De God van het nieuwe begin (1)
1992-12-04
Trein- Jaargang 36
- nummer 25
Soms lopen de dingen in je leven zo scheef en verkeerd, dat je helemaal van voren af aan weer beginnen moet.
In Zuid Afrika woonden we op de helling naar een dal waardoor een spoorlijn liep voor een goederentrein die getrokken werd door een stoomlocomotief. Een eindje verderop moest de trein zelf ook een helling nemen. Maar soms, als de rails nat waren van de regen en de wagons zwaar beladen, lukte dat niet in één keer. Dan liet de trein zich terug rollen en nam hij een nieuwe aanloop, soms verschillende keren achtereen, totdat hij eindelijk, puffend en steunend, de top bereikte en normaal verder kon rijden. Zo kan het ook in ons leven gaan. Je loopt ergens vast en moet weer een nieuwe aanloop nemen. Het overkomt God ook. Hij werkt in de geschiedenis aan de verlossing van de wereld. Dat is het doel waarheen Hij op weg is.
Maar er zijn momenten waarop alles dreigt vast te lopen en te verzanden.
Dan moet God een nieuw begin maken, een nieuwe aanloop nemen, om de trein van de verlossing weer op gang te krijgen. Zo was dat bij de zondvloed en ook weer bij Abraham. Nieuw spoor Bij Abraham maakte God inderdaad weer een nieuw begin. De zaak van de verlossing dreigde te verzanden. De kennis van God was in de wereld drastisch aan het wegzinken. Dat blijkt bijvoorbeeld hieruit, dat Abraham en zijn familie in Ur en Haran afgoden dienden. Als het aan de mensen gelegen had, zou er van de verlossing: niets terecht gekomen zijn. Er was een echte ingreep van God, een nieuwe start, nodig om de verlossing van de wereld niet te laten mislukken. Want na de zondeval is dat immers de trieste balans van het menselijk kunnen.
Wij, mensen, kunnen de verlossing van de wereld en van onszelf niet tot stand brengen. Alle pogingen die we daartoe in het werk stellen, hoe verbeten en hardnekkig ook, zijn futiel.
Maar wat we wel kunnen, is Gods verlossingswerk afbreken. Het bouwen hebben we verleerd. Slopen is onze specialiteit geworden. En als God zelf de trein van de verlossing niet telkens weer in beweging bracht, zou er allang niet meer van overgebleven zijn dan een roestige schroothoop. We hebben het echt aan Hem te danken, dat de verlossing niet is doodgelopen in onze onmacht. God haalde Abraham weg uit zijn land en familieverbanden en baande zo weer een nieuw spoor voor de verlossing van de wereld.
Garantiebewijs
Dat het God daarbij inderdaad om de verlossing van de wéreld ging, blijkt uit de belofte die Abraham meekrijgt: met u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden (Gen. 12:3). En dat ook dit nieuwe spoor uitsluitend door God zelf begaanbaar gemaakt kon worden, blijkt uit het feit dat Abraham geen kinderen had en dat Sara menselijk gezien te oud was om nog een kind ter wereld te brengen. Daardoor lijkt het spoor dat God baant, bij voorbaat onbegaanbaar te zijn.
In de buurt van Leiden staat ergens, middenin de weilanden, een viaduct dat nergens een aansluiting heeft op een weg. Het staat daar plompverloren, onbruikbaar, volkomen nutteloos en zinloos. Het is helemaal voor niets gebouwd. Het traject van de verlossingsweg dat God bouwde toen Hij Abraham riep, lijkt ook zo'n nutteloos viaduct. Vijfentwintig jaar lang staat het daar, ogenschijnlijk volslagen zinloos, in het landschap. Maar dan, na vijfentwintig jaar, blijkt God ineens toch voor de aansluiting naar de toekomst gezorgd te hebben. Waar alle menselijke mogelijkheden afgesneden waren en mensen niet in staat waren zo'n aansluiting tot stand te brengen, kon Hij nog wegen vinden waarlangs de verlossing kon gaan.
De geboorte van Izaäk was voor Abraham en Sara niet alleen maar de vervuiling van hun persoonlijke verlangen naar een kind. Natuurlijk was het dat ook. De geboorte van een kind betekent een verrijking van het persoonlijk leven van de ouders. Hun leven krijgt er een dimensie bij. Dat was ook zo bij Abraham en Sara. Toen Izaäk geboren was, moest Sara lachen van blijdschap (Gen. 21:6). Ja, Izaäk betekende een verrijking van hun leven.
Maar hij was nog meer. Hij was er bovendien het onderpand, het garantiebewijs, van dat de verlossing van de wereld door kon gaan en niet op dood spoor stond. Wanneer Abraham en Sara dat kind in hun armen hielden en aan het lachen probeerden te maken, zagen ze niet alleen hun eigen vlees en bloed, maar ook Gods weg naar zijn toekomst. En toen Izaäk in hun tent begon rond te kruipen, zijn eerste wankele stapjes deed en kromme woordjes zei, was hij voor hen de belichaming van Gods verlossingsweg.
Ingrijpend
En toen kwam die dag waarop God tot Abraham zei: neem uw zoon, uw enige, die ge liefhebt en offer hem tot een brandoffer.
Dat zal je maar gezegd worden. Wij kennen de afloop van het verhaal en daardoor zijn voor ons de scherpe kantjes er wat afgesleten. Voor Abraham was dat nog niet zo. Voor hem was het bloedige ernst. Wat is dat voor een God die zoiets durft te vragen? We zouden wel willen weten welke gevoelens zich van Abraham meester maakten, toen God hem dat bevel gegeven had. Was er woede, pijn, verdriet, opstandigheid of dat alles door elkaar heen? Het is opvallend dat het verhaal in de bijbel daar helemaal niets over zegt. Abrahams gevoelens blijven helemaal buiten beeld. Het gaat niet om wat hij voelt maar om wat hij doet. Dat is een beetje ontnuchterend voor onze tijd waarin ook de kleinste gevoeletjes nog op een goudschaaltje gewogen worden en, enorm uitvergroot, geprojecteerd worden op onze televisieschermen.
