Nooit zonder U
1988-01-08
En hij zeide tot Hem: Indien Gij zelf niet medegaat, doe ons vanhier niet optrekken.- Jaargang 32
- nummer 1
(Exodus 33: 15)
Een nieuw jaar is door Gods gunst begonnen, en we kijken allemaal uit naar wat dit jaar te bieden zal hebben. Er naar uitkijken ... dat betekent niet voor ieder van ons dat we met enthousiasme en vol verwachting het nieuwe jaar tegemoet 'gaan. De nieuwheid van het nieuwe jaar is immers maar heel betrekkelijk. De oude zorgen en de oude vragen laten we echt niet achter.
Toch zoeken we, juist bij een jaarwisseling, naar dat wat hoop biedt. Naar houvast voor de toekomst. Hoezeer we dat houvast alleen bij God de Here kunnen vinden, dat moge blijken uit de tekst die ik boven aanhaal.
Het is een woord van Mozes, waarin hij uitspreekt, dat hij zonder de Here niet verder wil. Om het gewicht van deze woorden te beseffen, moeten we er aan denken, op welk moment Mozes dit zei.
Het gebeurde na een van de grootste crises in de verbondenheid tussen God en zijn volk. Het volk was gelegerd bij de berg Horeb, waar het nog maar pas geleden de woorden van het Verbond gehoord had. Daarna was Mozes de berg opgegaan, om nog meer van God te horen. En ja, dat was de mensen te lang gaan duren. Ze hadden daarom zichzelf een Gods-beeld gemaakt. Een god, waar je tenminste niet op hoefde te wachten. Een god, die je in je vingers hebt, en die voorop gaat als dat nodig is.
Het tabernakelplan verstoord
Enfin, dat was de situatie die Mozes aantrof toen hij van de berg af kwam.
Terwijl hij Gods gebod in zijn handen en Gods tabernakel in zijn hoofd had.
Ja, daar waren die 40 dagen immers aan opgegaan: aan de heerlijke beschrijving van Gods tabernakelplan, in al zijn details. Terwijl de Here Mozes liet zien, hoe Hij midden onder zijn volk wilde wonen, hadden de mensen van God een onder-onsje gemaakt.
En was Mozes hier al vertoornd over, de Here zelf uiteraard nog veel meer.
Aanvankelijk had hij gedreigd, het volk Israël te vernietigen om uit Mozes een nieuw volk te bouwen.
Mozes is toen opgetreden als de grote voorbidder voor het volk. Een voorbidder, waar God naar luisterde. Maar ...
daar was wel wat bijzonders mee. God heeft Mozes als het ware in twee fasen verhoord. In het begin van hfdst. 33 had de Here al heel veel toegezegd, maar daar had Mozes (met eerbied gesproken) geen genoegen mee genomen.
Moet u horen, wat God al aangeboden had; "Ga naar het land, waarvan Ik Abraham, Isaäk en Jakob gezworen heb: aan uw nakomelingschap zal Ikhet geven - Ik zal een engel voor uw aangezicht zenden en verdrijven de Kanaäniet, de Amoriet, de Hethiet, de Fereziet, de Heviet en de Jebusiet -, naar een land vloeiende van melk en honig" (33: 1-3).
Ziet u voor u, wat dat betekent: dan had Israël toch precies gekregen wat het : wilde? Wel alle zegeningen van een land van melk en honig, wel de overwinning op de vijanden... maar niet, dat God persoonlijk met zijn ondoorgrondelijke heiligheid bij hen was.
Zegen zonder God?
Wel, en dàt is nu waar Mozes in de aangehaalde tekst 'nee' tegen zegt. "Indien Gij zelf niet medegaat, doe ons vanhier niet optrekken. " Onwillekeurig vullen wij dan in, dat Mozes zou bedoelen: ,,O God, zonder U zijn wij verloren in deze woestijn en zonder U verliezen wij het van onze vijanden. Help ons toch!"
Maar dat bedoelt Mozes nu juist niet.
Immers: de Here had al beloofd om alle problemen op te lossen en zijn volk in het beloofde land te brengen. Mozes bidt echter om iets anders. Hij zegt: "Here God, wij blijven liever met U in deze woestijn, dan zonder U in het beloofde land. Indien Gij zelf niet meegaat, doe ons vanhier niet op-trekken".
Ik zou zeggen: als we aan dit gebed nu eens denken aan het begin van het nieuwejaar .We staan in de startblokken om op te trekken, het nieuwe jaar tegemoet.
En we hebben daarbij veel om aan de Here voor te leggen. We mógen dan ook bidden: Here, wilt U dit en dat laten gelukken, ons zegenen in ons werk en onze gezondheid". Maar Mozes' gebed kan ons leren om vèr daar boven uit te bidden: Here God, wilt U met ons meegaan.
Er bij zijn. Dat is de allerrijkste verhoring van onze gebeden.
Als U niet met ons meegaat, dan zijn gezondheid en werk, voorspoed en zegen ons niets waard. En daar tegenover, je durft het haast niet te zeggen, maar toch is het zo: alle nood en moeite is uiteindelijk te
dragen, als Gód er maar bij is.
Woord vooraf
Nadat in 'Opbouw' de verantwoording van de Nederlands Gereformeerde Kerk van Eindhoven inzake de vrouw in het ambt was verschenen, ontving de redaktie verscheidene brieven. Deze korrespondentie en de diskussie over dit onderwerp kunnen niet los worden gezien van de komende Landelijke Vergadering.
Op de agenda van de LV van Dronten staat ook het rapport van de kommissie die zich bezig heeft gehouden met 'de vrouw in het diakenambt' . Dit rapport werd geruime tijd geleden aan de kerken toegezonden.
In verband met deze diskussie heeft de redaktie aan de kommissie toestemming gevraagd om over te gaan tot publikatie van het door hen geschreven rapport. Gezien het feit dat het rapport inmiddels al op veel plaatsen besproken en geciteerd is, heeft de kommissie gemeend in het verzoek van de redaktie van 'Opbouw' te kunnen bewilligen.
Inhet rapport van de kommissie, ingesteld door de LV van Enschede, worden slechts die vragen behandeld, die in de opdracht aan de kommissie (door de LV van Enschede) verwoord werden (zie dit nummer 'Opbouw'). Andere vragen, die weliswaar in de diskussie over het rapport een rol spelen, vielen buiten de opdracht van de kommissie. Het rapport is dan ook 'smaller' dan dat van de kerk van Eindhoven.
De Landelijke Vergadering van Dronten zal zich verder moeten buigen over de inhoud van dit kommissierapport.
In 'Opbouw' wordt de indeling gehanteerd, zoals deze ook in het rapport van de kommissie terug te vinden is. Deze week wordt de inleiding (met daarin de opdracht voor de kommissie) behandeld. Tevens komt de vraag aan de orde of het Schriftuurlijk verantwoord is om zusters te roepen tot het ambt van diaken behandeld. Volgende week wordt gesproken over het ambt. Het derde deel gaat in op de vraag ofhet Schriftuurlijk verantwoord is dat vrouwelijke diakenen samen met de ouderlingen lid zijn van de kerkeraad.