Een bijzonder geleerde: christenfilosoof Sören Kierkegaard
1992-11-20
De Deen Sören Kierkegaard is'bekend als filosoof en wordt genoemd de grondlegger van het existentialisme. Dat is de filosofie die zich bezig houdt met de concrete mens in zijn actuele bestaan. Toen ik over deze geleerde ging lezen, kreeg ik steeds meer het gevoel te maken te hebben met een oprecht christen. Later bleek mij ook, dat zijn filosofische geschriften van een bepaalde tijd zijn, want als trouw kerkganger heeft hij zich in zijn laatste levensjaren alleen nog beziggehouden met de kerk en het christelijk geloof. Bijna wekelijks verkondigde hij toen Gods Woord in de Fruekirke te Kopenhagen. Hoewel over zijn persoonlijkheid en zijn levensgeschiedenis een sluier blijft hangen, is een kennismaking met deze geleerde nodig, daar zijn filosofisch werk een overtrokken aandacht krijgt. Er is meer.- Jaargang 36
- nummer 24
Zijn jeugd Sören Aabye Kierkegaard werd geboren op 5 mei 1813als zevende kind in het tweede huwelijk van zijn vader.
Zijn vader was toen al 56 jaar oud en zijn moeder ongeveer 45 jaar. Zijn vader was schaapherder en wolhandelaar.
Op z'n veertigste deed hij de zaak aan de kant en hij ging rentenieren.
Rond 1795(Franse Revolutie) devalueerde de Deense waarde papieren tot een tiende deel van de beginwaarde.
Echter vader had zijn spaarcenten belegd in "Koninklijke Obligaties", hetgeen toen rijkdom betekende.
Groot verdriet kwam er in het flinke gezin, toen in 1819en 1822een twaalfjarige zoon en 25-jarige dochter overleden.
Tijdens zijn leven thuis kwam Sören bijna nooit bij anderen en kreeg zelf weinig bezoek. Toch was deze tijd niet saai. Onder pseudoniem schreef hij enige jeugdherinneringen: "Vader stelde hem als vergoeding voor aan zijn hand de kamer op en neer te wandelen. Op het eerste gezicht was dat een schrale troost, waarmee het gesteld was als met vaders loden jas: ze omsloot geheel iets anders dan je dacht. Het voorstel werd aangenomen en Johannes mocht beslissen waar ze heen zouden gaan. Ze gingen dan de stadspoort uit naar een lustverblijf in de buurt, naar het strand of door de stad, net zoals Johannes het wenste; want zijn vader vermocht alles. Terwijl ze dan de kamer op en neer liepen, vertelde vader over alles wat ze zagen; ze groetten de voorbijgangers, de wagens ratelden voorbij en verdoofden vaders stem, de vruchten van de koekverkopers waren verleidelijker dan ooit. Hij vertelde alles zo nauwkeurig, zo levend,zo werkelijkheidsgetrouw, tot in de kleinste details, die Johannes kende en zo uitvoerig en aanschouwelijk over wat hem onbekend was, dat hij, na een half uur wandelen met vader, zo overstelpt van indrukken en vermoeid was alsof hij een hele dag uitgeweest was. AI spoedig keek Johannes deze toverkunst van zijn vader af..." Ja, Sören, die zichzelf hier Johannes noemt, was vol bewondering voor zijn vader. Deze gelovige man voedde zijn kinderen op in de vreze des Heren.
Aan de studie
In 1830begon Sören zijn studie aan de universiteit te Kopenhagen. Naar de wens van vader begon hij aan de theologie, maar dat ging niet. Hij stortte zich in wijsgerige studies en had veel interesse voor natuurkunde. In 1831 startte hij met zijn dagboeken schrijven. Hij was uitzonderlijk hoog begaafd. Daarentegen sprong hij soms helemaal uit de band. In Kopenhagen was hij een bekende op straat, in de kroegen, de restaurants en de theaters. Zijn interesse voor het gewone dagelijks leven was bijzonder groot maar eveneens voor het literaire, het poëtische, het romantische. Hij kreeg steeds meer moeite met de kerk, maar keerde zich niet af. Hij merkte heel raak op: " ... Er slaat me uit dat christendom een ziekelijke weeë lucht tegemoet.
