Ethische vragen (2)
1992-10-09
Maar hoe dan?- Jaargang 36
- nummer 21
Misschien is het goed dat we voor het zoeken naar een antwoord op deze vraag onze inzet kiezen in de brief aan de Galaten. Nu vallen ons in de brief aan de Galaten op zijn minst drie dingen op.
(1) De gemeente van Galatië dreigt een tot in de wortel verdeelde gemeente te worden. Het lijkt alsof er alleen maar bepaalde regels en riten op het spel staan (vooral de besnijdenis), maar in werkelijkheid is het het heil van God zelf. Zonder twijfel is deze brief juist daarom een brief op het scherp van de snede geworden.
De woorden die Paulus in deze brief kiest geven dat ondubbelzinnig aan? 10Hier staat niets meer of minder op het spel dan de rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof alleendus: het hart van het evangelie, dat waarom Paulus ten diepste tot apostel werd geroepen en wat hij, de farizeeër, op zo ingrijpende wijze zelf heeft moeten leren. God rechtvaardigt de goddeloze om niet, uit genade.
(2) Het is daarom niet toevallig dat het slagwoord van de brief aan de Galaten het woord vrijheid 11is.
Rechtvaardig ing-door-het-geloofalleen betekent immers altijd bevrijding. Bevrijding van voorwaarden en verdiensten, werken der wet, die een mens eerst mee moet brengen wil de weg naar God toe open liggen. Paulus gebruikt om aan te geven hoe ingrijpend deze bevrijding is het voorbeeld van de besnijdenis. Zelfs de besnijdenis, het belangrijkste kenmerk van het toebehoren aan het volk van God,zelfs de besnijdenis kan geen voorwaarde, geen toegangsweg tot God zijn. De enige weg die gegeven is, is het kruis van Jezus Christus. Daar baant God zelf de weg tot zichzelf. Daarlangs mogen goddelozen - letterlijk: mensen zonder God - tot God komen. Het geloof daarin is het enige en beslissende.
(3) Pas vanuit deze vrijheid kan het christelijk leven worden geleefd. 12 Daarbij is het opvallend dat deze vrijheid de gemeente niet verdeelt (doordat ieder deze vrijheid als een alibi gebruikt om de weg van het eigenboze! - hart te volgen), maar juist dienstbaar is aan de éénheid van de gemeente (dient elkander door de liefde). 13 Deze enkel omwille van Christus verkregen gerechtigheid maakt mensen niet verwaand en hoogmoedig, zodat zij de ander in de gemeente minachten, maar, integendeel, deze gerechtigheid maakt hen zachtmoedig en verdragend. Zelfs de broeder die op een overtreding wordt betrapt, wordt terecht geholpen in een geest van zachtmoedigheid. Anders gezegd: Wie zichzelf volstrekt weet aangewezen op de genade van God, gunt ook zijn of haar medezondaar een plek in de gemeente van Christus.14De eenheid van de gemeente van Christus vindt immers haar fundament niet in één bepaald, christelijk, levenspatroon maar in de laatste verbondenheid met het kruis van Christus. Het is het kruis van Christus dat vrijmaakt tot dienst aan God en aan elkaar. Daar moet nog iets worden bijgezegd. Het gebod Gods is eerst en voor alles Woord Gods! Gebod en belofte zijn de twee momenten, de twee gestalten waarin - om zo te zeggen - het ene Woord van God tot ons mensen komt.
En wij zijn als gemeente niet geroepen het Woord te handhaven (zo we dat al zouden kunnen!), wij zijn geroepen het te verkondigen. In een indrukwekkend opstel heeft Hans Joachim Iwand daarover geschreven, over de prediking van de wet." Hij begint met de woorden: "Het gehele gewicht van ons thema ligt op het woord: prediking. Juist omdat wij ook andere vormen van wetgeving kennen en andere mogelijkheden om onder de wet te leven, is de prediking van de wet een unieke zaak. Want prediking van de wet betekent: Een gebeuren van God uit, betekent, dat God ons zijn wil bekend maakt, dat wij te horen krijgen, hoe Hij ons leven wil. Hier is de wet door het Woord omvangen, ja meer nog: in het Woord veranderd.
