Rapport van de 'kommissie vrouwelijke diakenen' (2)
1988-01-15
Intermezzo- Jaargang 32
- nummer 2
Alvorens nu over te gaan tot de behandeling van de tweede ons gestelde vraag, willen we een ogenblik de pas inhouden, en een niet onbelangrijke tussenvraag aan de orde stellen: wat bedoelen we eigenlijk met het woord 'ambt'?
Wat is het ambt?
De woorden 'dienst' en 'ambt' duiden beide op dezelfde zaak. In ons 'Akkoord van Kerkelijk Samenleven' worden ze dan ook door elkaar gebruikt.
Toch is er een verschil. Het woord 'ambt' benadrukt meer de opdracht en de volmacht van de 'ambtsdrager', terwijl het woord 'dienst' meer ziet op het uitoefenen van de taak.
'Ambt' verwijst daarom duidelijker dan 'dienst' naar Degene Die tot het ambt roept: Christus. En het isjuist dit aspekt dat zo opvalt ten aanzien van het spreken van de Schrift op dit punt. We willen wijzen op drie Schriftplaatsen: Handelingen 20 vers 28: "Ziet dan toe op uz elf en op de hele kudde, waarover de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft om de gemeente Gods te weiden ... "
Efeze 4 vers 11: "En Hij (Christus) heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus".
In 1 Petrus 5 vers 1 tot 4 wordt het werk van de ouderlingen eveneens omschreven in termen van herderschap ('Hoedt de kudde Gods'), maar tevens wordt in deze verzen dit herderschap gezien als een herderschap onder de Opperherder Christus (vers 4).
Het voorgaande heeft konsekwenties voor het uitoefenen van hun taak: ze moeten de gemeente weiden, zoals Christus het ook zou doen. Ze weiden niet hun eigen gemeente, hun eigen kudde, maar de gemeente Gods (Handelingen 20 vers 28), de kudde Gods (1 Petrus 5 vers 2).
Tot deze taak wordt men door Christus zelf door Zijn Geest geroepen. Het geroepen zijn brengt een zekere afzondering met zich mee. De oudsten worden onderscheiden van de kudde, en de herders en leraars van 'de heiligen'. Toch blijven ze ook met de gemeente verbonden en maken er deel van uit als de banden en pezen van het lichaam (Efeze 4 vers 16). Vandaar dat we het woord ambt vanuit de Schrift als volgt mogen invullen: Ambtsdrager zijn betekent: Door de Here geroepen zijn om tegenover en in de gemeente het herderschap van Christus over Zijn gemeente gestalte te geven.
Dit impliceert dat met het ambt een zeker gezag gegeven is. Evenwel kan en mag dit gezag geen ander zijn dan dat van Christus zelf. Hij is de 'enige bisschop (opziener) der kerk' (Art. 31 N.G.B.). De ambtsdrager mag slechts dit gezag doorgang verlenen, bedienen.
Het diakenambt
De teksten die we hiervoor aanhaalden spreken uitsluitend over het ambt van de ouderling. Daarom kan de vraag opgeworpen worden: is het wel terecht om over het diakenschap te spreken als een ambt?
Uit de Schrift menen we het volgende op te kunnen maken. Uit Handelingen 14 vers 23 en Titus 1 vers 5 blijkt dat Paulus en Titus in alle gemeenten ouderlingen hebben aangesteld. Over de aanstelling van diakenen wordt noch hier noch elders in de Schrift gesproken. Blijkbaar zijn ouderlingen voor de struktuur van de gemeente wezenlijk.
Een gemeente met uitsluitend ouderlingen is denkbaar, een gemeente met uitsluitend diakenen niet.
Over het ontstaan van het diakenambt worden we in het ongewisse gelaten.
Men heeft wel gedacht aan Handelingen 6 ('de zeven '), maar het is zeer de vraag of daar over diakenen wordt gesproken.
Het woord 'diaken' wordt daar niet gebruikt. In Romeinen 16 vers 1, Filippenzen 1 vers 1 en 1 Timotheüs 3 vers 8 blijken ze er te zijn. Ook worden we nauwelijks ingelicht over hun positie (status), en over de inhoud van hun taak. We zullen hebben te denken aan 'bijstand verlenen' (Romeinen 16 vers 2), 'dienen' (diakonein), hulp, zorg, dienst der barmhartigheid. We krijgen de indruk dat er in alle gemeenten ouderlingen werden aangesteld en wanneer de behoefte werd gevoeld, diakenen.
Dit alles lijkt te duiden op een oorspronkelijke prioriteit van het ambt van ouderling.
Maar misschien kan Handelingen 6 ons toch nog iets verder helpen. We hebben hier namelijk een voorbeeld van het ontstaan van het ene ambt uit het andere.
Dat van 'de zeven' uit het ambt van apostel. De zeven nemen een deel van de taak over, die eerst door de apostelen werd uitgeoefend. Zij worden dan daarvoor apart geroepen en aangesteld in een eigen ambt. Hun worden de handen opgelegd en er wordt voor hen gebeden.
Ze delen in het ambtelijke werk en ontvangen daarvoor dan ook een eigen ambtelijke 'status'.
Zal zo ook niet het diaken ambt ontstaan zijn? Zo zou verklaard kunnen worden waarom er in de Schrift enerzijds een na elkaar lijkt te zijn van ouderling en diaken en anderzijds in Pilippenzen I vers 1 en 1 Timotheüs 3 sprake is van een naast-elkaar als twee onderscheiden ambten met elk hun eigenheid.
(Voor dat laatste valt te wijzen op het gegeven dat in 1 Timotheüs 3 bij de vereisten voor diaken heel kenmerkend de bekwaamheid om te onderwijzen ontbreekt).
Zo hebben we dus schriftuurlijke grond onder de voeten, wanneer we het diakenschap zien als een ambt. De diaken deelt in het ambtelijke werk en heeft daarom ook een eigen ambtelijke positie.
In het bieden van hulp en zorg geeft hij op zijn wijze gestalte aan het herderschap van" Christus; een herderschap dat naar de Schrift zo kenmerkend uitkomt in 'leiden' EN 'verzorgen', (Vergelijk het herderschap van Christus in Marcus 6 vers 30 tot 44, waar het bewogen zijn van Jezus over de schapen zonder herder uitkomt in zowel het 'leren van vele dingen' - vers 34 - als in het 'voeden van de schare).