Eerst verklaart het hier alles tot zonde, zowel de mens als de natuur, dan richt het onze blik op een andere wereld en daar moeten we de oplossing van het probleem dan maar vinden. Maar op zo'n manier beroven de christenen de ongelukkigen van elke vorm van mildheid en verzachting van leed, ze geven nog geen druppel water om een brandende tong te lessen en zo zwoel als de fantasie over het hiernamaals is, zo schraal is die als er sprake moet zijn van werkelijk geluk voor de gelovige en de uitverkorene." Opnieuw kwam er groot verdriet in het ouderlijk huis: in 1832stierf zijn broer Niels, twee jaar later zijn moeder en korte tijd daarna zijn lievelingszus Petrea. Waarom dit alles? Is dit wrake Gods? vroeg hij zich af.
In 1836stond Sören op de rand van zelfmoord. In zijn dagboek schreef hij: "Ik kom net uit een gezelschap, waarvan ik de ziel was. De geestigheid stroomde uit mijn mond, allen daverden van het lachen en bewonderden mij. Maar ik maakte dat ik weg kwamik wou me voor het hoofd schieten."
Zijn vader stuurde hem met vakantie om tot rust te komen. In deze tijd lag hij overhoop met het christendom. Hij was heel sarcastisch, maar hij bleef er mee bezig.
Licht in de duisternis
In 1837volgde er een uitbarsting na hevige woordenstrijd tussen vader en zoon. Sören vertrok uit huis. Een jaar later was hij weer thuis en verzoende zich met zijn vader. Vader bekende zaken aan Sören, die werkelijk familiegeheim waren en bleven. Hij schreef in deze tijd: "Ik vermoedde, dat de hoge ouderdom van mijn vader geen zegen van God was, maar veeleer een vervloeking en dat de uitzonderlijke geestesgaven van de familie ons alleen maar waren geschonken om elkaar te verwonden ..
Heel de familie moest met Gods geweldige hand worden weggevaagd, uitgeroeid als een mislukte poging."
Zijn vader overleed korte tijd later.
Sören stond alleen en was erfgenaam van enige rijkdom. In deze tijd ontmoette hij de vijftienjarige Regine Olsen. In hetzelfde jaar vond zijn bekering plaats, daarvoor had hij als student vreselijk geboemeld: hij stond in kroegen en op de straat in Kopenhagen bekend vanwege zijn dwaasheden, grappen en grollen. Hij schreef diep bewogen dit gebed: "Vader in de hemel, open de bronnen van mijn ogen, laat de stroom van tranen als een zondvloed heel het voorbije leven uitwissen, een leven, dat in Uw ogen geen genade heeft gevonden. Maar geef dan ook een regenboog als een brug naar de hemel,als teken, dat U ons nooit meer met een zondvloed weg zal vagen Laat de zonde nooit meer macht in ons krijgen, opdat U ons geen tweede maal uit het I ic h a a m van de zonde zult moeten verdrijven".
Verloving....verbroken
In juli 1840 deed Sören doctoraal examen theologie. In sept. kwam hij op 27 jarige leeftijd tot de verloving met de achttien jarige Regina Olsen. Dit werd bij hem een worsteling, die zijn leven tekende. Er was hem "een doorn in het vlees" gegeven, die hem een jaar later deed besluiten de verloving te verbreken. Onderzoekers hebben allerlei verklaringen gegeven voor dit mysterie. Kierkegaard hield het geheim. Het was een familiegeheim waarvan hij later liet doorschemeren, dat deze in het leven van zijn vader moet worden gezocht. Veel verklaringen voor deze breuk berusten op fantasie.
Zo werd er wel beweerd, omdat hij zeer zwaarmoedig was, grenzend aan krankzinnigheid, kon hij geen huwelijk aan, Of Regina, zijn verloofde was onvoldoende christen voor de diepgelovige Kierkegaard. Of: voor zo'n religieuze persoonlijkheid is het gewone huwelijks- en gezinsleven niet mogelijk. Een meer aannemelijke, realistische verklaring lijkt me die van de Deense arts Saggau(1958). Hij baseert zich op Kierkegaards toespelingen in "De zelfbeschouwing van een melaatse" en de geschiedenis van zijn vader. Als jongeman was zijn vader een bordeel-bezoeker. Hij kreeg waarschijnlijk syfilis, een geslachtsziekte. Na behandeling met een "boterkuur" door een arts, trouwde hij op oudere leeftijd zijn eerste vrouw, die twee jaar later stierf. Hij was "besmet" en dit was "wraak uit de hemel". Vijf van de zeven kinderen stierven rond hun 33e jaar of eerder. Tijdens de totale verliefdheid van Sören op Regina biechtte zijn vader vlak vóór zijn dood (1838) een tragisch geheim op. Deze volstrekt geheim gebleven bekentenis zou volgens de Deense arts weleens de geslachtsziekte kunnen zijn: syfilis.