Zeker, het is de wet die we te horen krijgen, maar Hem, die we horen, is de Heer van de wet. Want wij geloven niet in de wet, maar in de belofte van Hem die de mensen de wet in hun harten wil schrijven. Daarom moet één ding voor alles vaststaan: De wetsprediking is de proclamatie van de wil van God niet in de boventijdelijkheid van een in steen gehouwen of ook in letters overdraagbare wet (vgl. 2 Kor 3,3 ev), maar in de actualiteit van de tot ons sprekende God. Want 'nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart' (Rom 10,8)". 16Ik vind dat elke keer weer, als ik dit artikel lees, een geweldige inzet. Want hier worden we als gemeente ambtsdragers niet gezet op de weg van dwang en overreding. Maar, hier worden we teruggeworpen op het laatste en het enige wat de gemeente in deze wereld heeft: de verkondiging van het evangelie. Wij handhaven de wet niet. Wij prediken die slechts.
Slechts, zei ik. Want net als de prediking ten diepste kwetsbaar en dwaas en zwak lijkt, zo is dat ook het geval met de prediking van de wet. Om nog een keer Iwand te citeren: "Wij moeten de zwakheid van het Woord dragen tegenover de machtsontvouwing, die de wetten van de machtigen zo imponerend en zo indrukwekkend maakt. 17 Maar om ons het in deze positie van schijnbare zwakheid te laten uithouden, heeft God ons een unieke belofte gegeven, die geen enkele andere wetgeving kent. Deze belofte, dat God zelf zijn wet in de harten van de mensen schrijft. En het is juist deze belofte, die het geheim en het wonder van de prediking van wet en evangelie uitmaakt. Het behaagt God door de dwaasheid van de prediking te behouden.
Het is de vervulling van deze belofte, die Paulus bedoelt met: de vrijheid van de werken der wet. Vrijheid? Het is niet toevallig dat geen mens begrijpt wat Paulus met 'vrijheid van de werken der wet' bedoelt, wanneer hij niet door God zelf bevrijd is. De mens in zijn eindigheid en oneindigheid, zijn kleinheid en grootheid, de natuurlijke mens, heeft wel een vermoeden van vrijheid. Hij hunkert ernaar. Hij probeert ze te bewerken. Hij vermoedt ze.
Maar hij vermoedt ze, zoals een gevangene die aan zijn ketenen rukt, de vrijheid vermoedt. Daar tegenover betekent de prediking van de wet als woord van God niet: zo maar een beetje aan de ketenen schudden en de herinnering aan vrijheid oproepen." Nee, prediking betekent verkondigen, proclameren, dat het God zelf is die de ketenen verbreekt en de mens stelt in de vrijheid van de genade. God zegt toe zijn wet te gebruiken om mensen te ontdekken aan hun schuld, hen de weg te wijzen ten leven en - zelfs dat! - ook in de wereld buiten de kerk nog het kwaad te beteugelen.
Het is duidelijk, dat bij een zo begrepen prediking van het gebod van God de heiliging van het leven altijd vast verankerd blijft in de rechtvaardiging. Sterker nog, elke poging om rechtvaardiging en heiliging na elkaar te denken alsof heiliging slechts een vervolg op de rechtvaardiging zou zijn, doet tekort aan de kracht van het gebod als Woord van God. Rechtvaardiging en heiliging behoren zo nauw bijeen, dat Paulus de heiliging van het leven kan omschrijven als: Christus aandoen." Christus is ons geworden tot wijsheid, rechtvaardiging, heiliging en verlossing 18? Heiliging betekent nooit een verzelfstandiging ten opzichte van de rechtvaardiging. Nog minder betekent de heiliging een verzelfstandiging ten opzichte van Christus.
