Verschoppeling
1992-12-18
Lezen: Romeinen 12:9-17 - Jaargang 36
- nummer 26
Het gebeurde in een grote stad. In zo'n Chinese hap-slik-tent, waar studenten, cerrière-toze kantoorlui en dagjesmensen zich haastig tegoed doen aan goedkope bamischotels en loempia 's in snelverpakking. Binnen zeurden de griepklanken van een chinees muziekje. Buiten klonken de harde klanken van een haastige stad.
Met een onzekere stap kwam een man over de drempel van het restaurant.
Hij praatte in zichzelf en zijn baard was even groezelig als lang. Zijn uiterlijk had alle kenmerken van een paria van de grote stad.
Op zijn rug hing een oude juten tas. Zijn linkerhand torste drie ongelijksoortige plastic tassen. In zijn andere hand droeg hij behoedzaam - alsof het een klein ziek vogeltje was - een in krantenpapier gewikkeld pakje. Schuw nam hij in een hoekje plaats. Vlak bij de deur. En net buiten bereik van het felle neonlicht en de nieuwsgierige blikken van de andere klanten.
De juten tas kwam op de bank. De ongelijksoortige plastic zakken er naast. Een van de drie overjassen ging uit. Hij legde het pakje voorzichtig voor zich neer, rekte z'n benen uit en maakte het zichzelf gemakkelijk.
Ik zag hoe hij een ferme sigarenpeuk uit de asbak viste, deze met een brede grijns aanstak en de rook zichtbaar genietend naar binnen zoog. Intussen frommelden zijn grofrode handen aan het kleine pakje. Kennelijk was het de bergplaats van een kwetsbare schat. Zijn gemompel klonk even tevreden als het geluid van een spelend kind op een warme dag.
Eerst gingen de kranten er af. Daarna schoof de man het geheimzinnige pakje wat weg - alsof de tijd nog niet rijp was voor de onthulling van zijn kostbare schat - en stond op. Uit de afvalbak diepte hij een wegwerpmes en een idem plastic vorkje op. Zorgvuldig likte hij mes en vork schoon en legde het bestek voor zich op het tafelblad.
Links en rechts van het pakje. Nog even een schichtige blik, en toen was het zover ...
Met het plechtige gebaar van een predikant die het brood breekt achter de avondmaalstafel scheurde de man het vetvrije papier open, waaronder zijn kostbaarheid verborgen was. Daar lag het dan! Bruin. Geurig. Glanzend.
Warm. Een fors stuk appelgebak. Er klonk blijdschap door in zijn gemompel.
Aarzelend nam de man het wegwerpbestek ter hand, maar - vreemd genoeg - hij nam geen hap! In plaats daarvan bleef hij aandachtig naar zijn schat kijken. Alsof hij de aanblik van dit stukje zaligheid in zijn geheugen wilde griffen.
Voor alle eeuwigheid ... Alsof hij zijn ogen niet kon geloven!
Zijn sigarenpeuk had hij op de rand van de houtentafel gelegd. Maar hij merkte niet, dat die zich daar langzaam maar zeker begon in te branden. En hij zat daar maar, tussen zijn jas en zijn tassen. Met in zijn ogen de blik van een verschoppeling, die geen zegening begrijpen kan. Dat zich een sterke brandgeur verspreidde tussen de studenten, kantoorlui en dagjesmensen, merkte hij niet.
De serveerster wel! Als een ware wraakgodin schoot ze op de zwerver af. "Wil je wel eens oprotten. Vuile schooier. Je steekt de zaak in de fik. Je verjaagt m'n klanten!"
Haar stem klonk schel. De man schrok op en zag zich gebombardeerd door afkeurende blikken van tientallen klanten.
Even dook hij in elkaar, als een kleine hond die slaag verwacht. Toen greep hij zijn jas, zijn tas en de plastic tassen. Hij vluchtte weg en verdween als een opgejaagd beest in het harde geluid van de haastige stad. Op de tafel stond nog onaangeroerd en warm ... zijn kostbaarheid. Het weggooi mesje rechts. Het schoongelikte dito vorkje links. Symbool van vergeefse zegeningen.
Geroutineerd veegde de serveerster het tafeltje schoon. De geurige appelpunt ging ten onder in de bamiresten van de afvalbak. Niemand protesteerde. Gewend als we zijn aan vergeten mensen en aan de gebroken scherven van andermans geluk ...
Dit artikel van de hand van de bekende Drs. A.C. Bronswijk knipten wij uit: 'VANDAAR - Maandblad voor zending, werelddiaconaat en ontwikkelingssamenwerking -'. Het past precies bij de Adventstijd waarin wij ons voorbereiden op de viering van het Kerstfeest. Aan wie werd de eerste Kerstpreek geadresseerd? Aan herders! De herders van Lucas 2 waren pure verschoppelingen. Zij waren uitgestoten, uit de gemeenschap verdreven. Ze hadden niets in de melk te brokkelen. Zij hadden geen stem in het kapittel en mochten niet eens getuigen voor de rechtbank. Maar de Here God associeert Zich in die donkere Kerstnacht JUIST met hen. De engel zei tot hen: "U is heden geboren de Heiland, namelijk Christus, de Here, in de stad van David." (Lucas 2:11). Armen, bedelaars, in de ogen van de mensen veracht, richt God uit het slijk op en Hij plaatst hen naast prinsen en wereldgroten (Psalm 113). Die herders mogen aan anderen gaan vertellen, dat alleen HET KIND redt! "Komt, verwondert u hier, mensen, ziet, hoe dat u God bemint, ..."
Ik bid u allen gezegende Kerstdagen toe!