Drie oudtestamentische sleutels op sloten van het boek Openbaring
1992-09-25
In een vorig artikel 1wees ik de uitleiding van Israël uit Egypte aan als een van de hoofdmotieven die in de Openbaring aan Johannes de uitbeelding beheersen van wat de kerk van zijn dagen te wachten staat met betrekking tot haar joodse onderdrukkers. In verband daarmee zou ik nog willen wijzen op enkele dingen die naar het mij voorkomt van belang zijn voor het verstaan van een onder christenen zeer omstreden passage in de Openbaring, nl. het gedeelte uit hfdst. 20 dat spreekt over de opsluiting van Satan gedurende duizend jaar.- Jaargang 36
- nummer 20
Een opgeslokte watenboom
Dan gaan we allereerst naar Op. 12, 13-16. De draak achtervolgt de vrouw, die naar de woestijn vlucht, maar kan haar niet te pakken krijgen, omdat God haar de twee vleugels van den groten adelaar geeft. (Dat is, zoals ik al zei, een zinspeling op Ex. 19,4 en Deut. 32,11.) Dan spuwt hij haar water achterna, een rivier gelijk, met de bedoeling dat de daardoor weggesleurd zal worden. Maar de aarde komt de vrouw te hulp en slokt die rivier op.
De uitleggers zitten met de vraag, wat ze zich bij dit gebeuren concreet moeten voorstellen. Wat is die grote waterstroom, die door de aarde wordt verzwolgen?
Sleutel nr. 1
Ik heb een suggestie. In het OT wordt nl. nogal eens een aanrukkende legermacht vergeleken met een waterstroom".
Zou hier dan niet het leger van den Farao bedoeld zijn, waarmee deze het in de richting van de woestijn trekkende Israël achtervolgde? Van dat leger heet het immers in het lied van Mozes: "de aarde verzwolg hen", Ex. 15,12.
Het beest uit de zee gevonnist
Vervolgens vraag ik aandacht voor het slot van hfdst. 19, t.w. de verzen 19-21, handelend over de overwinning van Christus (vgl. vv, 11-13) op het beest uit de zee, dat in 13, 1 was komen opdoemen, en diens trawant, den véi;)jsenprofeet, voor het eerst opgedoken in 13, 11.
Zoals vele exegeten reeds hebben aangewezen, had Johannes vanaf het begin van hfdst. 12 te zien gekregen, wie op de achtergrond de eigenlijke strijdende partijen zijn in het conflict tussen de jonge christenheid en het jodendom dat Christus verwerpt. Ten diepste vecht de Heere God zijn conflict met den Satan uit.
Sleutel nr. 2
Wanneer nu de verdrukker van Gods heiligen, t.w. het machtsblok van het joods nationalisme, zoals zich dat aan het einde van de jaren zestig van de Romeinen onafhankelijk trachtte te maken 3, ons wordt afgebeeld als een zeemonster, dan herleeft ook daarmee een beeldspraak die ons uit oudtestamentische beschrijvingen van het uittochtsgebeuren bekend ls.Herinnerd aan Gods vernietiging van Farao's legermacht zegt de dichter van Ps. 74: 13 "Gij zijt het die de zee hebt gekliefd door uw kracht, de koppen der draken in het water verbrijzeld. 14 Gij zijt het die de koppen van den Leviathan hebt vermorzeld, hem aan het woestijngedierte tot spijze gegeven".
(N.B. Dit laatste trekje, het prijsgeven van Farao's soldaten aan de aasvogels, krijgt in Op. 19 uitvoerig aandacht: vv, 17.18 en v. 21.) Leviathan is de zeedraak. In babylonische scheppingsmythen komt hij voor als chaos-monster. Maar Israël bezigt die naam voor de grootmacht die Gods volk onderdrukt.
Een tweede naam voor zo'n monster is Rahab. En ook van hem heet het, dat God hem in de Rode Zee heeft "neergehouwen en doorboord", Jes. 51, 9,10. Opmerkelijk is verder, dat de naam 'Leviathan' terugkeert als aanduiding van Assyrië, dat het tienstammenrijk wegvoerde; en wel dán, als de Heere de bevrijding van zijn volk uit de hand van dezen wreden onderdrukker aankondigt: "Te dien dage zal de Heere met zijn fel, groot en sterk zwaard bezoeking brengen over den Leviathan, de snelle slang, over den Leviathan, de kronkelende slang, en hij zal het monster in de zee doden", Jes. 27, 1. Dan herstelt de Heere zijn 'wijngaard' Israël (v. 2), die een tijdlang was "afgevreten door het everzwijn uit het woud" (Ps. 80, 14). Aan die toestand komt dan een einde: "Ik, de Heere, zijn behoeder, zal hem aldoor drenken; opdat niets hem beschadige, zal Ik hem dag en nacht behoeden" (v.3).
