Mij geschiede naar uw woord
1992-12-18
Sluit uw oren, als iemand tot u spreekt zonder Jezus Christus te noemen. Hij is uit het geslacht van David, voortgekomen uit Maria, waarlijk geboren. Hij at en dronk, hij is waarlijk vervolgd door Pontius Pilatus, wawlijk gekruisigd en hij stierf terwijl de hemelse, aardse en onderaardse machten toekeken. Hij is ook waarlijk vanuit de doden opgewekt, omdat zijn Vader Hem opwekte,() Als Hij echter in schijn geleden heeft, zoals sommige goddelozen, dat wil zeggen: ongelovigen, zeggen - het zijn mensen die zelf schijn zijn - waarom ben ik dan gevangen, waarom verlang ik dan om tegen de beesten te vechten?- Jaargang 36
- nummer 26
Dan sterf ik voor niets. Ja, dan spreek ik leugens over de Heer."
Ignatius van Antiochie 1
Brief aan de TralIiers, par.9 1
In het middelpunt van heel (Ignatius') Christen-zijn staat het grote mysterie van de incarnatie.
Van God in de hemel weten ook de heidenen; het Nieuwe Testament verkondigt God die op aarde kwam.
Helmut Echternach 2
Medestrijdster tegen Ketters
Zoals al eerder is geconstateerd, speelt Maria, de Moeder des Heren, al vroeg een grote rol in de Christelijke Kerk. Dat is een uitspraak die je gemakkelijk staven kunt uit vroege werken uit de kerk. Dat is in eerste instantie overigens niet een rol in kunst of liturgie, zoals nu in de Oude Kerken het geval is, maar veeleer bij de ontwikkeling van het Dogma. Ze speelt een rol bij het bestrijden van de ketterijen! We dienen steeds te beseffen dat de vroege Kerkvaders en voor hen al de Apologeten en nog voor dezen de zgn. "Apostolische Vaders" harde strijd moesten voeren tegenover de zgn. "Doceten" en de Gnostici van het eerste uur. In die strijd speelt Maria dus een rol, want, wat er ook nog meer van haar te zeggen valt, ze is op en top een menselijk wezen! Haar moederschap "staat garant" voor een Christus die echt mens geworden is.
We maken een ernstige fout als we zouden menen dat al zo vroeg in de Kerkgeschiedenis de Maagd Maria er steeds maar "met de haren bijgesleept wordt".
Niets is minder waar! Ik herhaal de opmerking uit het vorige artikel, dat de vroege Christenen in hun spreken over Maria eigenlijk over Christus spreken. Ten diepste ging het hun niet om Maria, maar om haar Zoon!
Doceten
In de eerste plaats moesten ze strijden tegen de zgn. Doceten.
"Doceten" waren mensen die met zoveel woorden zeiden dat Jezus wel ogenschijnlijk mens was geweest, maar toch niet echt de menselijke natuur had aangenomen. Hoe zou God Zelf aan de menselijke existentie deel kunnen hebben? In een vroeg Docetisch werk, de apocriefe "Handelingen van Johannes", wordt Jezus afgebeeld, terwijl Hij met de Apostel Johannes in een grot in de Olijfberg een gesprek voert. Op datzelfde ogenblik lijkt het erop - voor oningewijden - dat Hij wordt bespot en gekruisigd op Golgotha! Jezus is geen Lijdende Knecht; Hij gaat de weg van het lijden niet tot het einde! Een Mystagoog is hij, iemand die mensen geestelijke Inwijding wil bezorgen. In dat verband komt er een stukje voor dat we hier citeren, omdat deze "Christus" zegt wie hij is:
"Wie ben ik? Dat zult gij weten, als ik wegga.Wat ik nu schijn te zijn, dat ben ik niet: maar wat ik ben zult ge zien, als ge komt.
Als ge hadt geweten hoe ge lijden moest, had ge de macht ontvangen om niet te lijden.
