Jaarboek 1992
1992-12-04
Na het Informatieboekje 1992 van onze eigen kerken en twee bijdragen naar aanleiding van het jaaroverzicht in het Handboek 1992 van de vrijgemaakt-Gereformeerde kerken is als laatste het Jaarboek 1992 van de Christelijke Gereformeerde kerken aan de beurt voor bespreking in 'Opbouw'.- Jaargang 36
- nummer 25
Een bijzondere uitgave
Het Jaarboek 1992 is een bijzondere uitgave. Je zou kunnen spreken van een 'collectors item': een uitgave die voor 'verzamelaars' extra de moeite waard is. Het bijzondere karakter van juist dit Jaarboek hangt samen met het 100-jarig bestaan van de Christelijke Gereformeerde kerken. Ze ontstonden (of: bleven afzonderlijk bestaan) toen in 1892 de kerken uit de Afscheiding (1834) en de Doleantie (1886) samen gingen.
Geschiedenis
De Kamper predikant Drs. J.C.L. Starreveld schetst in een lezenswaardig historisch overzicht van 9 pagina's het ontstaan van de Christelijke Gereformeerde kerken en de verhouding tot andere (gereformeerde) kerken in de afgelopen 100 jaar. Wiecontacten heeft met de Christelijke Gereformeerde kerken doet er goed aan, zich ook in de geschiedenis van deze kerken te verdiepen. Het artikel van Ds. Starreveld laat ineen notedop zien waarop het verzet van de predikanten Wisse en Van Lingen in hun bezwaarschrift van mei 1892 tegen de samenvoeging van de kerken uit de Afscheiding en de Doleantie gebaseerd was.
De volledige tekst van dit bezwaarschrift is opgenomen in het Jaarboek 1992. Ds. Starreveld vat het spanningsveld als volgt samen: "Er werden twee elementen samengesmolten die zich met elkaar niet verdroegen, namelijk het beginsel van de Afscheiding en de methode van de Doleantie" (301).
Daarnaast speelde ook de vraag of de samenvoeging niet te snel en vooral van bovenaf was opgelegd. Als aan het begin van de 20e eeuw de lijn van de Doleantie in de Gereformeerde kerken de stroming van de afgescheidenen lijkt te overwoekeren, wordt de toon in de Christelijke Gereformeerde kerkelijke pers polemischer. Men spreekt van beginseltrouw contra beginselverzaking (305). Als gevolg van de strategische kerkpolitiek van de 'Neo-Gereformeerden' wordt doortocht verleend aan de wedergeboorteleer van Kuyper: een private gedachte die tot kerkleer wordt verheven. Private gedachten zijn er altijd geweest (en zijn soms ook toelaatbaar), naar verhef ze nooit tot kerkelijk systeem, luidt de boodschap van christelijk gereformeerde zijde.
Zesfasen
Ds. Starreveld onderscheidt in zijn bijdrage (de geschiedenis overziende) tenslotte 6 fasen in de motivering van het bestaan van de Christelijke Gereformeerde kerken. De (huidige) laatste fase kenmerkt zich door kontakten tussen kerken die gereformeerd kerk willen zijn (daarbij worden de Gereformeerde Bond, de vrijgemaakt-Gereformeerde kerken en de Gereformeerde Gemeenten met name genoemd; opvallend is dat de Nederlands Gereformeerde kerken als afzonderlijk kerkgenootschap in dit rijtje ontbreken). "Tenslotte dient gezegd te worden dat een motivering van je bestaan als kerk naar binnen toe voor de eigen kerkleden in het licht van het evangelie niet nodig is. Wie wij zijn en hoe wij onszelf vinden is minder belangrijk dan dat we geloven dat Christus in ons leeft naar het woord van de apostel Paulus" (308), zo schrijft Ds. Starreveld aan het einde van zijn bijdrage.
Kerkbouw
De bijdrage van de hand van K.Wiersma gaat over 100jaar kerkbouw in de Christelijke Gereformeerde kerken. Dit artikel is heel beknopt; het telt slechts 2% blz. aan tekst. Dat is jammer, want het vooronderstelt daarmee kennis van zaken bij de lezer. Wiersma schrijft dat door de christelijk gereformeerde kerkbouwers geen baanbrekend werk werd verricht; men conformeerde zich aan algemeen gehanteerde opvattingen (291). Daarin verschilt deze kerkbouw m.i. van de meer gedurfde architectuur in de Gereformeerde kerken (met name in de jaren tussen de beide wereldoorlogen, zoals van Tjeerd Kuipers en Egbert Reitsma). Misschien symboliseert dit contrast in kerkbouw ook wel enigszins het verschil in kerk-zijn: de stoere gereformeerden uit de jaren '30 tegenover de doorgaans wat meer 'teruggetrokken' christelijk gereformeerden.
