Nederlands-van-vandaag. Hierdoor is geprobeerd de kloof tussen culturen uit de Derde Wereld en die van de Bijbel en de wereld van vandaag te overbruggen. Beide methoden hebben hun bezwaren en voordelen.
'Goed Nieuws' bv. kan in plaats van een vertaling gemakkelijk een parafrase worden.
Daarnaast is in 1988 nog 'Het Boek' verschenen, een verwoording van de Bijbel volgens het principe van de Living Bibie. Deze gaat uit van de gedachte-voo r-gedachte-vertaling.
De originele tekst is niet woord voor woord vertaald, maar de verhalen worden verteld voor mensen van deze tijd met taal, woordspelingen en uitdrukkingen van nu.
Keus genoeg dus. Naar mijn mening kunnen deze verschillende vertalingen elkaar aanvullen. Laten we elkaar bij de keus van de vertaling de vrijheid geven.
De vraag rijst ook wel eens, of de kerkdienst bij ons niet te veel een eenmansbedrijf is. Zo was het bij de eerste christelijke kerk niet. Het is mooi, dat de reformatie ons predikanten heeft gegeven, maar is hun positie niet wat te overheersend geworden? In de Schrift is daarvoor geen aanwijzing te vinden.
Vroeger werd er ook veel over de kleding in de kerk gediscussieerd, bv. over de vraag of de zusters een hoed moesten dragen. In mijn jonge jaren moest ik collecteren met zo'n lange stok en dan waren hoeden erg lastig. Ik was daarom blij, dat de hoeden steeds meer verdwenen.
Gelukkig spelen deze zaken nu geen rol meer. Zelf meen ik, dat er in deze tijd te weinig rekening mee wordt gehouden, dat we een ontmoeting met de Here God hebben en deze ontmoeting een feestelijk karakter heeft. Daarom mogen we best wat extra zorg aan onze kleding besteden.
Daar is ook zorg over het feit, dat de plaatselijke kerken zich teveel vrijheid veroorloven. Zo zijn er kerken, die vrouwelijke ambtsdragers hebben, iets dat andere kerken weer ernstig afkeuren. Men vindt ook, dat het kerkelijk akkoord te veel vrijheid aan de plaatselijke kerken geeft.
Daarom wordt gepleit voor terugkeer naar de Dordtse Kerkorde.
Verschillend wordt ook gedacht over de vraag, of er speciale diensten moeten zijn voor de kinderen. De 'een dweept met kindernevendiensten, de ander verwerpt ze hartgrondig.
Viering van feestdagen als kerstfeest en paasfeest wordt ook niet door iedereen gewaardeerd.
En zo kunnen we nog een tijdje doorgaan. Moeilijker is de vraag in hoever we afwijkingen in de kerk mogen duIden.
Natuurlijk niet wat de hoofdzaken van ons geloof betreft, maar waar ligt de grens?
Aanhangers van het duizendjarig rijk zullen we niet afwijzen, ook al verwerpen we die opvatting.
In de oorlog waren er gereformeerden, die de duitse bezetters als de wettige overheid zagen. Een onjuiste visie, maar daarom konden we hen, die zo dachten, toch niet weren.
Meer actueel is nu het verschil in beantwoording van de vraag, wat er na het sterven met de mens gebeurt.
In het spoor van ds. Telder menen sommigen, dat bij het sterven de hele mens sterft en er geen sprake van is, dat de ziel naar de hemel gaat. Deze opvatting is echter moeilijk te rijmen met wat we belijden in zondag 22 van de H.C.
Overigens vraag ik me af, of dat verschil werkelijk zo belangrijk is.
Het is toch voldoende als we geloven, dat wij, als we in de Here sterven, Hij altijd bij en met ons is.
Zelfs over de opleiding tot predikant zijn we het niet eens. Moet een student via Apeldoorn of via een andere wetenschappelijke opleiding worden geschoold, of moet het via het seminarium gebeuren?
Vermoedelijk speelt hier op de achtergrond ook mee de waardering van een wetenschappelijke opleiding.
Een belangrijker zaak is het verschil bij de uitleg van de Schrift. Enkele voorbeelden.
Waren de scheppingsdagen dagen van 24 uur? Ik heb zelf eens verklaard, dat ik dat niet wist en was daarom voor een bepaalde christelijke organisatie niet als lid aanvaardbaar.
Prof. Ohmann wees er eens op, dat we de Bijbel niet als wetenschappelijk handboek moeten gebruiken, zoals de creationisten doen. Daarmee miskennen zij de bedoeling van de feiten in de Bijbel, namelijk dat God Zich door die feiten heen aan ons openbaart. De Bijbel is geen handboek, zelfs niet voor de theologie.
Was de zondvloed een bedekking van heel de aarde, of gold deze alleen de toen bekende aarde?
Ik herinner mij, dat mijn vader in een preek eens zei, dat het niet zeker was of Job ooit bestaan had. Enkele dagen later kwam een vrouw mijn vader bezoeken en zei, dat ze nachten lang daarvan niet had kunnen slapen.