Ken uw lijden en gij zult de macht hebben niet te lijden. Dat wat gij niet weet, zal ik zelf u onderwijzen." 3) Het woord "dokesis", waaraan deze Doceten hun naam ontlenen, is het Griekse woord voor "schijn". Jezus is alleen voor ons oog de Ware Mens, de Lijdende, die "in de tuin van de pijnt verkoos om een Lam te zijn". 4) Uiteindelijk is "de docetische Jezus" als de Griekse goden die in de Hellenistische cultuur van die dagen de "gemakkelijk levenden" heetten, omdat ze door geen enkel lijden ooit aangeraakt werden. Mensen die op deze goden wilden lijken, moesten, naar de opvatting van de Stoicijnen, een van de filosofische stromingen uit deze eerste eeuwen, eveneens door "a-patheia" gekenmerkt worden; in hun leven moesten ze wezenlijk onaangedaan blijven voor smart en pijn. De oppergod Zeus, die heel geregeld menselijke gedaante aanneemt om een schone sterfelijke vrouw het hof te maken en bij haar kinderen te verwekken is het schoolvoorbeeld van zulk goddelijk "onbekommerd" gedrag! Een andere parallel van de Jezus der Doceten is de Hindoe-god Visjnoe, die, volgens de mythen en legenden, geregeld op aarde komt, in de gedaante van mensen als Rama en Krishna, maar die nooit echt mens wordt, nooit "in onze plaats gaat staan". Tegen zo'n ogenschijnlijk vrome visie - "God kan niet sterven" - gaat echter de eerste lichting Christelijke theologen hevig in. Het centrale Mysterie van de Menswording wordt immers op deze wijze ondraaglijk aangetast.
De twee bekendste namen uit de generatie van" Apostol ische Vaders", Clemens van Rome en Ignatius van Antiochie, schrijven in hun brieven vele waarschuwingen tegen deze visie. Bovenaan dit artikel werd een uitspraak van laatstgenoemde geciteerd, maar eerst dienen we hem te introduceren.
Ignatius van Antiochie
Ignatius is de leider van de gemeente van Antiochie. Hij komt in een (min of meer plaatselijke) situatie van vervolging; hij wordt op transport gezet naar Rome, waar hij in de arena zal moeten sterven, door wilde dieren verscheurd.
De gelovigen van plaatsen waar zijn route hem langs voert, hebben gewoon vrije toegang tot hem. In hun gebied heerst op dat moment namelijk geen vervolging! In zijn laatste maanden, vermoedelijk in het jaar 110 A.D., bedrijft Ignatius dus nog een stuk "wereldwijd pastoraat". Mede naar aanleiding van wat hij van deze mensen verneemt schrijft hij een aantal gemeenten onderweg een serie brieven, waarvan er negen overgebleven zijn. De brieven gaan over een aantal uiteenlopende zaken, maar in een aantal ervan komen waarschuwingen voor tegen de Docetische dwaling.
In zijn Brief aan de Efeziers schrijft hij:"Sommigen hebben de gewoonte met boosaardig bedrog de Naam met zich mee te dragen. Tegelijk doen ze dingen die Gode onwaardig zijn. U moet voor deze mensen uit de weg gaan als voor wilde beesten. Het zijn dolle honden die in het geheim bijten.
U moet zich voor deze mensen wachten als voor hen die een moeilijk te genezen ziekte hebben. Er is een arts, vleselijk en geestelijk, geboren en ongeboren, God in het vlees gekomen, in de dood waarachtig levend, zowel van Maria als God afkomstig, eerst onderworpen aan het lijden, toen niet meer in staat te lijden: Jezus Christus onze Heer." (paragraaf 9)
Jezus Christus heet ook "onze God" (inleiding op Efeziers), Hij heet ons "onwankelbaar leven" (Efez.1I1.2)en is in de Brieven van Ignatius ontwijfelbaar "Gods Zoon". Zo lezen we ook dit citaat, aan het eind van de brief aan de Efeziers: "Onze God immers, Jezus de Christus, werd ontvangen door Maria naar Gods bestel uit het nageslacht van David en de Heilige Geest.
Hij werd geboren en gedoopt opdat Hij door het lijden het water zou reinigen.