Op grond van toenmalige medische inzichten m.b.t. secundaire syfilis zou Sören Kierkegaard tot het besluit kunnen zijn gekomen zijn verloving met Regina te verbreken.
Op grond van die wetenschap verwachtte hij niet langer dan nog tien jaar te zullen leven. Toch zijn z'n boeken vol lofprijzingen over huwelijk en gezin. Zij drukken zelfs een hartstochtelijk verlangen daarna uit. Dit verlies van Regina heeft hij zijn leven lang betreurd: "Bij het huwelijk gaat het niet als op een boeldag, waar alles vanzelfsprekend verkocht wordt in de toestand, waarin het zich bevindt op het ogenblik, dat de hamer valt. Hier is een beetje eerlijkheid over wat er vroeger gebeurd is wel op zijn plaats. Er zijn teveel huwelijken, die kleine geschiedenissen verbergen. Zoiets wilde ik niet: zij was dan mijn concubine geworden en ik had haar liever vermoord. Maar als ik mijzelf had moeten uitspreken, had ik haar moeten inwijden in de verschrikkelijkste dingen."
.... Gebroken
In veel van zijn werk komt deze verlovingsbreuk symbolisch aan de orde. O.a. in "Stadien op de levensweg"( 1845) waar Kierkegaard over een enorme poppenkast vertelt. Hierin gebeurt van alles en aan de toeschouwer wordt overgelaten zelf conclusies te trekken. Ook staat er een prachtige verdediging van een gelukkig huwelijk in. Dit boek wordt bijna als autobiografisch gezien. Ook schreef Sören over de geschiedenis van Abraham, die opdracht krijgt zijn zoon Isaäk te offeren.
Men beschouwt dit werk als SÓrens verklaring aan Regina Olsen. De breuk met haar lag niet alleen in het vasthouden van het tragische familiegeheim, maar ook in de angst voor Regina, want besmetting kon haar hele leven verwoesten en haar diep ongelukkig maken. Noodlot en angst zijn voortdurend thema's die in zijn werken terugkeren. En deze breuk betekende voor Kierkegaard de vlam in de pan: hij produceerde veel poezie en ander schrijfwerk. Hij maakte dagelijks aantekeningen in zijn dagboek, dat later als een uitnemend literair boekwerk wordt betiteld. Hij produceerde een stortvloed van proza en dichtwerk. In zijn leven maakte hij circa 35 boeken, meer dan 80 toespraken en een enorm dagboek wat in 20 banden werd uitgegeven. Uit allerlei woorden blijkt zijn zwaarmoedigheid zoals: "Ach, het leven is mij tot een bitter drankje geworden. Toch moet het druppelsgewijze worden ingenomen, langzaam, tellende, druppel na druppel. "Mijn leed is mijn kasteel dat als een adelaarsnest hoog op de bergspits tussen de wolken ligt. Niemand kan het genaken. Vanuit die hoogte stort ik neer op de werkelijkheid om mijn buit te grijpen. Zo leef ik daar boven als een gestorvene. Op grond van vele soortgelijke beweringen wordt Kierkegaard vaak betiteld als de filosoof van de wanhoop. Gezien zijn levensgeschiedenis met de vele intens trieste ervaringen kun je je dat wel voorstellen. Zwaarmoedigheid zal ik niet ontkennen, maar wanhoop gaat te ver.
Aandacht voor de innerlijke mens
In 1841verbrak Sören Kierkegaard zijn verloving met Regina. Hij bleef theologie en filosofie studeren, de laatste sloot hij cum laude af. Ook zette hij zich plichtsgetrouwen met grote Ijver aan het schrijven en publiceren. De erfenis van zijn vader maakte het hem mogelijk zijn eigen werk te laten drukken. Zijn drukwerk werd niet begrepen en vond geen enkele aftrek. Bijna weggegooid geld. Hij schreef in deze tijd verschillende "Stichtelijke toespraken"
en onder pseudoniem allerlei filosofische verhandelingen o.a. "Vrees en beven" door Joh.de Silentio;" Wijsgerige kruimels" door Johan Climateus; "Stadia op de levensweg" door Hilarus Bogbinder.
