Fundamentalisme (2)
1989-05-26
Ervan uitgaande dat de bijbel het zuivere Woord van God is, nemen de fundamentalisten het standpunt in dat de auteurs van de Bijbelboeken niets kunnen hebben neergeschreven dat onjuist is. Daarbij hanteren zij een definitie van wat ‘juist’ of ‘onjuist’ is die ontleend is aan de exacte wetenschappen. Voor hen bevat een verslag van een Bijbelschrijver in die zin geen ‘onjuistheden’, dat het precies overkomt met de werkelijkheid: in de bijbel worden de exacte feiten beschreven. Voor het omgaan met de bijbel heeft dat verschillende consequenties.- Jaargang 33
- nummer 11
Konsekwenties
In de eerste plaats wordt de bijbel op deze manier een bron van informatievoor allerlei wetenschappelijk onderzoek. Zo is het een typisch fundamentalistisch pogen, om de geschiedenis. van het oude Egypte met zijn talloze farao's te reconstrueren naar aanleiding van wat in Genesis en Exodus over Egypte geschreven is: daarin worden immers exacte feiten vermeld I Ook de ijver om de gevolgen van allerlei in de bijbel berichte rampen en,wonderen geologisch en astrologisch vast te stellen, is kenmerkend voor het fundamentalisme.
In de tweede plaats worden profetieën gelezen als - alweer - heel exacte reportages van toekomstige gebeurtenissen. Uit allerlei voorzeggingen uit oude en Nieuwe Testament worden gegevens gekombineerd tot men als het ware over een gedetailleerd draaiboek voor de toekomst beschikt. Zo gaan de fundamentalisten ervan uit, dat de Here Jezus bij zijn wederkomst heel konkreet vanaf de Olijfberg zijn rijk zal vestigen: uit Zacharia 4:4 en Handelingen 1:11,12 valt dat exact af te leiden!
In de derde plaats doen de fundamentalisten koortsachtige moeite om de bijbelverhalen te harmoniseren: zij proberen ze met elkaar in overeenstemming te brengen wanneer zij één en dezelfde gebeurtenis verschillend of zelfs tegenstrijdig weergeven. Iedereen die nauwkeurig bijbel leest, zal namelijk vroeg of laat ontdekken dat verslagen van elkaar afwijken. Neem nu eens de berichtgeving over de ontdekking van het lege graf van Christus in de vier evangeliën. Volgens Marcus 16:2 ging Maria van Magdala samen met Maria, de moeder van Jakobus, op weg naar het graf toen de 'zon' opging, maar volgens Johannes ging Maria van Magdala alleen, op een zo vroeg tijdstip dat het nog donker was. De gemiddelde bijbellezer zal daar geen punt van maken, maar de fundamentalist wel: hij neemt immers aan dat de bijbel geen onjuistheden bevat en informatie geeft over het preciese tijdstip en het preciese aantal! Daarom gaat hij die uiteenlopende berichten harmoniseren, bijvoorbeeld zo: Maria van Magdala vertrok inderdaad toen het nog donker was, maar op het moment dat de zon opkwam, voegde de andere Maria zich bij haar zodat zij samen bij het graf aankwamen.
Hoe ingrijpender nu de verschillen en tegenstrijdigheden zijn, hoe vernuftiger en gekunstelder de harmonisaties worden. Ook hierin opereert men duidelijk in de sfeer van de exacte wetenschappen: door scherp logisch te redeneren probeert men de zaken ‘kloppend’ te krijgen.
4. Herkenning
Hoewel er naar mijn inzicht heel wat valt in te brengen tegen het fundamentalisme en tegen zijn omgang met de bijbel in het bijzonder, wil ik eerst wijzen op datgene in deze stroming wat herkenning verdient. In veel kritiek - b.v. in het boek van James Barr - wordt onvoldoende gehonoreerd dat men volkomen terecht is opgekomen voor de betrouwbaarheid van Gods Woord en voor de verankering van het evangelie in de historische feitelijkheid.
Vergeleken bij de cynische manier waarop sommige kommentaren de bijbelschrijvers betichten van ondeskundigheid, geschiedvervalsing of primitieve Godsvoorstellingen, is de fundamentalistische hartstocht om het bijbelverhaal serieus te nemen als betrouwbare Godsopenbaring een weldaad. Het verkeert bovendien in uitstekend gezelschap als het hamert op de historiciteit van gebeurtenissen en wonderen die in de bijbel verhaald worden. Een man als de (syn.) gereformeerde prof. dr. J.T. Bakker uit Kampen, die in de verste verte geen fundamentalist is, heeft in een belangwekkend artikel aangetoond van hoeveel belang het is om aan het verband tussen 'verhaal' en 'feit' vast te houden.
De wonderbare visvangst
Hij vergelijkt de manier waarop twee beroemde theologen in resp. een preek en een meditatie omgaan met het verhaal van de wonderbare visvangst.
Volgens de ene uitlegger, Rudolf Bultmann, wordt er niet van ons gevraagd om te geloven dat het in Lukas 5:1-6 verhaalde wonder echt gebeurd is. Dat zou ons niet alleen voor de onmogelijke opgave plaatsen om als moderne mensen plotsklaps weer een wereld van sprookjes binnen te treden, maar dat doet ook geen recht aan de eigenlijke boodschap van Lukas 5.
Het verhaal van de visvangst fungeert daar namelijk als de inleiding op de roeping van Petrus, de visserman, om visser van mensen te worden.