Mijn vader heeft daarover toen nooit op de kansel gesproken, hoewel hij zelf zijn twijfel had. Deze zuster had niet begrepen, daf het niet ging over de vraag of het boek Job in de Bijbel thuis hoort of over de vraag of de Bijbel hier wel betrouwbaar is. In de Bijbel staat niet alleen geschiedenis, maar er staan ook profetieën en gelijkenissen in. Geen geschiedenis, maar wel terdege Gods Woord.
Ook zij die met art. 7 N.G.B. de volkomenheid van de H. Schrift om alleen te zijn een regel des geloofs onderschrijven, hebben toch niet allen een gelijke visie op de Bijbel.
Sommigen zeggen, dat de Bijbel van kaft tot kaft Gods onfeilbaar Woord is. Het bezwaar tegen deze fundamentalistische formulering is (ik citeer nu prof. Kamphuis), dat de indruk wordt gewekt alsof 'onfeilbaarheid' gelijk wordt gesteld met notariële precisie en dat over heel de linie.
Men vergeet dan ook, dat de Schrift cultuurhistorisch bepaald is en ook het wereldbeeld toen anders was.
Niemand van ons meent nu toch, dat de aarde een plat vlak is. Ieder van ons verwerpt toch de slavernij en ook de polygamie?
Een andere opvatting en dat is ook de mijne, is dat de Bijbel het betrouwbare Woord van God is. Het ging de bljbelsohrijvera niet om historische exactheid. De Bijbel is ons niet gegeven om allerlei wetenschappelijke problemen op te lossen.
De Bijbel is ons gegeven als openbaring en wil ons vertellen wie God is, en wat Hij voor ons gedaan heeft en vandaag doet en in de toekomst zal doen, en ook wie wij zijn.
Tenslotte nog een ander punt van verschu is (er zou nog veel meer te noemen zijn), dat de wederkomst van de Heer bij velen een geringe rol speelt, terwijl anderen van mening zijn, dat we ons oog juist daarop altijd gericht moeten houden.
Zelf neig ik meer tot de laatste visie.
Ons uitzicht op de toekomst zou veel blijmoediger zijn, ook in de samenkomsten van de gemeentè, als wij Hem zouden zien naderen. Dat zou ons kunnen bevrijden van een doemdenken dat ook in de kerk zijn slachtoffers maakt.
De Heer is op komst! Deze gedachte moet ons meer beheersen. Ik vrees, dat we ook als kerk vaak een weinig blijmoedige indruk maken. Mede hierdoor blijken gemeenten van de Baptisten nog al eens leden van ons tot zich te trekken.
Zo zijn er heel wat dingen waarover we niet gelijk denken.
Voor een deel zal dat ook veroorzaakt worden door het feit, dat er ook in de kerk behoudzuchtigen en vooruitstrevenden zijn.

Fundamentele eenheid in geloof
Naar mijn mening hebben we in de kerk zelfs behoudzuchtigen en vooruitstrevenden nodig om de kerk voor eenzijdigheid te behoeden.
Het lijkt wel knus als we het in de kerk in alles met elkaar eens zijn, maar het gevaar is groot, dat we dan naar een soort sekte toegroeien. Wie iets anders denkt moet eruit of wordt op zijn minst naar de achterbank verwezen.
Maar de Schrift kent geen kerk van gelijkdenkenden. Het is helemaal geen ramp als we niet in alles gelijk denken, mits we elkaar maar als broeders en zusters aanvaarden.
Ons 'een zijn in Christus' behoeft helemaal niet te betekenen, dat er geen verschillen zijn. .
Als maar niet het hart van de zaak, het ene geloof in Jezus Christus, zoals de Bijbel het ons zegt, wordt aangetast. De kerk mag tot geen prijs toelaten, dat de verzoening ontkend wordt.
Al moeten wij de plurale kerk verwerpen, dat betekent niet dat de gemeente niet veelkleurig mag zijn.
In de kerk moet plaats zijn voor mensen met allerlei achtergronden en allerlei ideeën. De eenheid wordt echter gebroken als het hart van het geloof, het geloof in de Gekruisigde en Opgestane Heer wordt aangetast.
Dan moeten we een duidelijk neen laten horen.
De Schrift legt grote nadruk op de eenheid: één Heer, één kudde, één herder, één geloof, één doop. Gewaarschuwd wordt tegen verdeeldheid en scheuringen.
Maar de Schrift laat ons ook zien dat er eenheid is in verscheidenheid. (1 Cor. 12:4) De leden vullen elkaar aan. Allemaal verscheiden mensen met verschillende gaven, maar ze moeten "de eenheid des Geestes bewaren door een band van vrede."
Er moet tolerantie, verdraagzaamheid zijn. Maar er zijn ook grenzen aan de verdraagzaamheid. Men moet zich aan de Waarheid houden en aan dwaalleer geen vrij spel geven.
Alle verschillen, die in de samenleving vaak een grote rol spelen, worden gerelativeerd door de nieuwe eenheid, die in Christus gegeven is.
Allen die in Christus geloven, die in zijn naam gedoopt zijn en die deel hebben aan het door Hem gegeven Avondmaal zijn één.

Veelkleurigheid is geen ramp voor een gemeente.
Ze behoort tot het wezenlijke karakter van de gemeente.
De gemeente is naar Gods bedoelen allerminst een club van gelijkgezinden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief