'Is' of 'zij' of allebei?
1992-09-25
'Toe-eigening des heils'- Jaargang 36
- nummer 20
Ds. De Jong schreef in Opbouw van 11.9.92 over het zegenwoord aan het einde van onze erediensten. Hij vertelde eens te hebben meegemaakt dat een dominee bij die zegenbede niet zei: de genade ... zij met u allen, maar nadrukkelijk is met u allen.
Het artikel als geheel ging over het geschil dat er tussen christelijke gereformeerden en ons bestaat over de 'toeëigening des heiis'. Ds. De Jong vond dat dominees door in de slotzegen nadrukkelijk te zeggen IS in plaats van ZIJ, het misverstand in de hand werken dat er bij ons, zoals de chr. geref. het uitdrukken, 'te gemakkelijk' of 'te spoedig' gedacht wordt dat het tussen God en ons wel goed zit, en dat er geen reden zou zijn om ons af te vragen of dat wel echt zo is.
"Met dat 'is' of 'zij' in de zegen is inderdaad de toeëigening des heils in het geding, op een heel gevoelig en voor ieder herkenbaar punt", schreef Ds. De Jong (bI.336, koI.2).
De situatie van een kerkdienst Helaas vrees ik dat Ds. De Jong wel eens gelijk zou kunnen hebben als hij (m.i. een ietsje overdreven) zegt dat dit een heel gevoelig en herkenbaar punt is, 'voor ieder'.
Als dat inderdaad zo bij veel gemeenteleden zo zou zijn, dan zou ik een kritische kanttekening willen maken bij deze toestand. Daarbij allereerst nog even die situatie duidelijk geschetst. Het gaat over de situatie, dat er een gemeente van Christus bijeen is in een kerkdienst, waarin op schriftgetrouwe wijze het volle evangelie is verkondigd. Die situatie is mede door dit laatste gekenmerkt, en voorts ook door het actuele, levende geloof der gemeente. Niet door een theoretisch 'verondersteld geloof', maar door het serieus te nemen feit dat de gemeente een vergadering van gelovigen is, mag zijn en behoort te zijn. Mensen, die ook in deze kerkdienst gelovig geluisterd hebben naar de beloften van het evangelie inzake de liefde en trouw van God jegens zijn volk.
Als gelovigen weten zij, dat zij die beloften Gods gelovig behoren aan te nemen, en dat de Here dat ook van hen verwacht. Welnu, in deze sfeer en situatie van wederzijdse liefde en wederzijds vertrouwen tussen God en zijn volk, tussen Christus en zijn gemeente, maakt het totaal niets uit of het zegenwoord in de vorm van een stellige mededeling tot ons komt, dan wel in de vorm van een zegenbede of zegenwens. Maar er zijn situaties waarin het wel wat uitmaakt.
Een theologische situatie
Niet in, maar buiten, voor of na een kerkdienst is er een principieel andere situatie mogelijk, waarin gelovige deskundigen en theologisch geïnteresseerden gaan nadenken en eventueel discussiëren over de vraag of je in het zegenwoord aan het eind van de kerkdienst moet zeggen: de genade ... 'zij', of 'is' met u allen. In zulk een situatie van bezinning, die-we een gespreks- en discussiesituatie kunnen noemen, verkeren op dit moment de lezers van dit stukje en ikzelf. We zijn dan direct betrokken op zuiver en logisch denken en op nauwkeurig formuleren en argumenteren.
Wanneer maakt het wel wat uit?
In deze situatie maakt het wel degelijk wat uit hoe wij die andere situatie, die zegen aan het einde van een kerkdienst, bezien en onder woorden brengen. Het gaat een heel verschil uit maken, wanneer we als gelovige, en zojuist getrooste en bemoedigde en gewaarschuwde gemeente de actuele beleving van onze liefdes- en geloofsgemeenschap met onze Heiland en de directe betrokkenheid op Hem, een poosje verwisselen voor een gedistantieerde theologische (wetenschappelijke) denkhouding, met een directe betrokkenheid op correct logisch denken, exact formuleren, en wat dies meer zij. Want dan komt het er heel precies op aan dat we een indicatief niet verwarren met een optatief, dat we geen stellige 'is-zin' gebruiken als we juist die stelligheid en zekerheid verbinden moeten met de theoretisch onzekere factor of wel iedereen in de gemeente de beloften Gods gelovig omhelst, en dienovereenkomstig begeert te leven. Als we die onzekerheidsfactor in rekening brengen (en in de theoretisch-theologische distantie kàn dat), kunnen we de stelligheid van het 'is met u allen' in de kerkdienst niet gebruiken en moeten we uitdrukkelijk spreken ven een zegen-bede of zegen-wens, waarin, en omdat, rekening gehouden zou moeten worden met de mogelijkheid dat het niet klopt, dat Gods zegen inderdaad niet 'met ons allen' IS, dat we het hoogstens kunnen hopen, wensen of bidden.