Wij worden meer en meer van Hem afhankelijk. Dat bedoelt psalm 119 met die ene zin: Ik ben een vreemdeling op aarde, verberg uw geboden niet voor mij. Dietrich Bonhoeffer zei bij deze zin: "Dus blijf ik op al mijn wegen en bij al mijn beslissingen volstrekt aangewezen op de genade en geen valse zekerheid kan mij afbrengen van de levende gemeenschap met God".
Mensen blijven zondige en gebroken mensen. En - vergeef mij dat ik het zo zeg - zij mogen dat ook zijn. Zij mogen zich tot op de bodem van hun bestaan aangewezen weten op de genade van God. Ethiek is daarom niet een soort wetenschap, die probeert het doen en laten van mensen op te poetsen en te verbeteren. Ethiek - met name christelijke ethiek - is vanuit het horen naar het Woord Gods een voortdurende worsteling om rechtvaardiging van zijn en doen. Ons leven is - om het met Helmut Gollwitzer te zeggen - een 'Kampfplatz', een plek waar oud en nieuw strijden om de voorrang. Ethiek is daarom altijd ethiek van de nederigheid, van de humilitas. Want ze kan ten laatste slechts belijden: Bedelaars zijn wij - ook in moreel opzicht.
Voor het pastoraat - ook in ethische vragen - betekent dit alles intussen erg veel. In ieder geval zal elk gesprek hebben in te zetten bij het hart van de christelijke boodschap, namelijk bij God zelf, die in zijn liefde de mensen opzoekt. In de oud- en nieuwtestamentische vermaning wordt daarom vrijwel altijd rechtstreeks naar God en naar zijn genade verwezen. Omdat deze God de HERE is, omdat deze Jezus Christus de Heiland is, daarom word ik geroepen tot heiliging van het leven. Slechts vanuit Hem. Het gesprek over een christelijke levenststijl start dan ook niet bij de uitkomst van de problemen, maar bij de inzet ervan: de liefde tot en het geloof in God de HERE. Dat is het enige criterium waaraan wij onszelf en elkaar toetsen in de gemeente. Dààr zet de tucht in, in het Woord. Niet wij oefenen ten diepste tucht, het Woord doet dat. In de verkondiging van het Woord Gods vallen de beslissingen. Een voorbeeld hiervan geeft Paulus in Efeze 5, wanneer hij spreekt over de relatie tussen man en vrouw.
(1) Hij kiest dan positie in het offer van de Here Jezus Christus aan het kruis voor zijn gemeente en in de (weder) liefde van de gemeente tot Hem. Slechts van hier uit kan iets gezegd worden over de wijze waarop wij mannen en vrouwen met elkaar hebben om te gaan in het leven. Als er aan het einde van de pericoop staat: Dit geheimenis is groot, dan geeft dat geheimenis het bijzondere aan van wat echte (huwelijks)liefde is. Ze weerspiegelt de relatie tussen Christus en de gemeente.
Het bevreemdt mij vaak, dat wij in de kerk - als we bezig zijn de problematiek van (bijvoorbeeld) samenwonenmeestal eerst beginnen over het burgerlijk huwelijk, de maatschappelijke kant van de huwelijksrelatie.
Paulus niet. Paulus wil eerst vanuit het kruis van Christus zicht krijgen op wat opofferingsgezindheid, liefde, trouwen verantwoordelijkheid voor elkaar betekenen.
Dat is het wezenlijke van een man-vrouw relatie. Voor dat wezenlijke kan de beste maatschappelijke vormgeving geen vervanging zijn. Wij spreken elkaar in de gemeente aan op de relatie met en het leven van Christus.
(2) Het tweede is, hoe wij die zorg, liefde en trouw in onze samenleving vormgeven. Wij zijn immers kwetsbare en zondige mensen. Wij hebben elkaar bescherming te bieden: rechtsbescherming en economische bescherming.
Dat was en is de zin van het burgerlijk huwelijk zoals wij dat kennen. Nu heeft in de l aatste jaren geleidelijk aan ook een andere vorm van zorg voor elkaar gestalte gekregen. De overheid biedt partners de mogelijkheid hun zorg voor elkaar ook gestalte te geven via een (publiek) samenlevingscontract, waarin eveneens zorgen rechtsvoorzieningen een plaats kunnen krijgen. Het is een open en te bediscussiëren vraag binnen de gemeente, hoe we daar tegenover hebben te staan. Maar: deze vraag is secundair ten opzichte van het eerste. Toetssteen is de relatie tot God.