Draak en vrouw
Aan het eind van Op. 19 staat dus, om zo te zeggen, het 'Israël Gods' aan de overkant van de 'Rode Zee' en ziet de 'Egyptenaren' dood op de oever der zee liggen (Ex. 14,30). Dit nieuwe Israël is aan het slot van Op. 19 op hetzelfde punt beland waar we het ook in het visioen van Op. 12, 16 al aantroffen 4', Vandaar mijn vraag: zou dan het aan de ketting leggen van "den draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan", waarmee hfdst. 20 vervolgt, niet te identificerèn zijn met de situatie die Op. 12 aldus beschrijft: dat "de vrouw een plaats van God krijgt in de woestijn buiten het gezicht - en dat is toch zoveel als: buiten het bereik? - van de slang" (v. 14)?Zeker, in zijn uitdrukkingswijze benadert hfdst. 12 de verhouding draak-vrouw van een andere kant dan hfdst. 20. Hfdst. 12 zegt: de vrouw krijgt een onderkomen waarin de draak niet kan doordringen.
Hfdst. 20 zegt: de draak krijgt een onderkomen van waaruit hij de vrouw niet kan bereiken. Maar inhoudelijk zijn deze twee voorstellingen toch zeer wel met elkaar te rijmen?
De binding van Satan gepreciseerd
Tegen deze uitleg, volgens welke de oude slang sinds 70 gekerkerd zou zijn, is vaak aangevoerd, dat deze afspringt op het woord uit 1 Petr. 5, 8 "de duivel gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wien hij zal versllnden"." Men heeft die uitleg zelfs met zeer bittere en schampere woorden afgedaan. Zo haalt Visser de uitspraak aan, door een adventist gedaan in december 1944 (de laatste oorlogswinter): "Als we op het ogenblik in het duizendjarig vrederijk leven, dan kunnen ze van mij de hemel cadeau krijgen". Toch denk ik, dat deze kritiek niet steekhoudend is. De context geeft immers aan, waarin de Satan wordt belemmerd: het verleiden van de volkeren (v. 3); en v. 8 voegt daaraan nog toe: het bundelen van die volkeren tot de oorlog tegen Gods gemeente. Deze nadere bepaling houdt toch al een beperking in van Satans gemis aan bewegingsvrijheid. Wij moeten deze straf lezen tegen de achtergrond van wat zich zojuist heeft afgespeeld.
Satan had, evenals in de dagen van Mozes, een politiek-militaire macht ertoe opgehitst Gods volk uit te roeien. “Dát zul je voorlopig niet weer doen", zegt de Heere dan tegen hem. De kans voor een poging Gods kerk van de aardbodem weg te vagen krijgt hij in lange tijd niet meer. De vrouw houdt hier een plaats, haar door God bereid. Het bestaan van de kerk op aarde moet vooreerst verzekerd blijven.
Dát beoogt God met de binding van Satan. Niets minder. Maar ook niets meer. Daarmee is dus niet gezegd, dat de Satan hier op aarde geen trawanten meer heeft rond lopen die het den christenen knap lastig kunnen maken en ook buiten de christelijke gemeente heel wat ellende kunnen aanrichten. Denk alleen maar aan de Dood. Pas na den Satan wordt die in de vuurpoel geslingerd (20, 14). Hoeveel mensen heeft deze duivelsdienaar weggemaaid, ook toen de oude slang gevangen zat!
Om kinderen te sussen
Zijn vrijheidsbeperking is dan toch wel erg fors getekend, zult u zeggen. Alle vier fasen worden elk expres genoemd: aan de ketting; de put in; het deksel op slot; een zegel erbovenop. Het kan niet op!
