Tegen de slechtheid en de revolutie daartegen: het evangelie!
1992-09-25
Tussen twee vuren- Jaargang 36
- nummer 20
De gekozen Psalm 26 is ons niet direkt sympathiek. Wij verbinden de dichter haast onmiddellijk met de Farizeeër uit de bekende gelijkenis van de Meester. U weet wel, die mandie snoevend en breed gebarend zijn gerechtigheid voor zich uit staat te schallen: ..Ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van alles wat ik bezit..." En zo ook deze psalmist (vinden wij): "Bij de valsaards zit ik niet neder, met de huichelaars ga ik niet om... ik was mijn handen in onschuld"
(vss 4 en 6). We zijn daarom met de David van Psalm 26 gauw klaar: Hij is in dit gedicht nog echt een oudtestamentische farizeeër. Het is waar, soms bereikt David nieuwtestamentische hoogten maar hier niet. In werkelijkheid evenwel is de man die hier spreekt veel minder zelfverzekerd dan wij denken. De psalm heeft iets van een schreeuw. Het is de gil van iemand die tussen twee vuren terecht is gèkomen, de noodkreet van een mens die tussen wal en schip dreigt verpletterd te worden, de alarmroep van iemand tussen twee muren die hij als de wangen van een bankschroef op zich af ziet komen.
De dichter staat namelijk onder verdenking en wordt aangeklaagd. Door wie?
Dat horen we niet. Verderop in het lied is nogal nadrukkelijk sprake van de slechtaards van allerlei soort. Inderdaad vormen die het ene vuur en de ene muur die David uit de buurt wil blijven.
Maar deze mensen zullen hem toch wel niet in staat van beschuldiging gesteld hebben. Bijvoorbeeld omdat David niet net als zij alles uit zijn leven haalde wat erin zat. En als ze daar al een beschuldiging van gemaakt zouden hebben dan zou David daardoor toch weinig van zijn stuk zijn gebracht. Hij zou ze vierkant hebben uitgelachen. "Als ik op jullie manier alles uit mijn leven moet halen, door als een egoïstische graaigraag rond te gaan, geef mijn portie dan maar aan Fikkie". Nee, maar wie zaten hem dan zo op de hals?
Te slap
Ik denk - maar dat moet een vermoeden blijven, al is het een vermoeden dat nergens door het lied zelf wordt weerlegd; je kunt de psalm zo gebruikendat dat mensen waren die zich net zo sterk als David over de veelsoortige slechtheid van hun tijd opwonden en zich er even fel als hij tegen kantten.
Maar ze vonden dat David er te weinig tegen deed. Ja, hij was wel koning en hij behartigde als zodanig de rechtspraak. Maar hij had daarbij zijn duidelijke beperkingen.
Hij kreeg niet alle ongerief weg. Bij lange niet! En dat stak de rechtvaardigheidsmaniakken die David ter anderer zijde om zich heen had. De zonen van Zeruja bijvoorbeeld over wie we horen in Davids levensverhaal. Ze vonden dat David veel te slap was en eigenlijk stond hij daardoor bij hen onder verdenking dat hij met die slechterikken gemene zaak maakte. Hij legde zich te gedwee bij het bestaan van de valsaards neer en 'zat' in die zin 'bij hen neder' (vs 4). David zou, zo vonden zij, als koning de totale revolutie tegen het kwaad af moeten kondigen. Als je nu de macht gekregen hebt dan moet je die ook gebruiken, zeiden ze. En David deed dat wel, maar niet genoeg. Lang niet genoeg, was hun kritiek. Nee, ze dachten niet dat hij zelf een schurk was. Er treedt immers bepaald geen schurk naar voren uit de woorden die hij in dit lied spreekt. Dat wisten zijn kritici ook wel. Maar als hij te weinig aan de schurkerij deed dan begunstigde hij het kwaad toch wel. "Die David! Moet je nu zien! Dat vertrouwt maar zo rustigjes op God en dat gaat maar zo kalmpjes naar de kerk! Terwijl de wereld in brand staat! Zo niet in eigen huis dan toch wel bij de buurlanden over de grens. De tirannen houden huis. De moordenaars vergieten bloed. De verdrukkers schoppen de armen dood. De geweldplegers schenden de eer van de vrouw. En jij maar zingen: "Here, ik heb lief de stede van uw huis, de woonplaats van uw heerlijkheid!" (vs 8). Dat kan toch niet?