(3) Het derde is dat wij er als christenen behoefte aan hebben om bij het aangaan van een duurzame relatie de zegen van God te vragen. Wij plegen dat te doen in een samenkomst van de gemeente (waarom eigenlijk niet op zondag?). Aan ons als gemeente wordt de vraag gesteld, of wij ook als gemeente hen die voor een andere maatschappelijke vormgeving van hun relatie kiezen, ruimte bieden om in het midden van de gemeente Gods zegen te vragen.
Tenslotte, het lijkt mij zinvol om in deze tijd opnieuw aan de moraal - en aan de ethiek als de bezinning op de moraal - de plek te geven die nodig is. Dat is een plaats die in de eerste plaats samenhangt met de kern van het heil. Die kern is naar mijn oordeel de rechtvaardiging van de goddeloze.
Als wij ons bezinnen op wat goed en recht is in het christelijk leven, op wat strookt met Gods gebod en belofte, dan kan dat alleen vanuit dit midden. Dat houdt in dat de ethiek, hoe belangrijk en hoe interessant ook, niet de eerste of laatste toetssteen is voor ons christen-zijn. Paulus schreef in 1 Kor. 12,3: "Daarom maak ik u bekend, broeders, dat niemand door de Geest Gods sprekend, zegt: Vervloekt is Jezus; en dat niemand kan zeggen: Jezus is Here, dan door de Heilige Geest." Op deze belijdenis komt het aan. Dan doet ons leven, ons christelijke leven er wel toe. Het heeft alles met ethiek te maken, maar ethiek is niet alles.
Noten
1. Referaat gehouden te Utrecht op 23 mei 1992 op de landelijke ouderlingenconferentie van de Nederlands Gereformeerde Kerken.
2. Verschenen in de bundel Anders gezegd.
Een verzameling theologische opstellen voor de welwillende lezer, Kampen 1972, blz. 183-196.
3. Vgl. H.M. Kuitert, a.a., blz. 192: "Onder christenen bestaat dikwijls de moeilijkheid, dat men één van tweeën wil: of de moraal kan niet veranderen of alles moet anders.
Dat moet een misverstand omtrent de moraal zijn. De moraal is niet Gods gebod; dat verandert niet. De moraal is de gehoorzaamheidsgestalte van het gebod, en die verandert wel, want moraal is nooit eeuwig.' 4. A.a., blz. 190. Vandaar ook het verzet van Kuitert tegen het moralisme.
5. A.a., blz. 191.
6. Ibidem.
7. Zo in een artikel in dezelfde bundel, getiteld 'Het schriftberoep in de ethiek', blz. 87.
8. Prachtig is wat Dietrich Bonhoeffer zegt in zijn 'Meditationen über Psalm 119' bij vers 21: 'Aber es ist der entscheidende Unterschied, ob ich Gott oder ob ich meinen Prinzipien gehorche. Habe ich genug an meinen Prinzipien, dann kann ich das Gebet des Psalmisten nicht verstehen. Lasse ich mir aber von Gott selbst den Weg weisen, dann hänge ich ganz an der Gnade, die sich mir offenbart oder versagt. Dann zittere ich bei jedem Wort, dass ich aus Gottes Mund empfange, schon urn das nächtste Wort und urn die Bewahrung in der Gnade. So bleibe ich auf allen meinem Wegen und Entscheidungen ganz gebunden an die Gnade und keine falsche Sicherkeit kann mich urn die lebendige Gemeinschaft mit Gott betrügen." Geciteerd uit Dietrich Bonhoeffer, Predigten - Auslegungen - Meditationen 1925-1945, 11,München 1985, S. 432-433.