Natuurlijk had Abraham gevoelens. Maar we krijgen niet te horen welke. Of ja, toch. Van één gevoel wordt melding gemaakt: hij hield van Izaäk, zijn enige zoon. Maar zijn gevoelens ten aanzien van Gods bevel worden niet vermeld.
Gods bevel was ingrijpend. Je kind eigenhandig op het altaar te moeten vastbinden, het de slagader door te moeten snijden en het te moeten offeren; wie kan dat opbrengen? Is de Here dan toch net zo wreed als de afgoden? Maar het grijpt nog dieper in. Izaäk was ook de belichaming van Gods belofte, de brug naar de verlossing van de wereld. Als hij gedood werd, werd die brug opgebroken en werd de verlossing onbereikbaar.
Bevel en belofte
Wat is de HEREvoor een God? Wat is dat voor een God die van je eist, dat je het liefste dat je hebt, eigenhandig doodt en die bovendien door zijn eis ook nog eens zijn eigen belofte op losse schroeven zet en de weg naar de verlossing van de wereld weer opbreekt en onbegaanbaar maakt? De kinderoffersdie de afgoden eisten, waren ook wreed. Maar daarbij had men althans nog de illusie, dat daardoor het voortbestaan van de gemeenschap verzekerd werd. Maar zelfs die illusie wordt Abraham niet gegund. Het offer van Izaäk snijdt de toekomst van de wereld juist af.
Ja, wat is dat voor een God? Is Hij grillig en onbetrouwbaar? Pakt Hij wat Hij met de ene hand geeft, met de andere weer terug? Het zal best gestormd hebben in Abrahams binnenste. Maar de vraag waar het op aan komt, is: wat gaat hij doen? Zegt hij 'neen' tegen het bevel om de belofte vast te houden? Of volgt hij het bevel op en laat hij de belofte vallen? Hij zal moeten kiezen, want beide tegelijk vasthouden lijkt onmogelijk, nietwaar? Belofte en eis staan lijnrecht tegenover elkaar. De een heft de ander op en omgekeerd. Wat er in Abraham is omgegaan, krijgen we niet te horen. Maar uit wat Abraham doet en zegt, kunnen we afleiden dat hij het onmogelijke gedaan heeft. Hij gaat het bevel opvolgen, maar tegelijkertijd houdt hij toch aan de belofte vast. Dat laatste kunnen we afleiden uit wat hij zegt tot zijn knechten en tot Izaäk zelf. Tot de knechten die hij bij de ezel achterlaat, zegt hij: blijf hier wachten tot we aangebeden hebben en weer bij jullie teruggekomen zijn. Wij, samen. En tot Izaäk die vraagt waar het offerlam toch is, zegt hij: God zal zichzelf voorzien van een lam.
In die antwoorden klinkt door dat hij weigert Gods belofte te laten vallen. Hoewel hij het bevel gaat uitvoeren, blijft hij zich toch aan die belofte vastklampen. Hij wil niet aanvaarden dat die twee elkaar uitsluiten en opheffen.
Hij blijft vasthouden dat God zijn éigen belofte niet ongedaan maakt maar er trouw aan blijft, ook al kan hijzelf niet bedenken hoe zoiets mogelijk is. Maar Abraham heeft al vaker meegemaakt dat God nog over mogelijkheden beschikt als alle menselijke mogelijkheden uitgeput en alle menselijke wegen doodgelopen zijn. Daar vertrouwt hij ook nu op. En in dat vertrouwen wordt hij niet beschaamd.
Offerlam
Vertrouwen dat God zijn belofte toch de waar maakt, ook al word je zelf op een weg geleid, die de belofte lijkt uit te schakelen. Vertrouwen dat God de weg naar de verlossing van jezelf en van de wereld toch openhoudt en begaanbaar maakt, ook al lijkt die weg voor ons besef niet meer te zijn dan een plompverloren in de weilanden, neergepoot, nutteloos viaduct. Op dat vertrouwen komt het aan. Soms kan de toekomst voor je besef zwart en uitzichtloos zijn. Dan sta je voor je gevoel voor een muur en kunje geen kant meer uit. Dan denk je dat alles verloren is en weet je niet meer hoe het verder moet. Klem je dan vast, net als Abraham, aan Gods belofte.
Blijf dan vertrouwen dat God zijn belofte nooit overboord gooit en dat er toch een toekomst is voor jezelf en voor deze wereld. De opdracht die Abraham kreeg kon gemakkelijk de vraag oproepen: wat is dat voor een God die zoiets kan eisen?
De afloop van het verhaal laat zien, dat Hij, voor wie op zijn belofte blijft vertrouwen, voorziet in een plaatsbekledend offerlam en zo de toekomst openhoudt. Een plaatsbekledend offerlam. Het Nieuwe Testament verwijst daarbij naar onze Here Jezus Christus. Wat God uiteindelijk niet van Abraham vergde, vergde Hij wel van zichzelf. Hij gaf zijn eniggeboren Zoon die Hij liefhad, voor ons over in de dood als het Lam dat onze zonden droeg. En als iemand vraagt 'Wat is dat voor een God die zijn eigen Zoon opoffert?', dan luidt het antwoord: Hij is een God die gedreven werd door liefde voor ons en voor deze wereld en die ons door zijn Zoon in de wereld te zenden een werkelijke toekomst wilde geven. Want Jezus is de brug naar die toekomst.