De maagdelijkheid van Maria echter en het voortbrengen van Jezus bleef de heerser van de wereld verborgen."( XVII1.2; XIX.1)
In die uitspraken schuilen inderdaad elementen die in latere ontwikkelingen van de Christologie soms wat zijn veranderd; zo lezen we in zijn geschriften van "het bloed van God" en "het lijden Gods", zaken die wij vreemd en onjuist achten. Je kunt vroege theologen echter niet binden aan leeruitspraken en inzichten of aan een gegroeide "rechtzinnigheid" van later tijden! We volstaan met op te merken dat in het jaar 110 al uitspraken werden gedaan, waarin de spanning tussen Christus' aardse, menselijke, bestaan en zijn goddelijke oorsprong goed worden aangegeven. Maar, zegt Ignatius en de vroege Kerk zegt het hem na, zowel die goddelijke als die menselijke kant moet je allebei vasthouden! En in dat verband worden Maria als de Moeder van de "menselijke Jezus" en de Heilige Geest als de Oorsprong van de Goddelijke Christus bij elkaar gebracht en mogen ze ook nooit van elkaar worden "losgekoppeld". En in de strijd tegen de Doceten wordt steeds weer een beroep op Maria gedaan, een vrouw van vlees en bloed, vertegenwoordigster van de mensheid. Geen enkel ander mens heeft zo dicht aan het Grote Geheim geraakt als zij ...Christus de Middelaar is in die positie, niet omdat Hij als bemiddelaar tussen "twee partijen" staat, maar omdat Hij "van vaderskant" "het Gode gelijk zijn" kent, en "van moederskant" ons mensen in alles gelijk is geworden, uitgenomen de zonde.
Gnostiek
Het is voor ons van groot belang te beseffen dat in de eerste eeuwen van het bestaan van de Kerk het niet zozeer Christus' "goddelijke kant", maar zijn waarachtig menszijn was, dat op allerlei manier "onder vuur lag".
Tweeduizend jaar later is dat voor ons geheel anders; daar wordt van Jezus vaak een bij uitstek menselijke figuur gemaakt. (Maar ook in onze tijd zou zich wel weer eens een kentering kunnen voordoen, als ik me niet vergis.
Er is in onze tijd immers een onmiskenbare groei van gnostieke invloed te bespeuren.)
De grote vijand van de Christelijke kerk is steeds de Gnostiek geweest. Ook in de Gnostiek, zoals die zich in de eerste eeuwen van de Christelijke Kerkgeschiedenis gaat ontwikkelen, treffen we steeds opnieuw accent op "de goddelijke Christus". Steeds opnieuw gaat het bij "de Christus" om een soort "boven-historische", boven de geschiedenis uit zwevende "kosmische Christus". Hij is een "Joachim Stiller-achtige" persoon, zoals de hoofdpersoon van een van de boeken van Hubert Lampo, een schimmig wezen dat de tijd doorgaat en het leven van steeds nieuwe generaties in en uitgaat. Hij wordt dan een persoon, zoals we zien in een paar beroemde schilderijen van de nog niet lang geleden overleden Spanjaard Salvador Dali. Op zo'n heel bekend geworden schildering, in het Museum in Glasgow, zweeft een gekruisigde man boven de aarde en de zee; het kruis staat niet stevig in de grond geworteld!
Op andere werken van Dali hangt de gekruisigde niet met spijkers aan een gemeen ogend kruis, maar hangt hijkennelijk zonder lijden - aan de kruisbalken gekleefd ... Gnostieke schilderijen zijn het, zoals ook al blijkt uit een versie die hij heeft gemaakt van Leonardo da Vinci's beroemde muurschildering "Het Laatste Avondmaal". Bij Dali zit Christus daar met zijn leerlingen aan tafel, mens onder de mensen, maar hij blijkt volstrekt doorschijnend!