Jawel, maar vergeet niet, dat de eerste intentie van de Openbaring is Gods kinderen in de druk van toén voor de toekomst te bemoedigen, niet ons vandáág een theologisch uitgebalanceerd beeld van Satans positie te geven. Ter bemoediging van hén dienen toch ál die blikken in de toekomst (vgl. 7,17; 14, 1-3; 15,2-4). En dan is de Heere er niet te groot voor om deze 'kleinen' in krasse bewoordingen gerust te stellen: "de boze wolf zit straks gevangen tussen tienduizend tangen!".
Het duizendjarig rijk
Op heel het theologische warnet dat in de loop der eeuwen aan Op. 20 is vastgeknoopt, zal ik niet ingaan. Wie er een overzicht van wil, kan bij tal van commentaren op dit laatste bijbelboek terecht. Slechts enkele opmerkingen. Het cardinale punt voor het verstaan van heel de Openbaring, maar met name ook voor het verstaan van hfdst. 20 is het inzicht dat dit boek betrekking heeft op het strafgericht over het den Christus verwerpende jodendom in de jaren 66-70 na Chr. 8In 19, 11 is nl. sprake van de verschijning van Christus, evenals reeds eerder in 14, 14. Hij is het die, als veldheer te paard gezeten (v. 11), met zijn (engelen)Ieger de strijd aanbindt tegen het beest uit de zee en diens legermacht (v. 19) en dezen vijand vernietigt (w. 20.21).
Als wij nu - en dat was, voorzover ik weet, tot voor kort de algemeen heersende opvatting - die komst van Christus in 19, 11 (en 14, 14) betrekken op het wereldeinde, dat wij nog verwachten, dan heeft dat zijn consequenties voor de datering van het duizendjarig rijk. Als men nl. de gebeurtenissen van hfdst. 20 leest als volgend op die van hfdst. 19-
en alles pleit daarvoor, zoals we straks nog zullen zien - dan komt men onvermijdelijk tot de opvatting, dat de periode van die duizend jaar voor ons nog in het verschiet ligt.
Op het voetspoor van Augustinus heeft zowel het westerse na-augustijnse katholicisme alsook het merendeel van de reformatorische christenen die laatste opvatting prijsgegeven en gezegd: het duizendjarig rijk is 'de tijd der kerk'.9Als aanvangsdatum van deze periode nam men of wel de Pinksterdag aan ofwel het moment waarop Constantijn de Grote tot het Christendom overging. Maar tegelijkertijd bleef men vasthouden aan de 'eindtijdelijke' uitleg van Christus' komst, zoals die in 19, 11 en 14, 14 wordt getekend. Daarvoor heeft men - nog afgezien daarvan, dat de keuzen voor de genoemde begin-data geen van beide zijn hard te maken - de orde dergebeurtenissen, zoals in Op. 19 en 20 getekend, geweld moeten aandoen. Volgens genoemde hoofdstukken krijgt men achtereenvolgens: 1) de vernietiging van het beest uit de zee en van diens trawant, den leugenprofeet; 2) de binding van den Satan; 3) de loslating van den Satan en de strijd met Gog en Magog; 4) het vonnis over Satan; 5) het eindoordeel. Op het augustiniaanse standpunt echter komt de binding van Satan als nr. 1 in deze reeks te staan; immers die zou er dan reeds zijn ver vóór de eindtijdelijke gebeurtenissen 1, 3, 4, 5.
Het overhoop gooien van de in 19 en 20 opgegeven orde is echter volstrekt onmogelijk, als men rekening houdt met de lijn die dit laatste bijbelboek ons van het optreden van Satan tekent. Immers: eenmaal uit de hemel geworpen (12,9) gaat de Satan de kinderen van de vrouw bestrijden (12, 13.17). fiij creëert daartoe een zeemonster (13,1) en ter assistentie daarvan een leugenprofeet (13,11). Nu worden die laatste twee aan het slot van hfdst. 19 vernietigd: Daarmee is de Satan, de oude slang, om zo te zeggen weer terug bij af; bij het punt dus, waar hij in 13, 1 startte. In de ondergang van zeemonster en profeet is Satans toeleg van 12, 17 mislukt.
Wat verwachten we dan vervolgens ánders te horen dan wat er nu met hemzelf gebeurt? Nu, op dié vraag geeft hfdst. 20 inderdaad het antwoord. Al verder: de strijd van 20, 9 volgt - dat is onweersprekelijk - op Satans loslating (20, 7); en deze loslating veronderstelt diens binding (20, 1-3) als eerder.
