Rapport van de 'kommissie vrouwelijke diakenen' (1)
1988-01-08
Aan de kerken, - Jaargang 32
- nummer 1
De Landelijke Vergadering (L V) Enschede benoemde in haar zitting van 22 maart 1986 een kommissie ter bestudering van de vragen rond de openstelling van het diakenambt voor de zusters der gemeente.
De samenstelling van deze kommissie was uiteindelijk als volgt: Dhr. H. Algra, Den Helder; Ds G. van Atten, Gorinchem, Ds M.H. T. Biewenga, Zoetermeer; Ds J. Bouma, Shedrecht; Mevr. C. M. Breman, Amsterdam; Os J. D. Smit, Maastricht.
J. Bouma trad als voorzitter op, H. Algra als sekretaris.
De kommissie heeft 8 maal vergaderd in Breukelen.
Met vreugde mag worden gekonstateerd dat de vergaderingen steeds in een uitstekende atmosfeer verliepen.
Het resultaat van ons werk is in het hierbij gaande rapport op schrift gesteld. We hopen, dat we in onze arbeid de noodzakelijke nauwgezetheid betracht hebben, gepaard aan een attente horigheid aan de Schrift.
Met de bede, dat ons werk een goede zin mag blijken te hebben voor het geheel van onze Nederlands Gereformeerde kerken, bieden wij Uhierbij ons rapport aan.
Met christelijke groet, namens de kommissie, H. Algra.
Inleiding
De kommissie heeft de volgende opdracht ontvangen: "In een rapport de volgende Landelijke Vergadering breder van advies te dienen over de vraag of het Schriftuurlijk ver-antwoord is zusters te roepen tot het ambt van diaken. En zo ja, of het dan eveneens Schriftuurlijk verantwoord is dat zulke vrouwelijke diakenen samen met de ouderlingen lid zijn van de kerkeraad".
Met de eerste van deze twee vragen heeft ook een eerdere door de Landelijke Vergadering benoemde kommissie zich bezig gehouden. Deze kommissie is niet tot een eensluidende konklusie gekomen. Voor de rapportage van de kommissie verwijzen we naar de akta van de LV Enschede 1985-1986/bijlage 22.
De kommissie heeft behalve van deze rapporten ook nauwkeurig kennisgenomen van de op de LV gevoerde diskussie.
Zij heeft de overtuiging dat met name door die diskussie meer licht is gevallen op diverse Schriftgedeelten.
De tweede vraag die ons is voorgelegd betreft de verhouding tussen het ambt van ouderling en dat van diaken. Indien de Schrift een opening zou blijken te bieden in de richting van vrouwelijke diakenen, hoe hebben we dan te denken over haar plaats in de kerkeraad? Geven de diakenen, als leden van de kerkeraad, niet de facto mede leiding aan de gemeente, en moet ons dat niet uiterst behoedzaam maken m.b.t. de vrouwelijke diaken, gezien hetgeen Paulus leert in 1 Corinthe 11 vers 3, 14 vers 34-36 en in 1 Timotheüs 2 vers 11 en 12?
A) Is het Schriftuurlijk verantwoord zusters te roepen tot het ambt van diaken?
Over het dienen van zusters in de gemeente en over het met ere genoemd worden van vrouwen in de Schrift hoeven we niet veel naar voren te brengen.
Daar zijn al vele goede woorden over gesproken, die geen nadere toelichting behoeven. We willen ons met name concentreren op wat er in 1 Tim. 3 vers 11 en Romeinen 16 vers 1gezegd wordt.
In 1 Tim. 3 vers 11 lezen we: "Evenzo moeten (hun) vrouwen zijn: waardig, geen kwaadspreeksters, nuchter, betrouwbaar in alles".
Over deze tekst bestaan verschillende opvattingen. Enerzijds wordt gedacht aan vrouwen (echtgenotes) van diakenen, anderzijds wordt het standpunt ingenomen, dat de apostel Paulus hier spreekt over vrouwelijke diakenen.
Wat de eerste opvatting betreft, daarvoor ontleent men steun .aan de suggestie, welke van verschillende vertalingen uitgaat, dat het Griekse woord 'gunaikas ' weergegeven kan worden met "hun vrouwen ", Aan deze vertaling ligt de gedachte ten grondslag dat er in het Nieuwe Testament van vrouwelijke diakenen geen sprake is.
Hoewel deze opvatting zeker het overwegen waard is, zijn er ook tal van argumenten tegen in te brengen. We verwijzen hier met name naar hetgeen door Dr D. Holwerda in de diskussie op de laatstgehouden LV naar voren is gebracht (later gepubliceerd in 'Opbouw', 30e jaargang, nr. 15, blz. 117).
De volgende argumenten hebben de kommissie tot de overtuiging gebracht dat Paulus hier spreekt over vrouwelijke diakenen: 1) De bepalingen in 1 Tim. 3 die gelden voor het ambt van diaken lopen vrijwel parallel met die, welke gelden voor het ambt van ouderling. Wanneer vers 11 er even tussenuit gehaald wordt, dan is de parallellie vrijwel volmaakt.