Illustratief is een serie foto's van kerkgebouwen, waarmee de ontwikkeling van de kerkbouw duidelijk zichtbaar wordt gemaakt.
Nog meer geschiedenis
Ds. H.J. Th. Velema uit Ermelo heeft een overzicht samengesteld van de artikelen in de Jaarboeken vanaf 1896.
Vroeger heette het 2e deel van het Jaarboek 'Mengelwerk'. Daarin stond een aantal inhoudelijke bijdragen. Naast 'Eene kleine bijdrage uit de portefeuille van een oefenaar' (1896) en 'Een gesprek met de duivel op weg naar de kerk' (1897), vinden we in die eerste jaren ook een artikel over 'Socialisme en Christendom' (1898). Andere kerkgeschiedenis is te vinden in 'Lijsten van opgeheven Christelijke Gereformeerde kerken', en 'Predikanten en voorgangers die de kerken een tijdlang hebben gediend'. Opvallend is (vooral bij de 'voorgangers naar artikel 3 K.O.') het grote aantal overgangen naar vrije of oud-gereformeerde gemeenten. In het overzicht van de plaatselijke kerken lezen we ook welke predikanten in het verleden een bepaalde gemeente gediend hebben.
Jaaroverzicht 1991
Na het af en toe (naar andere kerken toe) 'geladen' jaarover-zicht in het (vrijgemaakte) Handboek was het een verademing om het sobere jaarverslag van de hand van ds. H. van der Schaaf (uit Dordrecht-Zuid) te lezen. Van der Schaaf begint met een optelsom: er werden in de Christelijke Gereformeerde kerken in 1991bijna 20.000 kerkdiensten gehouden, door ouderlingen en diakenen werden ruim 130.000 gesprekken gevoerd en de predikanten stapten bijna 65.000 keer ergens naar binnen. Deze getallen zijn natuurlijk gebaseerd op een ruwe schatting, maar het geeft toch aan hoeveel werk er binnen een klein kerkgenootschap ambtelijk wordt verricht.
Wie geen vreemde in kerkelijk Jeruzalem is, weet dat er binnen de Christelijke Gereformeerde kerken grote verschillen in 'ligging' bestaan. Deze verschillen kunnen bij de plaatselijke gemeenten soms al worden afgeleid uit de rubriek 'onder deze kerk ressorteren' (inwoners van A gaan in B naar de kerk, inwoners van B bezoeken de kerk in A). In het jaaroverzicht worden de bestaande verschillen niet opgeblazen. Er worden slechts enkele feitelijke (maar daarom niet minder schrijnende) konstateringen gedaan. Genoemd wordt de scheuring in Broeksterwoude.
Ook lezen we de vermelding van een opmerking 'dat een kerke raad het recht heeft om tot heil van de gemeente de kansel voor christelijk gereformeerde predikanten gesloten te houden' (259). Tenslotte stelt Van der Schaaf (evenals Ds. K.H.
de Groot in het Informatieboekje 1992) de vraag hoe het komt dat een aantal beroepbare kandidaten nog niet voor het werk in Gods wijngaard is ingehuurd (er zijn genoeg beroepbare plaatsen, er worden echter weinig beroepen uitgebracht). Dat bij het beroepingswerk inderdaad verschillen van inzicht binnen de kerken een rol kunnen spelen kwam tot uiting in het beroep dat (kandidaat) J.G. Brienen van de gemeente van 's-Gravenmoer ontving (251).
Andere kerken
In de verhouding tot andere kerken wordt bij de plaatselijke kerken apart vermeld welke gemeenten tot hun kansels ook Nederlands Gereformeerde predikanten toelaten. Het zijn: Groningen, Assen, Hoogeveen, Harlingen, Heerenveen, Almere, Dronten, Emmeloord, Hattem, Kampen, Lelystad, Zwolle, Arnhem, Hengelo, Eindhoven, 's Hertogenbosch, Nieuwegein, Utrecht-Centrum, 3 kerken in Amsterdam en 3 gemeenten in Den Haag! Rijswijk, Broek op Langedijk en Lisse, Christelijk gereformeerden die zich in Zuid-Limburg vestigen, wordt aangeraden zich aan te sluiten bij de NederIands Gereformeerde kerk van Maastricht.