Kierkegaard heeft er nooit naar gestreefd filosoof te worden. AI heel vroeg zag hij het als zijn voornaamste taak te onderzoeken wat het betekent christen te zijn. Het gaat hem om het innerlijk van de mens. Het individuele is niet te systematiseren. Hij is een subjectief denker. "De waarheid "twee maal twee is vier" betekent existentieel niets. Dit is zoiets als rommel op de vliering van de geest: als ik het nodig heb, kan ik het even pakken." Met de waarheid van de godsdienst is dat beslist niet zo. Die waarheid moet je hele bestaan doordringen. Het gaat om de persoonlijke toe-eigening van de waarheid. Kierkegaard vindt het fout de mensen direct met het geloof te confronteren. Er vindt dan weinig beïnvloeding plaats. De reactie is dan vaak: je bent een zot, een dweper of je hebt last van godsdienstwaanzin. Zijn doel is contact zoeken en de mensen aan het denken zetten. Kierkegaard laat in zijn werken zien, dat hij veel aandacht heeft voor het zien van de ander zo schrijft hij: " ... terwijl ik volledig bezet kan zijn door mijn eigen productiviteit en terwijl ik daartussendoor zeventien andere dingen heb en elke dag met ongeveer 50 mensen praat van alle leeftijden, leg ik mij de plicht op om meteen te kunnen zeggen, wat iedereen waarmee ik spreek de laatste keer zei en de voorlaatste keer zodat wanneer iemand object van mijn observatie is, hij met zijn uitingen en gemoedsbewegingen ogenblikkelijk levend voor mij staat, zodra ik hem zie, al is het ook lang geleden dat ik hem zag".
Belachelijk gemaakt
In deze tijd verscheen het roddelblaadje "De Korsaar" , waarin iedere schrijver lafhartig op de korrel werd genomen. Tot 1845 had men Kierkegaard zorgvuldig buiten schot gehouden, omdat men de scherpte van zijn wapens kende. In dec. 1845 kwam daarin een ommekeer. Kiekegaard schreef een uitdaging. Er verschenen veel boosaardige karikaturen: zijn dunne beentjes in grote laarzen, zijn broekspijpen van ongelijke lengte, .zittend op de rug van zijn meisje "Kierkegaard dresseert"; vechtende sjieke heren, hoed en paraplu dwarrelen rond: "Filosofische gesprekken".
Twee jaar achter elkaar maakte men hem bespottelijk. Iedereen ging hem uit de weg. Hij raakte sterk geisoleerd.
En hij bleef zwijgen, desondanks maakte hij wel zijn dagelijkse wandelingen door de stad. Sarcastisch schreef Sören over deze roddellectuur: "Er schuilen in het literaire oerwoud een massa verscheurende dieren: de recensenten. Sommigen trachten deze met lawaaierige instrumenten op afstand te houden, bijv. door gemene zaak te maken met ander recensenten.
Ik vind het effectiever dat je ze behandelt als ratten: je moet ze leren elkaar op te vreten." Maar ook deze ernstige plagerijen en schermutselingen hebben hem verrijkt. In het licht van de revoluties in 1848schreef hij een meesterwerk "De daden van naastenliefde", waarin hij behartenswaardige dingen zegt over het bidden: "Men kan wel beweren dat bidden louter verlies van tijd is, omdat het gebed van een mens de Onveranderlijke toch niet verandert. Maar zou dat wel wenselijk zijn, dan zou de veranderlijke mens er geen spijt van kunnen krijgen, dat hij God veranderd zou hebben? De ware verheldering is tegelijk het enigwenselijke: Het gebed verandert God niet, het verandert de biddende"
De periode van dichten en denken sloot hij bewust voor zichzelf af met de woorden: "Mijn dichterlijk en filosofisch wezen moet nu meer gaan wijken voor het christen-worden. Toch blijft mijn diepste kenmerk, dat beide bewegingen (het esthetische en het religieuze) gelijktijdig begonnen zijn. Het religieuze is er al van het eerste ogenblik af en had ook eigenlijk al de overmacht.
Maar het heeft geduldig gewacht om de dichter de kans te geven zich helemaal uit te spreken. Maar nu wordt het toch tijd, dat ik op een diepere manier en hoogst persoonlijk in het christendom terecht kom."