Wanneer we zouden aannemen dat in vers 11 de vrouwen van diakenen bedoeld worden, doet zich de vraag voor waarom Paulus iets dergelijks dan ook niet gezegd heeft t.a.v. de vrouwen van ouderlingen.
2) Het lijkt daarom meer voor de hand te liggen, dat Paulus, sprekend over de diakenen, eerst in vers 8 tot 10 de vereisten noemt, die gelden voor de diakenen in het algemeen, waarna hij in de verzen 11 en 12 een differentiatie aanbrengt: in vers 12 noemt hij iets, dat alleen voor mannelijke diakenen geldt, terwijl hij in vers 11 onderstreept, dat de in het voorgaande genoemde kriteria ook voor vrouwelijke diakenen gelden.
Gezien het feit dat deze vrouwen genoemd worden bij de diakenen, moeten we hen onderscheiden van de weduwen, over wie Paulus spreekt in hoofdstuk 5.
3) Waarom heten deze vrouwen dan geen diakenen? Wel, omdat Paulus hen op deze plaats nadrukkelijk wil onderscheiden van haar mannelijke kollega's, en aangezien er in die tijd nog geen vrouwelijke nevenvorm van 'diakonos ' was, duidt Paulus haar aan als vrouwen.
Dan nu de tweede tekst, Romeinen 16 vers 1 en 2: "Ik beveel Febe, onze zuster, (tevens) dienares der gemeente te Kenchrea, bij u aan, dat gij haar ontvangt in de Here op een wijze, de heiligen waardig, en haar bijstaat, indien zij u in het een en ander nodig mocht hebben. Want zij heeft velen, ook mij persoonlijk, bijstand verleend".
Febe wordt hier genoemd "dienares der gemeente te Kenchrea". Het woord 'dienares' is de vertaling van het Griekse woord 'diakonos'. Dit woord 'diakonos' komt zowel voor in de ruimere betekenis 'dienaar' als in de ambtelijke betekenis 'diaken'.
Wanneer we hier kiezen voor de laatste betekenis - 'diaken' - dan kunnen we daar de volgende redenen voor aanvoeren:
1) Van Febe worden twee dingen gezegd.
Allereerst, dat zij een funktie heeft in de gemeente van Kenchrea. En in de tweede plaats op welke wijze zij zich verdienstelijk heeft gemaakt.
"Wantzij heeft velen, ook mijpersoonlijk, bijstand verleend", zegt Paulus.
Daarmee geeft hij een goed getuigenis van haar handel en wandel. Het is goed dat onderscheid hier aan te brengen.
Paulus spreekt hier zowel van haar status (diaken) als van haar dienst, de wijze waarop zij haar diakenschap heeft uitgeoefend.
2) De formulering die Paulus bezigt, wijst ook op die ambtelijke betekenis dia-ken. "Zijnde diaken", zo zegt hij.
Dit deelwoord 'zijnde' wordt doorgaans gebruikt om aan te duiden dat iemand op dat moment in funktie is, zijn/haar ambt uitoefent. Een goed voorbeeld hiervan vinden we in Johannes 11 vers 49, waar gezegd wordt: "Maar één van hen, Kajafas, zijnde hogepriester van dat jaar ... ", Dit "zijnde hogepriester" wijst op de aktue Ie uitoefening van het ambt. Andere voorbeelden vinden we in Handelingen 18 vers 12 en 24 vers 10, waarletterlijk vertaald staat: " Gallio, zijnde de stadhouder ven Achaje., en "Gij (Felix) reeds vele jaren rechter zijnde".
3) Tenslotte moeten we nog wijzen op de toevoeging "van de gemeente te Kenchrea IJ.
Deze toevoeging geeft niet alleen aan waar Febe vandaan komt, maar onderstreept nog eens te meer haar ambtelijke status. Zoals ook wij bij tal van funkties de plaatsnaam vermelden om de aktualiteit van iemands funktie aan te geven; Janse, burgemeester te ..... , Pieterse, predikant te ..... , Flipse, ouderling te..... Wanneer iemand zijn/ haar funktie niet meer daadwerkelijk uitoefent, zeggen we: voorheen, rustend, emeritus, gewezen.
Nu Paulus Febe zo nadrukkelijk aandient in bewoordingen die duiden op een aktuele dienst, hebben we reden om aan te nemen, dat zij de gemeente te Kenchrea daadwerkelijk gediend heeft als diaken. (Zie opnieuw het betoog van Dr D. Holwerda, voor wat betreft Romeinen 16 gepubliceerd in 'Opbouw', 30ejaargang, nr. 14, blz. 107-108).
Op grond van het bovenstaande menen wij te mogen konkluderen dat volgens de Schrift vrouwen geroepen werden tot het ambt van diaken.
(wordt vervolgd)