Hoofdstuk 20 geeft dus in binding van, loslating van, oorlog met, overwinning op en bestraffing van den Satan een chronologisch continue reeks van gebeurtenissen te zien. Als dan bij de laatste van die gebeurtenissen (20,10) gezegd wordt- nl. bij het in de vuurpoel werpen van Satan: "daar waren het beest en de valse profeet ai", wat een duidelijke terugverwijzing is naar de gebeurtenis aan het slot van hfdst. 19(v. 20 nl.) en daarmee die gebeurtenis aan de reeks van hfdst. 20 laat voorafgaan, dan is het toch een niet te verantwoorden noodsprong, wanneer men alleen de binding van Satan tussen de ondergang van zijn groten satelliet (het beest) in 19 slot en zijn eigen verdere lotgevallen (20, 7-10) uitlicht en talloze eeuwen naar voren haalt?
Sleutel nr. 3
Daar is echter nóg iets dat ons doet besluiten de binding van den Satan te laten staan tussen de vernietiging van het beest (d.i. van de Israël verdrukkende macht) en de eindstrijd tegen Gog. En nu betrek ik ook de woorden uit 20,4 in mijn overwegingen: "en (ik zag) de zielen van hen die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en om het woord van God, en die noch het beest noch zijn beeld hadden aangebeden en die het merkteken niet op hun voorhoofd en op hun hand ontvangen hadden; en zij werden weder levend en heersten als koningen met Christus, duizend jaren lang".
Wat is nl. het geval? De figuren 'Gog' en 'Magog' (20, 8) zijn onmiskenbaar ontleend aan de hoofdstukken 38 en 39 van Ezechiël. Nu vinden we in het daaraan voorafgaande hoofdstuk (37) het visioen van de herlevende doden. En dat heeft betrekking op Israëls terugkeer uit ballingschap.
In vers 12-14 heet het: "Zo zegt de Here HERE: ·zie Ik open uw graven en zal u uit uw graven doen opkomen, 0 mijn volk, en u brengen naar het land Israëls. En gij zult weten, dat Ik de HERE ben, wanneer Ik uw graven open en u uit , uw graven doe opkomen,O mijn volk. Ik zal mijn Geest in u geven, zodat gij herleeft, en Ik zal u doen wonen in uw land; en gij zult weten, dat Ik, de HERE, het gesproken heb, luidt het woord des HEREN". In het dan volgende gedeelte (w. 15-28) wordt deze visionaire uitdrukkingswijze ('opstaan uit het graf') omgezet in 'rechte en slechte' taal: "Zo zegt de Here HERE: zie, Ik haal de Israëlieten weg uit de volken naar wier gebied zij gegaan zijn; Ik zal hen van alle kanten bijeen verzamelen en hen naar hun land brengen" (v. 21). 'Opstaan uit de dood' is hier dus: bevrijd worden uit de verdrukking van de ballingschap'?
Nu, tegen dit uit de macht van Babel bevrijde volk, "tegen een volk dat uit het gebied van vele volken bijeengebracht is op de bergen Israëls"; tegen de Israëlieten die "uit de volken zijn uitgeleid en allen lnqerustheid wonen" zal "na geruime tijd" Gog optrekken (38, 8). Men lette op de volgorde der gebeurtenissen: 1) Opstanding van Israël uit de dood (= bevrijding uit de verdrukking, in Assur en Babel ondergaan); 2) 'een geruime tijd' van 'wonen in gerustheid'; 3) de aanval van Gog. Leg daar Op. 20 eens naast:
1) Opstanding uit de dood van Gods kinderen die aan de verdrukking door het beest uit de zee waren bezweken;
2) 'duizend jaren' waarin de vrouw rust heeft van de slang;
3) de aanval van Gog.
Conclusie: aan de orde der gebeurtenissen, zoals die uit Op. 19/20 is af te lezen, t.w.:
1) Christus komt het beest uit de zee vernietigen;
2) laat de onder diens regiem vermoorden weer opstaan;
3) laat den Satan binden voor de tijd van duizend jaren, waarin dit herleefde Israël met Hem regeert;
4) gaat dan den laatsten strijd met hem aan, valt, gezien de zinspeling op Ez. 37-39 niet te tornen.
En de enige oplossing voor de moeite die men hier met de tijdsorde had, ligt m.i. in het aanvaarden van de door ons gegeven uitleg: dat de komst van Christus in 19, 11 (en 14, 14) niet zijn 'eindtijdelijke' komst is, die wij nog verwachten, maar zijn komen in 70 om Jeruzalem te oordelen."