De christen strijdt
Opvallend is het, dat allerlei mensen zich tegenwoordig richten op het zogenaamde filosofisch werk van Kierkegaard uit de periode van 1841-1848. Terwijl de tijd daarna tot zijn dood(1855) vrijwel wordt verzwegen.
Hij schreef "Ik heb misschien niet lang meer te leven, maar of het nou een uur is of zeventig jaar: mijn keuze is gemaakt, elk ogenblik, moet ik benutten om uiteen te zetten wat christendom nu eigenlijk is. Want men heeft het christendom volledig afgeschaft. Zo gezien werk ik dus eigenlijk als een spion." Openlijk schreef hij en maakte hij toespraken over het leven als oprecnt christen in een verziekt christendom.
Kierkegaard merkte op, dat het christendom door de gezapige sleur en het rationalisme is ontaard in vanzelfsprekendheid en doctrine. De hartstocht van het getuigenis is verdwenen. Er is geen aansluiting op de realiteit van het leven. Hij laat dan duidelijk zien: Christus is voor de gelovige tegelijk Verlosser (genade) en Voorbeeld (appèl tot zelfwerkzaamheid).
Met pakkende woorden vuurt Kierkegaard aan tot navolging van Christus.
"Stel je eens een grote goed afgerichte jachthond voor. Hij is met zijn meester op bezoek bij een familie, waar - zoals helaas veel voorkomt tegenwoordig - een stel onopgevoede jongens woont. Nauwelijks hebben ze de hond gezien of ze beginnen hem op alle mogelijke manieren te sarren. De hond, die bezit wat de knapen missen, opvoeding namelijk, kijkt onmiddellijk zijn baas aan om te weten, wat hij moet doen. En hij begrijpt, dat hij zich deze mishandelingen moet laten welgevallen alsof het weldaden waren die hem bewezen werden.
Maar daardoor worden de jongens nog brutaler en ze menen tenslotte, dat deze hond wel grenzeloos dom moet zijn om zich dit alles te laten aandoen. Maar de hond bekommert zich intussen maar om èén ding: wat de blik van de meester hem beveelt..
Maar kijk, plotseling wordt die blik anders en de hond begrijpt onmiddellijk dat zijn baas nu bedoelt: gebruik je macht. Op hetzelfde ogenblik grijpt hij met één sprong de eerste lummel beet en werpt tegen de grond - en nu weerhoudt niemand hem meer, behalve de blik van zijn meester en op hetzelfde ogenblik is die blik weer zoals hij juist voordien nog was. Zo gaat het ook met mij, zoals die hond zijn baas observeert, alleen maar bekommerd om de blik van zijn meester: zo volg ik als een hond de machtige Majesteit van hemel en aarde, de Heer, alleen maar bekommerd om Zijn blik, omdat ik van jongsaf aan in Zijn dienst ben gesteld." Verrassend is het te lezen, dat dankbaarheid voor hem een volhardende belijdenis van het geloof in Gods voorzienigheid is. Door verinnerlijking van het geloof komt de mens tot de blijde aanvaarding in voor- en tegenspoed, dat is altijd-dank-te-kunnen-zeggen. Dit vormt de grond van het gebed. In een bewaard gebed beschreef hij de houding van zijn kerk in die tijd. "Heer Jezus Christus, het moge dan wel van de hoogte zijn, dat U de mens tot U trekt en tot de overwinning, maar dit betekent precies, dat U hem roept tot de strijd en hem de zege zegt, waartoe U hem roept vanuit de hoogte. Bewaar onze ziel voor alle verwarring, vooral voor de inbeelding, dat wij tot een kerk behoren, die hier op aarde al triomferen zou. Uw rijk is immers nooit van deze wereld geweest en de plaats van Uw kerk is niet hier; wel inzoverre zij strijden wil en door die strijd een plaats te verwerven om te bestaan. En als zij strijden wil, zal niets haar uit de wereld verdringen: dat hebt U haar toegezegd. Maar als de kerk zich inbeeldt hier op aarde al te zegevieren, ach, dan is het haar eigen schuld, dat U haar niet langer bijstaat en dat zij ten onder gaat aan de gelijkheid met de wereld. Blijf dus bij uw strijdende kerk opdat het nimmer gebeure,- en alleen zo zou het toch kunnen gebeuren -, dat zij van de aarde wordt weggevaagd, als zij een triomferende kerk op aarde zou worden." Bijna actuele woorden, waaraan heel wat christenen hun denken kunnen toetsen.