Hier zit niet een Persoon die in alles aan ons gelijk is geworden, uitgenomen de zonde. (Hebreeen 2:16-18 en 4:14-16)
Dat wat betreft schilderkunst en literatuur. Wie de werken van een Gnosticus als de stichter van de Antroposofie, Rudolf Steiner, leest komt hetzelfde verschijnsel tegen. Waar Steiner over de Heer spreekt, b.v. in zijn commentaar op het Evangelie van Mattheus, blijkt zijn volstrekt gnostieke gezindheid. Hij spreekt bij de doop in de Jordaan over de "Christusgeest" die op de mens Jezus van Nazareth neerdaalt. Deze Jezus heeft in de vele levens die achter hem liggen - Steiner predikt de leer van de Reincarnatie - een hoge graad van zuiverheid verkregen.
Als de Christusgeest op hem neerdaalt, is het goddelijke op Hem. Aan het kruis verlaat die goddelijke geest hem echter - God kan niet stervenen zegt Hij aan het kruis:"Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?"...
Tegenover die Gnostieke predikers leerden dus de Christenen in de Vroege Kerk om de aardse werkelijkheid in Jezus' leven als wapen aan te wenden. Daarom heet het in het Apostolicum: "Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gestorven en begraven" want het kruis stond opgericht in ruimte en tijd, toen en toen op deze aarde. Het is echt zintuiglijk waarneembaar geweest. Zoals Dr. Francis Schaeffer placht te zeggen, het kruis was zo echt dat je, als je erbij had gestaan, je handen had kunnen openhalen aan de splinters.
Christus heeft niet op een plaats boven ruimte en tijd zwevend zich als Christusgeest gemanifesteerd. Hij werd mens, die bij zijn moeder heeft gedronken, die een spijsverteringskanaal had en die moe, verdrietig of neerslachtig kon zijn. Daarom wordt ook al meteen in het Evangelie van Mattheus de komst van de Heiland - in de volheid des tijds, Galaten 4:4 -verbonden met de tijd van keizer Augustus en Quirinius, die het bewind over Syrie voerde. Het is geen boventijdelijke gebeurtenis. Daarom ook spreekt de Kerk de Schrift na:"geboren uit de maagd Maria". In die zin zoeken ook wij nu, bijna 20 eeuwen later, nog steeds naar de juiste woorden om het Geheimenis van Kerst, van de Menswording, goed te verwoorden.
Terugkerend tot Maria, moeten we opmerken dat "Christus niet los verkrijgbaar is"! Wie Hem aanneemt zal ook plaats moeten maken voor zijn Moeder, omdat Hij - alleen door haar - onze Broeder geworden is.
Noten:
1. Geciteerd uit: A.F.J.Klijn. Apostolische Vaders. 1. Kok, Kampen. 1981. pp.81,82.
2. H.Echternach. Kerkvaders, ketters en Concilies. Ten Have, Utrecht. 1965. p.15.
3. Ontleend aan W.Sanday. Chrlstologles Ancient and Modern. Oxford University Press, Oxford. 1910.p.9.
4. Het kan nauwelijks toeval zijn dat ook in de Koran wordt ontkend dat Jezus echt aan het kruis is gestorven. Hij is niet gestorven, want Allah zal zijn gunstgenoten niet op deze manier aan hun einde laten komen. Voor de mensen niet op merken werd in Jezus' plaats een ander, vermoedelijk was het Simon van Cyrene, gekruisigd. De passage die hierover gaat is Soera (hoofdstuk) 4:154/155 en volgende: "Nee, God heeft ze verzegeld wegens hun ongeloof en niet geloven zij, tenzij weinig. En wegens hun ongeloof en hun uitspreken van ontzaglijke laster over Maria. En wegens hun zeggen: wij hebben gedood de Messias Jezus, zoon van Maria, boodschapper van God.- Maar niet hebben zij hem gekruisigd, want voor hen werd een schijnbeeld van hem gemaakt.
Ontleend aan G.Parrinder. Jezus in de Koran. Bosch en Keuning, Baarn. z.j. p.89.
In voetnoot 663 van "The Holy Qur'an", editie Yusuf Ali, bij dit vers uit de Koran wordt rechtstreeks naar de visie van de Doceten verwezen, alsook naar die van de Basilianen een Gnostieke sekte ...