Ter afsluiting
Hiermee hoop ik de onder ons meest gangbare, maar hopeloos zwak staande exegese van de 'duizend jaren' met behulp van oudtestamentische motieven, die het boek Openbaring zelf ons aanreikt, stevig te hebben verankerd. En tevens de aanvangsdatum van die 'duizend jaren' nader te hebben gepreciseerd.
En wat de dwalingen van de chiliastenbetreft: ze blijken elk houvast in Op. 20 te missen. Niettemin past ons, gereformeerden, enige terughoudendheid in het afgeven daarop. Laten we nl. niet vergeten, dat wij samen met hen in het misverstand gevangen zaten, als zou op het einde áller tijden te betrekken zijn wat in feite op het einde van de joodse macht in 70 slaat. En uitgaande van die dwaling hebben de praemillennaristische chiliasten tenminste de orde der gebeurtenissen in Op. 19/20 intact kunnen laten, terwijl ónze (augustiniaanse) - op zichzelf ten naaste bij juiste - datering van het duizendjarig rijk binnen het raam van die dwaling met de context van de desbetreffende tekst op zeer gespannen voet stond. Eerlijk is eerlijk!
Noten
1 Het boek des levens en de boekrol uit Op. 5, Opbouw, 36e jrg., nr. 16, blz. 293-295.
2 Vgl. o.a. Jer. 46, 7.8 "Wie is het die komt opzetten als de Nijl, wiens wateren bruisen als rivieren? Egypte komt opzetten als de Nijl, terwijl de wateren bruisen als rivieren, en zegt: Oprukken zal ik ..."; 47, 2.3 "Zie, wateren komen opzetten uit het Noorden en worden tot een overstromende beek; zij overstromen het land met al wat zich erop bevindt, de stad met inwoners en al, zodat de mensen schreeuwen en al de bewoners van het land jammeren, op het geluid van het stampen van de hoeven zijner paarden, het ratelen zijner wagens, het gedreun zijner wielen"; Ps 124: had de HERE ons niet gered, "toen mensen tegen ons opstonden" (v. 2), "dan hadden de wateren ons overstroomd, een wilde beek ware over ons heengegaan" (v. 4) Ook van God wordt, als Hij zich uitrust tot de strijd (Jes. 59, 17.18), gezegd: "Hij komt als een onstuimige rivier" (v. 19).
3 Als van dit beest gezegd wordt, dat het "een dodelijke wond had, die tot verbazing van heel het land genas" (13,3.12) of ook, dat het "een wond van het zwaard had, maar weer levend was geworden" (v. 14), dan zal dat slaan op het herstel van Israël als politiek-militaire macht. Bij de wegvoering in ballingschap was Israël als zelfstandige, onafhankelijke politieke en militaire grootheid van de kaart verdwenen. Maar in de opstand tegen de Romeinen herleeft het als zodanig, zij het voor zeer kort.
Met enige variatie komt deze tekening terug in het visioen van hfdst. 17: "Het beest dat gij zaagt, was en is niet, en het zal opkomen uit de afgrond en het vaart ten verderve; en zij die op de aarde wonen (Of: in het land wonen) ... zullen zich verbazen, als zij zien, dat het beest was en niet is en er toch zal zijn" (v. 8). Als de 'vrouw' op dát beest zit, betekent dit: Israël, de bruid, heeft - in plaats van zich te hechten aan den bruidegom Christus - zich verslingerd aan het streven naar aardse macht, die zich dan gaat keren tegen Gods ware kinderen.
4 In 12, 1-16 zijn ons nl. in vogelvlucht de gebeurtenissen geschetst tussen Christus' geboorte en de verwoesting van Jeruzalem. (Let er b.v. op, hoe heel het aardse leven van Jezus, tussen geboorte en hemelvaart, niet eens genoemd word!.) Vanaf v. 17 krijgen we dan meer in détails te horen, hoe de draak "zijn strijd had gevoerd tegen wat de vrouw verder - d.i. behalve Christus, zie v. 5 - nog aan kinderen had". Johannes doet daar even een 'stap terug'; en wij zouden er goed aan doen, hier in de vertaling de voltooid verleden tijd te gebruiken: "De draak was nl. boos geworden op de vrouw en was eropuit getrokken om oorlog te voeren ...''. We krijgen dan te horen, hoe die strijd tegen de vrouw, in v. 13 in 't kort genoemd, nu precies in z'n werk was gegaan.
