De moeder van je moeder worden

1992-10-23
  • Jaargang 36
  • nummer 22
Het volgende heb ik een eeniet jaren geleden uit Trouw geknipt. Het is geschreven door Laura Reedijk en ik vind het goed dat ik het graag nog eens in Opbouw overneem.

In de gang van het verzorgingstehuis liep een mevrouw radeloos rond. Ze klampte zich aan me vast en zei huilend: "Hoe kan dat toch, ik weet niets meer!" Ze wreef daarbij over haar voorhoofd.
Ik ging mee naar haar kamer. Ze kwam tot rust en vertelde me een verhaal uit haar verleden, van heel vroeger.
Ze wist weer wie zij was.

Het is heel beangstigend voor mensen die dement aan het worden zijn, om niet meer te weten wie ze zijn. Ze verliezen daarmee hun identiteit. Zo schreef mij een mevrouw over haar moeder. Ik citeer met haar toestemming gedeelten uit haar brief: "Mijn moeder was ernstig dement, zat al ruim twee jaar in een verpleeghuis. Ze was diep ongelukkig: een verlaten kind, dat radeloos zocht naar haar vader, haar moeder."

En ook zijzelf, haar dochter, was diep verdrietig: "Dat je jezelf niet meer als haar kind mag ervaren, alsof je jezelf kwijt bent, geen eigen identiteit meer hebt." "Ik wilde zo graag nog haar kind zijn. Het is heel zwaar om daar afstand van te doen, jezelf zo te verloochenen. Gezamenlijke herinneringen ophalen kon niet meer, iets vertellen over mijn kinderen vond geen weerklank. Wat had ik zielsgraag met haar willen praten over de dingen die me pas duidelijk geworden zijn tijdens haar dementie.
Kleine zinnetjes, opmerkingen, angsten gaven me soms een helder inzicht in haar zware en vaak moeilijke leven."
"Zij was God 'ook kwijt, getuige haar woorden een keer: God kwam toch vroeger ook wel eens langs. Ziet u die nog wel eens, mevrouw?"

Hoe verdrietig is het niet meer de geliefde dochter te zijn, niet meer herkend en daardoor erkend te worden.
Hoe verdrietig is het als er geen belangstelling meer is voor jóuw problemen, als er nooit meer gevraagd wordt hoe het met jóu gaat. "Ik was een mevrouw die haar bezocht en van wie ze alleen maar hoopte, dat die haar naar huis zou brengen, maar elke keer moest ik haar daarin weer teleurstellen en liet ik haar weer achter."
,,'Komt moeder?', vroeg ze een keer. Ik zei: 'Ja hoor, moeder komt je halen.' 'Draagt ze me dan?', vroeg ze. Ze was toen al zo zwak en nietig. 'Ja,' beloofde ik, 'moeder zal je dragen.' En zij, de hand op haar buik leggend, vroeg: 'Draagt moeder me hier?' 'Moeder draagt je heel dicht bij zich.' Toen even stilte; daarna zei ze aarzelend: 'Naar God?', Ja, moeder draagt je naar God'."
Heel treffend is in dit kleine gesprek geboorte en dood bijeen gebracht.
Door moeder gedragen, negen maanden lang: door moeder naar God gedragen.
De cyclus is rond. De dochter heeft in haar grote liefde en fijngevoeligheid haar moeder bijgestaan, door heel dicht bij haar te komen en haar taal te spreken. Zo werd zij de moeder van haar moeder.
Zo beschrijft ook de dichteres M. Vazalis het in haar mooie gedicht:

Is het vandaag of gistren, vraagt mijn moeder, bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.

Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut zo ver al van de aarde weggedreven, zo moedig uitgestapt en in 'de ruimte zwevend zonder bestek en her en der.

Zij zoekt - het is een s.o.s.haar herkomst en haar zijn als kind en niemand niemand, die haar vindt zoals zij was. Haar Franse les herhaalt zij: van haar Bejaar: "bijou, chou, croup, trou, clou, pou, ÓU, die eerste juffrouw, weet je wel die valse ouwe mademoise/le hoe heet ze nou. Ik ben zo moe."

Had ik je maar als kind gekend, die nu mijn kind en moeder bent.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief