De onrechtvaardige Rechter? (2)
1992-11-20
Niet vloeken maar bidden. Niet God de schuld geven, maar Hem vragen of Hij er een einde aan wil maken.- Jaargang 36
- nummer 24
In de vorige bijdrage kwam er gee' antwoord op de vraag, waarom God alles kan aanzien. Daar ging de betreffende gelijkenis van Luk. 18 niet op in.
Alles goed en wel, die vraag ligt er, en kan het antwoord in deze bijdrage dan graag gegeven worden. Kunnen we niet naar boven om éven kenbaar te maken dat het in onze ogen zo niet langer kan, éven onze bedenkingen laten horen: Here, moet dat nou zo... Dat is dan niet zozeer God de schuld geven, maar het is toch wel meer dan alleen maar afhankelijk bidden om een goede afloop. Dus richten wij een ladder op naar de hemel en we vaardigen onze vriend Job af naar boven - wie kan onze vraag beter verwoorden. Job zelf vindt dat eigenlijk ook wel: "Als een vorst zal ik tot Hem naderen" (31:37), Job moet gaan; van hem zijn het geen studeerkamervragen, maar hij torst een grote berg leed mee naar boven toe.
Maar wie staat daar nou aan die ladder van Job te trekken - nee maar, dat is Elihu, die jonge vriend van Job. Hij heeft zich geërgerd aan het dwaze gepraat van de oudere vrienden, maar ook aan deze hooghartige houding van ons en van Job: "Voordat je als een vorst naar de hemel opklimt, vriend Job: waarom heb je tegen God getwist!
Hij verantwoordt toch niets van zijn doen!" (33:13).
Dat klinkt wel èrg bot, maar Job zwijgt eronder, en Elihu gaat door, béter nu, denken wij: "Ik zal mijn Maker rechtvaardigen (36:3). Dit gaat ten minste op een antwoord lijken; en inderdaad komt Elihu met voorbeelden om zijn belofte te staven (36:5v.).
Het gekke is, dat hoe meer Elihu gaat verklaren, hoe liever wij het hebben. "Er is nog genoeg over God te zeggen" (36:2). Voor de dag ermee, willen wij. Het gekke (en voor ons teleurstellende) is tegelijk, dat hoe meer Elihu gaat verklaren en zoeken, hoe 'kouder hij wordt'. In 33:13 'was hij warm': God verantwoordt toch niets ...
Daar had hij het bij moeten laten. En hij komt er gelukkig weer aardig in de buurt ten slotte: "Wie zou Hem zijn weg voorschrijven" (36:23) en "God is groot. wij begrijpen Hem niet" (:26).
Het is opmerkelijk, dat Elihu op dat moment een noodweer beschrijft: "Wie begrijpt de uitbreiding van de wolken, het dreunen uit zijn hut" (:29).
En dan wordt Elihu héél warm: "Mijn hart beeft. Hoort, hoort het daveren van zijn stem, de donder die uit zijn mond komt" (37:1v.) Vier keer komt de vraag: Begrijp je er iets van. En dan wordt het hoog tijd dat Elihu stil wordt en aandachtig luistert naar z'n bonkende hart en naar het donderende onweer dat is losgebroken. God zelf neemt het nu over!
Zo begint Job 38: Toen antwoordde de HÉREJob uit een onweer. ..
Wij wilden toch een gesprek met Godhier komt het. Wij hadden veel vragen, hier komt het antwoord. Nee, hier komt de ontknoping. Hier komen ... vragen. Vragen van God.
"Wie zit Mij daar zwart te maken?"
"Waar was jij, kleine vorst, toen Ik de aarde grondvestte?" "Wie heeft... Ben jij ooit...?" "Heb jij de paarden zo sterk gemaakt? Kunnen de gieren hun prooi zo scherp zien dankzij jou?"
"Wil de bediller twisten met de Allerhoogste?"
God wil niet bedild worden, Hij zit niet te wachten op kritikasters die er hélemaal geen verstand (38:1!) van hebben. Je moet eens zien hoe profs in de topsport of op welk topniveau dan ook zich kunnen ergeren aan journalisten die er geen verstand 'van hebben.
Hoeveel te meer ... De HERE gaat nog verder, Hij neemt Job niet alleen mee langs de paarden en gieren, maar ook langs de geweldige dieren van de 'pre-historie", met staarten als boomstammen, neerziende op al wat hoog is (zie 40 en 41, dat zal toch niet over nijlpaarden en krokodillen gaan ...
Vindt u het ook niet verbazingswekkend, dat er geen woord komt over de strijd tussen God en satan.
De vragen van Job 38-41 kunnen voor ons nog met vele vermenigvuldigd worden. "Waar was jij, toen Ik mijn Zoon naar beneden stuurde?" "Ben jij het die verzoening heeft teweeg gebracht tussen God en mensen?" "Heb jij de breedte en lengte en hoogte en diepte van Christus' liefde bedacht?
Heb je het gepeild?"
Ten slotte, we moeten ons goed realiseren, dat de Vader van Job beter dan iemand anders het leed van de mens kan doorgronden. Job zelf heeft vaderlijke goedheid geproefd in dat gesprek met God, in die wandeling door de schepping. Job heeft niet gezegd dat hij er geen genoegen mee nam. Nee, nu had hij God eens ècht ontmoet. En hij werd er stil van.
God laat van zich horen. Wij hoeven met onze vragen niet naar boven, Hij komt wel naar ons toe.
Wil je Mij rechtvaardigen. Och, kleine vorst, begin er toch niet aan. Wil je Mij ter verantwoording roepen? Hoor de donder. Zie Jezus, met eer en heerlijkheid gekroond.
Machtig hè. Laat het nou maar aan Mij over.