5 Vgl. behalve Op. 6, 16 ook de Stat.Vert. in Gen. 35,1.7; Ex. 2, 15; 14,25.
6 Zo o.a. Drs. W.G. Rietkerk, De aarde en haar toekomst, Kampen 1991, blz. 78. Ofschoon ik hem op het punt van het duizendjarig rijk bestrijd, heb ik veel waardering voor de teneur van zijn boek.
7 A.J. Visser, De Openbaring van Johannes, Nijkerk 1975, blz. 237.
8 Ofschoon ik onafhankelijk van hem, en langs een andere weg, nl. vanuit Mt. 24, tot dit inzicht ben gekomen - zie mijn artikelenreeks De zeven
zegelen, Opbouw, 19de jrg., blz. 330, 338, 346, 354, 362, 370, 378 - geef ik graag volmondig de eer van deze doorbraak in de exegese van Openbaring aan Dr. C. van der Waal. Hij was nl., voorzover mij bekend, de eerste die deze idee publiceerde. Het deed mij goed, dat Visser (zie de vorige noot), ofschoon hij Van der Waals gedachte verwerpt, dezen niettemin prijst om zijn "grote mate van belezenheid en scherpzinnigheid" (blz. 273). Ook C. Vonk, De Openbaring van Johannes (De voorzeide leer I Z), Amsterdam 1991, volgt op sommige punten Van der Waals mening.
9 Ik ontleen dit gegeven aan Visser, a.w., blz. 237.
10 Dezelfde beeldspraak gebruikt ook Jesaja van het komend herstel uit de ballingschap; en wel vlak vóór de toezegging die we boven citeerden uit Jes. 27, 1, dat de Heere Leviathan zou verdelgen, t.w. in 26,19: "Herleven zullen uw doden - ook mijn lijk -, opstaan zullen zij".
11 Ik heb er begrip voor, dat men aan deze gedachte even moet wennen. Toch zijn er behalve de frappante correspondentie tussen Mt. 24,29-31 en Op. 6, 12 - 7,3, waarop ik in mijn in noot 8 genoemde artikelen wees, tal van aanwijzingen, dat het in het boek Openbaring over de ondergang van Jeruzalem gaat. Zoals ik in mijn in noot 1 aangehaald artikel opmerkte, wordt Jeruzalem in 11,8 benoemd met namen van een stad die - en van een land dat verwoest is, nadat Gods kinderen daaruit gehaald en in veiligheid gebracht zijn. Deze trek nu heeft 'Babylon' niet alleen met Sodom en Egypte gemeen, maar wordt uitdrukkelijk van haar vermeld: 18,4.
'Babylon' wordt voorts gestraft, "omdat in haar het bloed van profeten en heiligen is gevonden" (18,24; vgl. 17,6 en 19,2). Nu, het is toch Jeruzalem dat het monopolie van profetenmoord bezit (Lc. 13, 33)?
Op één punt wil ik in verband met het pas behandelde Op. 20 nog wijzen. Wij mogen - zoals ook Van der Waal heeft betoogd - de brieven aan de zeven gemeenten niet isoleren van de visioenen die volgen. Als nu in Op. 20, 4 "degenen die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en om het woord van God ... weer levend worden", en vervolgens van hen gezegd wordt, dat "de tweede dood over hen geen macht heeft" (v. 6), wat is dit dan anders dan de vervuiling van de belofte uit 2, 10.11 "Wees getrouw tot de dood; dan zal Ik u de kroon des levens geven ... Wie overwint zal van de tweede dood geen schade lijden"? Maar wie waren daar in Smyrna de instrumenten door wie de duivel deze getuigen van Jezus de dood aandeed? "Zij die zeggen, dat ze Joden zijn, doch het niet zijn" (v. 9) Zij zijn "de synagoge des Satans", d.w.z. de troepenmacht die Satan samentrekt om Gods volk te bestrijden. ('Synagein' in de betekenis 'troepen samentrekken' b.V. in 16, 14.16; 19, 19 en 20, 8.
Overigens wil ik allerminst beweren, dat nu alle problemen in dit laatste bijbelboek als bij toverslag zijn opgelost. Maar wel raak ik er meer en meer van overtuigd, dat we in onze exegese ervan nu eindelijk op het goede spoor zitten.