Doe er toch wat aan! Sluit je aan bij onze gelederen!"
Nodige zelfbeproeving
Dat is wel herkenbaar. Zowel voor de kerk als voor de gelovige. Inderdaad bevinden wij ons in deze wereld tussen de slechtheid in de wereld enerzijds en de revolutie daartegen van de andere kant. De kerk tussen wal en schip, de gelovige tussen twee vuren. De revolutie tracht de kerk en de gelovigen mee te krijgen in haar strijd tegen het kwaad.
Wij echter bedanken ervoor om als christendom een politieke beweging te worden. Tenminste voor de meerderheid van de christelijke kerk gaat dat op en we kunnen daar blij om zijn. We de Heer en verwachten dat daar een sanerende kracht van zal uitgaan op de samenleving. Maar dat levert ons het verwijt van de wereld op dat we heulen met de slechtheid, dat we die wereld stijven in het kwaad.
Met dit verwijt moeten we terdege te rade gaan. Want daar kan het inderdaad op uitlopen. Dat onze 'stilheid en gerustheid' verkapte gemakzucht en onverschilligheid worden. We moeten ons daarop voortdurend beproeven. En mede daartoe staat deze psalm in de bijbel. Want David beproeft zich hier voor Gods oog of hij inderdaad zonder te wankelen in zijn onschuld wandelt, zoals hij zegt (vs 1). Hij vindt dat, maar is het nu ook zo? Of heeft ongemerkt de slechtheid van de goddelozen vat op hem? Bij Uria en Bathseba was dat het geval geweest. Daar zie je David als een goddeloze tyran gewetenloos optreden.
David weet dat. Of hij onze psalm nu vóór of na zijn zonde van ontucht en moord gemaakt heeft, - hij weet dat dit in hem zit. En daarom bidt hij: "Toets mij, HERE, en beproef mij, keur mijn nieren en mijn hart (vs 2). De nieren en het hart staan hier voor de mens naar binnen en de mens naar buiten. De nieren vormen het meest inwendige van de mens en van het hart wordt gezegd dat daaruit de uitgangen naar: het leven zijn. David is te goeder trouw de waarheid en de gerechtigheid toegedaan. Hij is zich van geen kwaad bewust. Maar het is zoals Paulus ergens schrijft: "Ik ben me van niets bewust maar daardoor ben ik nog niet gerechtvaardigd" (1 Korintiërs 4:4). Precies! Ons geweten is wel belangrijk maar het is toch een horloge dat regelmatig naar radiotijd moet worden bijgesteld. Dat is óók een reden waarom we iedere zondaç naar de kerk komen. Omdat het kompas van ons geweten niet helemaal te vertrouwen is. En daarom geeft David de HERE inzage in zijn boeken.
Dode mus
Je ziet David dus met alle kracht die ene muur, dat ene vuur (dat van de slechtheid) uit de weg gaan. Maar dat andere vuur is niet minder gevaarlijk. Dat vuur van de revolutie tegen alle vormen van schelmerij en smeerlapperij. De woede die al het rampzalige in de wereld te vuur en te zwaard wil aanpakken en uitroeien, die is dáárom zo gevaarlijk omdat ze bij de mensen verwachtingen wekt die niet waargemaakt kunnen worden. De communistische revolutie in Rusland is daarvan het grote voorbeeld. Onze eeuw neigt ten einde. Het schip van de mensheid staat op het punt de zee van de twintigste eeuw te verlaten. Aan boord bevindt zich tussen veel andere rommel in een reusachtige dode mus. Het is de communistische revolutie in Rusland waar de mensen blij mee zijn gemaakt en die het grootste deel van onze eeuw in beslag heeft genomen.
Maar overduidelijk is aan het licht getreden dat de wereld van de verdrukten door die revolutie is blij gemaakt met een dode mus. De slechtheid onder de mensen heeft nergens onqerernder huisgehouden dan juist in die landen waar deze revolutie het voor het zeggen had. God blaast in het zelfgemaakte heil van de zogenaamde heilsstaten. Zal dit meegaan als les, de eenentwintigste eeuw in? Het valt te betwijfelen. Nog vind je tot in de kerk toe mensen die met de revolutie flirten en dwepen. Bij oe puinhopen van het marxisme houden ze nog vol dat ze veel op hebben met ~arx en dat die z'n inspiratie eigenlijk aan de bijbel ontleend heeft. Ja ja, zoals een vloeker zijn vloekwoorden aan de bijbel ontleent, zeker! Revolutie is niet de weg waarlangs nood wordt gelenigd.