'Dit Uw kind'
Dat alles herinnert mij aan de beginjaren veertig. Toen werden in het dankgebed na de doop de woorden "dit Uw kind" door sommigen (theologisch) als 'bewijs' gehanteerd, dat je volgens het doopformulier de wedergeboorte moest 'veronderstellen'. Anders kon je niet zo stellig tegen God zeggen: "dit Uw kind".
Anderen waren gewoon dankbaar, gelovig en (dus) ook voorbede doende in een serieus gebed, wetende dat het ook met dit kind van God niet allemaal 'vanzelf' goed zal komen. Daarbij werd de baby op de armen gedragen en a.h.w. blij en biddend aan God getoond: "dit Uw kind". Weer anderen spraken hier daarom van 'objectivisme', omdat veronderstelde wedergeboorte nog geen (objectief?) vastgestelde wedergeboorte was. Nog weer anderen hielden een slag om de arm en dekten zich naar twee kanten met de theorie dat er 'tweeërlei kinderen Gods' en 'tweeërlei kinderen des Verbonds' zijn. Geen theologie in de kerk Een grote en tragische fout bij dat alles was m.i. niet dat sommigen (aan beide zijden van het front!) een min of meer aanvechtbare, of ook een goede, theologie hanteerden, maar dat men überhaupt bij het doopvont aan theologische theorievorming deed. Of, nog erger, eigen en anderer geloof vereenzelvigde met of baseerde op theologische beschouwingen.
Dat was erg, ongeacht of dat nu een of andere (misschien wel juiste) verbondstheorie was, of een theorie over veronderstelde wedergeboorte of een theorie over 'toe-eigening des heils'.
Dat alles was geen blij en actueel beleven en ervaren van Gods liefdevolle bemoeiing met 'ons en onze kinderen', met name bij een doopsbediening, maar dat was theoretiseren op een ongelegen moment, in een niet-theologische situatie, in een kerkdienst. En dat nog wel op een hoogtepunt van het geloofsgemeenschap oefenen met God in een directe betrokkenheid op de ons aansprekende God zelf. Daar en dan is het ongepast wetenschappelijke theoretische distantie in acht te nemen tegenover de ons met beloften aansprekende God. Hier past ons niets anders dan het apriorisch beamen van de blijde boodschap en het biddend daarop appelleren. En zeker niet een theologie van de zelfverzekerdheid of een theologie van het wantrouwen of van het twijfelend maar hopen.
Conclusie
Zoals gezegd: in de actuele geloofssituatie van de omgang met onze God in een kerkdienst, is Gods belofte voor ons zekerheid, en is het Gods wil en verwachting dat wij Hem gelovig vertrouwen en dienen. AI naar gelang het een of het ander voorop gesteld wordt, al was het maar omdat je geen twee dingen tegelijk kunt zeggen, kan het zegenwoord een zegenbede zijn, of een zegenwens of een zegen die wordt 'opgelegd' (met of zonder zegenende handgebaren).
Kan 'is' gezegd worden of 'zij', altijd, of nu eens het een en dan weer het ander. Maar het is beide, en altijd, fout als in de kerk geabstraheerd wordt van de concrete en actueel functionerende geloofsrelatie tussen Christus en zijn gemeente.
Een theologische standpuntbepaling hierover kan in een studeerkamer of in een krant zinvol zijn, maar niet in de eredienst, ook niet in de verkapte vorm van een nadrukkelijke en consequent volgehouden keuze voor 'is-zinnen' met principiële verwerping van het 'zij'. Of omgekeerd. Het bovenstaande, en vrijwel al mijn andere artikelen in Opbouw samenvattend: geloof is geen theologie, en theologie (ook goede theologie) is geen geloof. Ze kunnen allerlei verbindingen met elkaar hebben, maar ze moeten wel uit elkaar gehouden worden.
Een gemeente van Christus die verschraalt en ontaardt tot een theologenkerk ontbindt zichzelf en valt vroeg of laat in brokstukken en splinters uiteen. De geschiedenis alleen al bewijst het. Met name in de orthodoxie.