Een moeilijk mens
In zijn laatste levensjaren leefde hij als kluizenaar, een zonderling. 's Avonds was zijn hele huis verlicht. In alle kamers was pen en papier aanwezig. Hij werd gekweld door grote rijkdom aan gedachten. Steeds had hij tijd en aandacht voor armen en lijdende mensen, die hij met grote liefde in zijn huis ontvinq. Sören Kierkegaard was een bewogen mens, van wie ook niet alles perfect te noemen is. Allerlei boeken van hem roepen heel wat op: zijn psychologische ideeen, zijn humor, zijn kijk op het leven, zijn worsteling met het christen-zijn. Vele jaren na zijn dood vond hij enige erkenning, tenminste wat zijn filosofisch werk betreft. Waarschijnlijk heeft hij in zijn christelijk werk meer aan ons te zeggen, dan in onze taal nu doordringt.
Met enorme geestkracht heeft deze geniale man in zijn korte leven een lawine van woorden in gedichten, toespraken, dagboeken en literair werk geproduceerd. Bijna profetische woorden liet deze Deense geleerde achter: " ... Ik zal pas lang na mijn dood begrepen worden. Zolang ik leef, kan ik mij alleen maar zal ig troosten met zekerheid, dat men mij eens zal begrijpen.
Zelf begrijp ik wel waarom ik niet eerder begrepen kan worden en dat deze zelf-vergetenheid mijn opgave is."
Beeldend en actueel toonde hij zijn oprecht geloof met deze woorden: "Zie de vogels in de lucht. Wat? Ben jij bezorgd? Is je stemming gedrukt? Je oog naar de aarde gekeerd? Maar wat is dat? Zo heeft God de mens niet geschapen: dat moest je uit elk kinderboekje al bekend zijn: de mens verschilt van het dier juist door dat hij rechtop loopt. .Daarom nu flink, het hoofd omhoog. "Ach, laat me met rust." Nee, we gaan behoedzaam verder.
Het zou voor je zieke gemoed een te sterke beweging, een te plotselinge overgang zijn, als je van de aarde in één ruk naar de hemel op zou zien. Laten we daarom eerst naar de vogels kijken. Die zitten op de grond waarheen ook jouw blik gericht is. Dan strekken zij zich soms recht: je mag nu ook wel een beetje je hoofd verheffen, anders kan je blik straks de vogel niet volgen. Kijk, nu vliegt de vogel op. Hef jij je hoofd nu ook een beetje, nog een beetje. Zo is het goed. Nu vliegt de vogel hoog langs de hemel. Geef nu zelf toch eens toe: zomin men van het hemelgewelf kan beweren, dat het ons neerdrukt, zo weinig drukt ook God ons neer. Neen, het neerdrukkende komt van de aarde en van het aardse in jezelf. Zoals het hemelgewelf verheft, zo wil ook God verheffen." In okt. 185 5zakte Sören op straat in elkaar op weg naar de bank om zijn laatste geld te halen en 11 nov. overlijdt hij. Op zijn .sterfbed sprak hij over "de doorn in zijn vlees", daarom heeft hij niet mogen trouwen. Vlak vóór zijn dood zei Kierkegaard aan zijn vriend Emil Boesen, die hem vroeg of hij in vrede tot God kon bidden: "Ja, dat kan ik. Eerst bid ik dan om vergeving voor mijn zonden, dat alles mij mag worden vergeven. Dan bid ik of ik vrij van wanhoop de dood mag ingaan, en dat ik graag zou willen dat ik een poosje tevoren weten mag wanneer de dood zal komen."
Van de volgende literatuur maakte ik dankbaar gebruik: William Barret Existentialisme Utrecht, 1971
S.A. Kierkegaard De naakte waarheid Baarn, 1974
W.R. Scholtens De onbekende Kierkegaard Baarn, 1972
W.R. Scholtens Kierkegaards werken Baarn, 1988
G. Schulte Geloofskennis en de dialectiek van het Westers denken Beweging, okt. 1988
H.J. Störig Geschiedenis van de filosofie Utrecht, 1962
F. v. Raalte Filosofie in hoofdzinnen 2 Bussum, 1982
M. van Rhijn Sóren Kierkegaard Baarn, 1941
W. Weischedel Filosofie door de achterdeur De Bilt, 1976.