De massa's die in vertwijfeling naar dit middel grijpen mogen niet veroordeeld worden. Immers: "De onderdrukking zou wel een wijze dol maken", staat in Prediker (7:7). Maar wie ertoe aanzetten hebben meer schuld, zeker wanneer ze dat vanuit komfortabele omstandigheden doen. Verdrukkende goddeloosheid met revolutionair geweld te lijf gaan, het werkt niet. Dat zou, zeker met zo'n geweldige les als die van de twintigste eeuw op zak, voor alle verantwoordelijken vast moeten staan.
Sionsgekte
David heeft zijn kracht niet in het zwaard gezocht. Naar binnen toe niet en naar buiten toe ook niet. "HERE, ik heb lief de stede van uw huis, de woonplaats van uw heerlijkheid" (vs 8). Die hartstocht voor het heiligdom, die typeert David ten voeten uit. Wel drie keer in dit lied komt hij daarop. Behalve in vs 8 ook nog in vs 6 waar hij het heeft over het maken van de omgang rondom het altaar bij het lofprijzende lied en in vs 12 waar hij zegt dat hij zijn God wil prijzen in de samenkomsten.
De tempel, het is de grote passie van zijn leven geweest. Zijn gekte, zou je haast zeggen. Je ziet hem nergens uitbundiger feestvieren dan bij het inhalen van de ark in Jeruzalem.
Natuurlijk heeft de koning ook recht gesproken. Hij heeft naar vermogen het onrecht door recht gekeerd. Lees Psalm 101 maar. Maar hij wist ook dat hij als politiek mens de harten van zijn onderdanen niet kon bereiken. Zijn optreden op dat gebied behield daardoor altijd iets uitwendigs. En daarom ging hij dan ook in dat rechtdoen en rechtspreken niet op. Het was om zo zeggen zijn linkerhandswerk. Met zijn rechterhand, dat wil zeggen: naar de diepste aandrang van zijn hart, heeft hij zich ingespannen om de ark en de dienst der verzoening midden in het volksleven te plaatsen.
Daar heeft hij, ook voor zijn volk, alles van verwacht. Dat de mensen zouden leren op deze God die zelfs een middel tegen de zonde wist, hun vertrouwen te gaan stellen. Met name daarin is hij zijn volk voorgegaan.
Nur eine Passion
En dat is nóg de kracht van de kerk. Natuurlijk bidden wij in de kerk voor de overheden en hun recht doen. Ook in internationaal verband. Wij willen op z'n tijd zelfs zedemeesteren. Naar binnen en naar buiten toe. Maar ons hart ligt daar niet. Dat is niet omdat wij onbewogen zijn met het lot van de verdrukten, maar juist omdat hun ellende ons ter harte gaat. Wij willen hun niet ook nog de ellende van een teleurgestelde hoop bezorgen en hen niet afschepen met de dode mus van de revolutie. Wij willen daarom de evangelieverkondiging in de wereld met alle kracht bevorderen. Dat is onze 'nur eine Passion' (slechts één hartstocht) waar Zinsendorf het al over had. Want die boodschap van het evangelie stelt niet teleur. Zoals de liefde tot het Immanuël-geheimenis David nooit beschaamd heeft. Maar, zoals gezegd, ook deze keus voor 'stilheid en gerustheid' is niet zonder risiko. Het kan alles in gezapigheid ontaarden en dan schuiven we zonder dat we het merken op naar het leven van de zondaars en de bloedvergieters "aan wier handen misdaad kleeft en wier rechterhand vol is van smeergeld en steekpenningen" (vss 9 en 10). Daarom is en blijft nodig het gebed dat uit de zelfbeproeving te voorschijn komt: "Raap mijn ziel niet weg met de zondaars". Wat komt het erop aan! Wij moeten als kerk op dit punt dan ook streng zijn. Wie in de christelijke gemeente slecht is voor de vreemdelingen (bijvoobeeld), hen uitbuit en verdrukt, kan erop rekenen dat hij onder de tucht komt en van het avondmaal wordt geweerd. Maar wie de verdrukten der aarde aanzet tot revolutie niet minder. We moeten en willen ons van beide kwaden vrijhouden om beschikbaar te zijn voor de liefde tot Gods huis, dat is tot Christus en zijn evangelie.