Dat is een moeilijke om niet te zeggen een onmogelijke opgave. En ziedaar, de betekenis van het wonderverhaal dat eraan voorafgaat: dat maakt duidelijk dat datgene waartoe Jezus je roept zal lukken! Of het wonder 'echt gebeurd' is, is eigenlijk helemaal niet belangrijk. Het is een verhaal dat uitdrukking geeft aan het geloof van de eerste christenen, dat het in de kracht van God wel degelijk mogelijk is om visser van mensen te worden. Het duidt aan hoe Petrus in geloof zijn roeping kon ervaren en aanvaarden.
(Tussen twee haakjes: het is alsof je bij dominee Nico ter Linden op verhaal komt in de Wester! Ook bij hem de verklaring, dat het 'echt gebeurd' zijn van allerlei bijbelverhalen eigenlijk helemaal niet interessant is, maar dat het gaat om de 'waarheid' van die verhalen. Ik vind het verbazingwekkend dat hij met deze theologische toverformule zo geweldig veel stof heeft doen opwaaien in orthodox Nederland: 25 jaar geleden was dit tegenover elkaar uitspelen van 'waar' en 'echt gebeurd' al aan de orde van de dag, zij het op akademisch niveau. Het enige nieuwe lijkt mij dan ook te zijn, dat de vermaarde vertelkunst van Ter Linden zoveel bevattelijker is dan de theologische geheimtaal van Bultmann en ons bereikt onder het vertrouwde vignet van de NCRV.).
Verdamping van het evangelie
Nu wijst Bakker erop dat die preek van Bultmann eigenlijk zo mooi en vol zeggingskracht is. De gedachtengang heeft dan ook iets bekoorlijks: doet het er inderdaad wel zoveel toe, of die wonderbare visvangst echt gebeurd is of niet? Hebben mensen als Bultmann en Ter Linden in zoverre niet gelijk, dat zo'n wonderverhaal een boodschap uitbeeldt en dat het erom gaat die boodschap, die 'waarheid' te vatten?
En worden zij niet in het gelijk gesteld door al die saaie orthodoxe preken, die jou opschepen met een wonder dat dan wel 'echt gebeurd' is maar waar je verder niets aan hebt?
Op dit moment is het goed, te luisteren naar die andere theoloog die Bakker aanhaalt, Hans Joachim Iwand. Ook hij wil ernst maken met dat waardevolle gegeven, dat het verhaal van de wonderbare visvangst iets 'zegt' over de roeping van Petrus. Ook hij leest in dat verhaal de diepe 'waarheid', dat de onmogelijke taak waartoe Jezus mensen kan roepen door zijn machtswoord tóch 'waarheid' is, niet los temaken van het 'echt gebeurd zijn' van het wonder. Immers, aldus Iwand, hoe zou Petrus het ooit heb ben kunnen aandurven om deze roeping te volgen, als hij niet werkelijk perplex gestaan had toen de opdracht van Jezus om te gaan vissen een machtswoord bleek te zijn? Komt het geloof van de christelijke gemeente, dat de roeping om vissers van mensen te worden geen onmogelijkheid is, niet in de lucht te hangen als die vreemde feitelijkheid van de wonderbare visvangst vervalt?
Verliest de roeping van Petrus niet al haar ongewoonheid en vreemdheid, wanneer hij niet éérst was opgeschrikt door dat zonderlinge bevel om te gaan vissen?
Iwand maakt duidelijk, dat de konsternatie die het optreden van Jezus volgens de evangeliën teweeg gebracht heeft, bepalend is geweest voor zijn zeggingskracht. Zonder de feitelijkheid van dat wonderlijke optreden valt die konsternatie voor een groot deel weg, met als gevolg dat ook zijn boodschap om zo te zeggen 'verdampt'!
Je leven buiten jezelf in Christus zoeken
Met deze zinsnede uit een van de belijdenisvragen zou ik de diepste reden willen aanduiden waarom Iwand, bijgevallen door Bakker, de waarheid van de bijbelverhalen afhankelijk acht van het 'echt gebeurd' zijn daarvan. Wie met Bultmann de feitelijkheid van het verhaalde schrapt, houdt een 'waarheid' over die uiteindelijk opkomt uit onze eigen werkelijkheid. Bij hem is het ten diepste de moedige en inspirerende geloofsbeslissing van Petrus om Jezus te volgen, die Lukas 5 ons met behulp van dat boeiende verhaal ter navolging voorhoudt - niet het optreden van de Here Jezus waarop die geloofsbeslissing een reaktie was. De durf van het geloof wordt niet van buitenaf opgewekt, door het verbluffende en zinvol blijkende bevel van Jezus om te gaan vissen, maar behoort tot de ongedachte mogelijkheden van ons eigen mens-zijn. God zelf komt in deze visie niet van buitenaf tot ons, onze leefwereld van moeheid en ongeloof openbrekend door zijn verrassend handelen, maar is aanwezig in ons hart, in zoverre wij zelf in staat blijken te zijn boven onze moeheid en alledaagsheid uit te stijgen.
Willen wij echter blijven spreken van een God die ons vanuit zijn anderszijn tegemoet treedt, dan ontkomen wij er niet aan al die bijbelverhalen op te vatten als beschrijving van vreemde, harde feiten. Juist in de feitelijkheid van het 'echt gebeurd zijn' van die verhalen manifesteert zich, dat ons geloof niet uit onszelf opkomt, maar stoelt opeen werkelijkheid die fundamenteel buiten onszelf ligt. Zo heeft de erkenning dat de bijbel alleen maar 'waar' is als wat er instaat ook 'echt gebeurd', is te maken met dat "je leven buiten jezelf in Christus zoeken".
De historische feitelijkheid garandeert ons, dat wij in ons geloof niet enkel maar ons eigen mens-zijn tot ongekende proporties opblazen, maar ons heil wezenlijk door een Ander aangereikt krijgen.