Duidelijk is dater per classis grote verschillen bestaan (de grenzen van de classes lopen bij de Christelijke Gereformeerde kerken overigens grillig). In de classesAmersfoort, Dordrecht, Middelburg en Rotterdam was er (volgens het plaatselijke overzicht) nog in geen enkele gemeente sprake van kansel ruil. In het'[aaroverzicht vermeldt Van der Schaaf echter tevens nauwere samenwerking (of aanvragen hiertoe) in Apeldoorn, Alkmaar en Rotterdam. Hij schrijft ook dat het honoreren van deze aanvragen binnen de betrokken classes niet zonder problemen verloopt. Met de (vrijgemaakt-) Gereformeerde kerken waren meer samen-sprekingen dan vroeger. "Tussen de deputaten werd gesproken over de relatie met de Nederlands Gereformeerde kerken, het belijden omtrent de kerk en de toeëigening des heils. Het verloop van de samensprekingen was niet altijd gemakkelijk, doordat er duide-lijk punten van verschil aan de orde kwamen"
(260), aldus Ds. van der Schaaf in het jaaroverzicht 1991.
Statistiek
In het Jaarboek 1992 is een groot aantal gegevens te vinden. Kern is het leven in de plaatselijke gemeenten. Er zijn gemeenten met meer dan 1000 leden: Groningen (1322), Hoogeveen (1485), Leeuwarden (1081), Urk-Maranathakerk (2554), Urk-Eben-Haëzerkerk (1157), Zwolle (1754), Bunschoten (1891). Harderwijk (1196), Nunspeet (1665),Veenendaal-Bethelkerk (1670), Veenendaal-Pniëlkerk (1639), Sliedrecht-Centrum (1942). Zierikzee (1171)en Barendrecht (1152). Er zijn ook heel kleine gemeenten, zoals Rotterdam-Charlois (35 leden, waarvan 1 dooplid).
In de grote steden zien we een sterke achteruitgang in ledental. Vooral in Amsterdam, Den Haag en Utrecht gaat het (over een aantal jaren genomen) om forse percentages ( gemiddeld 35% in 20 jaar). Alleen in Rotterdam daalde het ledental minder snel. De kerkelijke statistieken van de vrijgemaakt-Gereformeerde en Nederlands Gereformeerde kerken laten doorgaans vergelijkbare cijfers zien (met uitzondering van de Nederlands Gereformeerde kerken van Rotterdam en Utrecht). Het mag dan waar zijn dat veel van deze leden in groeikernen zijn gaan wonen, feit is wel dat bijbelgetrouwe kerken in de grote (binnen-) steden een heel kleine minderheid zijn geworden. Betekent dit niet dat ze zich wel zullen moeten bezinnen op hun gemeenschappelijke taken als kerken en christenen in die snel veranderende wereld?
En verder ...
...vinden we in het Jaarboek 1992nog allerlei 'losse' wetenswaardigheden. Zo worden er 3 niet-theologische promoties genoemd. Ook wordt geadviseerd het kerkelijk archief niet alleen op floppy of op harde schijf te bewaren (maar ook op goed computerpapier). De nieuwe predikanten en de jubilarissen worden mét foto aan de lezers voorgesteld. Het blijkt dat er ook 2 vrijgemaakt-Gereformeerde studenten in Apeldoorn studeren, terwijl we in de Apeldoornse gelederen regelmatig de namen van nederlands gereformeerde gemeenteleden of predikanten tegen komen. Binnen de Christelijke Gereformeerde kerken verschijnen ongeveer 200 kerkbladen, waaronder enkele bladen met de naam 'Opbouw'.
Bij de bond van Christelijk Gereformeerde zondags-scholen is ook een Vrije Evangelische zondagsschool aangesloten. Er bestaat ook een bond van Christelijk Gereformeerde zangverenigingen in Nederland. In het Jaarboek worden de verenigingen (anders dan in ons Informatieboekje) niet bij de plaatselijke kerk genoemd, maar in een lijst met adressen van verenigingen. Uit het grote aantal genoemde organisaties wordt wel duidelijk dat de Christelijke Gereformeerde kerken een grotere mate van organisatie kennen dan onze kerken.
Tenslotte
Er vallen soms sombere geluiden te beluisteren over de samenwerking tussen de Nederlands Gereformeerde.
kerken en de Christelijke Gereformeerde kerken. Toch is er - zeker in deze tijd - ook veel dat ons bindt.
Daarom is het van belang dat we (ook na teleurstellende ervaringen) als gemeenteleden elkaar niet gaan mijden, dat we "elkaar in de ogen blijven zien, elkaars stem horen, elkaars houding proeven om bij elkaar te ontdekken de liefde voor het ene Woord van de ene Vader en de ene Heer, die ons verbindt" (aldus Ds. J.C. Schaeffer in de eerste doorgeefbrief van het Gereformeerd Appél, november 1992).
Naar aanleiding van: Jaarboek 1992 van de Christelijke Gereformeerde kerken in Nederland.
Onder redaktie van: Ds. H. van der Schaaf, Drs. J.L Starreveld en Ds. H.J.Th. Velema. Uitgeverij D.J. van Brummen/Buijten & Schipperheijn, Amsterdam, 1992; 320 pagina's, f 15,40.