9. Heidelbergse Catechismus, zondag 44, vr. en antw. 115.
10. Men vergelijke slechts Gal. 1,8 en 9: "Maar ook al zouden wij, of een engel uit de hemel, u een evangelie verkondigen, afwijkend van hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt! Gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, zeg ik het thans nog eens: indien iemand u een evangelie predikt, afwijkend van hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt!"
En Gal. 2,21 en 3,1: "Ik ontneem aan de gerechtigheid Gods haar kracht niet; want indien er gerechtigheid door de wet is, dan is Christus tevergeefs gestorven. 0, onverstandige Galaten, wie heeft u betoverd, wie Christus Jezus toch als de gekruisigde voor ogen geschilderd is?
11. Vergelijk Gal. 4 en 5 passim.
12. Vergelijk Gal. 5 en 6 passim.
13. Vgl. Gal. 5,13 14. Opmerkelijk is wat dr. C.J. den Heyer
aan het eind schrijft van zijn verklaring van de brief aan de Galaten (Galaten. Een praktische bijbelverklaring, Kampen 1987, blz. 145: "Paulus is geen theoloog van de status-quo. Integendeel, door de brief aan de Galaten loopt als een rode draad zijn oproep aan de gemeenten nu eindelijk werkelijk te gaan genieten van de vrijheid die hun ten deel is gevallen dankzij de kruisdood van Jezus Christus. Met grote hartstocht strijdt Paulus verder voor het behoud van de eenheid van de gemeente. (...) Hij relativeert de betekenis van 'de werken der wet', niet om mensen machteloos en passief te maken, maar omdat strikte naleving van de geboden een ernstige bedreiging vormde voor de eenheid binnen de gemeenten en zelfs concreet tweedracht zaaide met als bittere consequentie dat sommige leden gediskwalificeerd werden tot tweederangs christenen."
15 H.J. Iwand, 'Die Predigt des Gesetzes' (1934) in: H.J. Iwand, Glaubensgerechtigkeil. Gesammelte Aufsätze 11, München 1980, S. 145-170.
16 A.a., S. 145: "Das ganze Gewicht unseres Themas liegt aul dem Wort: Predigt. Gerade weil wir auch andere Formen von Gesetzgebung kennen und andere Möglichkeiten, unter dem Gesetz zu leben, ist die Predigt des Gesetzes ein de Sache für sich. Denn Predigt des Gesetzes bedeutet: Geschehen von Gott her, bedeutet, dass Gott uns seinen Willen kundtut, dass wir zu hören bekom men, wie er uns Leben will. Hier ist das Gesetz ins Wort gelrasst, ja mehr noch: ins Wort verwandel!.
Gewiss, es ist Nomos, was wir da hören, aber der, den wir hören, ist der Herr auch dieses Nomos. Denn wir glauben nicht den Nomos, sondern der Verheissung desse, der dem menschen das Gesetz ins Herz geben will. Darum muss eins vor allem leststehen: Die Gesetzespredigt ist die Proklamation des Willen Gottes nicht in der Überzeitlichkeit des in Stein gehauenen oder auch des buchstäblich tradierbaren Gesetzes (vgl. 2 Kor. 3,3), sondern in der Gegenwart des zu uns sprechenden Gottes. Denn 'das Wort ist dir na he, in deinem Munde und in deinem Herzen' (Röm. 10,8)."
17. A.a.C., S. 150: .Prediqer des Gesetzes wollen wir sein; wir wollen die Schwachheit des Wortes tragen angesichts der Machtsentfaltung, die dem gesetz von den Gewaltigen in der Welt zukommt und es so imponierend, so gewichtig macht.
Denn dafür, dass der Prediger ge rade in dieser seiner Stellung als Ruler Gottes aushält und am Wordt Genüge lindet, ist ihm die Verheissung gegeben, die keine andere Gesetzgebung aulzuweisen hat: dass Gott dem Menschen sein Gesetz ins Herz schrei ben und in den Sinn geben will, als das Gesetz seines Volkes, seines Eigentums (Jer. 31,33)."
18. A.a.C., S. 151.
19. Rom. 13,14.
20. 1 Kor. 1,30.