Nostalgie
1988-01-15
n.a. v Rien Poortvliet, Langs het tuinpad van mijn vaderen", Kok bv., Kampen 1987 - Jaargang 32
- nummer 2
Het nieuwe boek van de onder ons langzamerhand zeer bekende Rien Poortvliet begint met een jeugdherinnering: logeren bij Oom Dirk op Plakkee.
Is niet elk boek vandaag een autobiografie, een zeltbeschrijving?
Dat zij hem dus vergeven.
Ook "nostalgie" is vandaag een algemeen aanvaard woord: dat uitdrukt een heimwee, een verlangen naar de goeie ouwe tijd. En dit boek speelt werkelijk in de ouwe tijd; of die altijd goed is zij in het midden gelaten, maar Rien weet er iets goeds van te maken. In de lijnen van de v.d. Hulsten, in de kleuren van Jetses en met tafrelen als van Anton Pieck geeft Rien Poortvliet een magistraal boek uit, zijn eigen verre herinneringen, maar ook ons aller nostalgie belichaamt. Daarbij hoeft de schilder geen leentjebuur te spelen bij de genoemde drie - zijn eigen stijl is recht door zee, persoonlijk en hartverwarmend
Een kostelijk boek! Al lezende vraagje je af wat nu het meeste boeit: de prachtige illustraties of de verrukkelijke tekst?
Is dit nu een geïllustreerd boek - of een map met omschreven tekeningen? In elk geval geeft de auteur hiermee een waardevol boek aan ons volk (wie weet ook aan andere volkeren), dat een verrassend inzicht geeft in het leven van de gemiddelde Nederlander van de vorige eeuwen. Daarbij is een goed evenwicht tussen tekst en illustratie, tussen schildering en beschrijving gevonden.
Hij vertelt over de Hollandse en de Zeeuwse eilanden, over Zeeuwse paarden en Belzen, over kattekwaad en reizen; en over zijn grootvader, die helaas Dirksland verliet om in Rotterdam te gaan werken. Zijn tafrelen van Dirksland in de winter en Dirksland in de zomer doen denken aan de klassieke vaderlandse schilders - nee, we noemen geen namen. Alles naar onze mening goed tot zeer goed. Het leven op het land, de ouderwetse winkeltjes, de scheresliep en de trevalje, kinderarbeid en zondagsheiliging, geplooide mutsen en handen uit de mouwen, zalmvangst en tien haringen voor een dubbeltje, paardetand en vrouwehand, lantaarnopstekers en ouderwets speelgoed - het is alles even interessant, even boeiend getekend én beschreven.
En passant brengt de tekenaar (of toch de schrijver?) ons een massa oude woorden nader, die we zouden vergeten: als daar zijn: travalje (dwangstal voor lastige paarden, van trouvaille?); de mannetjesputter; ledikant, afgeleid van lit de camp, veldbed; de crêpe sluier aan de hoge hoed van de voormalige aanspreker (Rien vermeld niet de namen lamfer en huilebalk); botertje tot de rand (juister zou zijn: botertje tot de boóm); en de lamp die voorover hing: niet de ballonlamp maar het olie-tuitlampje, dat scheef werd gehangen om de laatste brandstof op te gebruiken; en een voorvader die van beroep "avonturier"
was en dan in de zin van: ondernemer, speculant, risiconemer. Deze en dergelijke dingen vormen de krenten in het smakelijke brood.
Al purende in het verleden (u had het kunnen zien aankomen) verliest hij zich in de jacht op zijn voorvaderen.
Het lijkt niet juist om te spreken van een "stamboom", zoals de omslag en pag. 131 zeggen - want dat is een ander verhaal.
Een stamboom is namelijk het totaal aan afstammelingen uit een enkel huwelijk, vormende een piramide met dat ene paar aan de top en vele nakomelingen aan de basis. Evenmin is het resultaat van Rien's familiestudie een "kwartierstaat" te achten -die een piramide op zijn kop voorstelt, met één persoon aan de grond en al zijn voorvaderen - (33 of 64 of 128 stuks) aan het plafond. Wat Rien ons toont is de lijst van Poortvliet's tot in verre geslachten, zijn zogenaamde stamreeks.
Vertellende over zijn grootouders en oudtantes, ook zijn overgrootouders (uit familieverhalen) komt Rien als vanzelf met wat gezonde fantasie bij zijn volgende generaties, zijn 4e, 5e tot lOe grootvader (de schrijver zelf niet meegerekend, noch zijn vader, noch zijn kinderen of kleinkinderen) en dat is toch wel een enorme hap studie. Gezien de vruchtbaarheid van deze kunstenaar mogen we aannemen, dat hij het speurwerk naar zijn vaderen-Poortvliet aan de beroepspluizers heeft overgelaten; want wie dat allemaal zelf doet moet over veel tijd beschikken, oude handschriften kunnen lezen, de bronnen weten te vinden en goed kunnen combineren en deduceren. Maar wat Rien daar tegenoverstelt: de complete tekening van zijn vaderen-Poortvliet in hun tijd en omgeving, is geweldig.
Het boek is dus in de tweede helft een rapport over de naam Poortvliet geworden, waarbij de gezinnen terloops, worden aangeduid. Wel wordt hier, aan : de hand van de vaderlandse geschiedenis, ontzaglijk rijke achtergrond ge tekend. Oude klederdrachten, eetgewoonten, sociale en hygiënische toestanden, schokkende gebeurtenissenhet komt alles op "van terzijde".
Heksenvervolging, bijgeloof, lijfstraffen als volksvermaak, vrijage en overspel - alles komt u tegen als in de Acta der Nederlandsche Synoden van de 16e Eeuw. De slag bij Waterloo, de Franse tijd, de wolvenplaag van 1760, het Amsterdamse Hoerdom anno 1782, armlastigheid en diaconie, kerkelijke vermaning en drankmisbruik, alles is van zijn gading.
Als een eerlijk schrijver van deze tijd schaamt Rien zich niet, ook de minder fraaie exemplaren uit zijn verzameling te tonen; terecht, want het is niet alles goud wat daar blinkt en ook onze eigen voorouders aten met hun handen, eer ze het mes leerden gebruiken.
Zo leefde Rien's achtste grootvader in Rembrandt's tijd; hij moet "een fatsoenlijke kerel zijn geweest", want hij wordt niet in de kerkelijke boeken vermeld (!). Deze Jan Corneliszoon Poortvliet had een hypotheek op zijn stenen huis aan de Oostagterstraat van Colijnsplaat, had u nog meer willen weten?
Messentrekken, bekkensnijden, nakletsen in 1619 in het j aar dat Johan van Oldebarneveldt werd gedood (terechtgesteld?).
Cornelis Adriaanszoon Poortvliet hoorde bij de dijkwerkers van 12 stuivers per dag en voor je het weet zitten we tussen Hugo de Groot, Jan Pieterszoon Sweelinck, Joost van den Vondel, Paulus P. Rubens en anderen, "die er bij geweest hadden kunnen zijn als ze wilden". Grootvader 9 was nog al een dorstig iemand en zo iets heeft konsekwenties, niet voor de poes. Grootvader 10 was omstreeks 1560 geboren en is - mijmert Rien - wellicht vanwege de Allerheiligenvloed in 1570 uit het dorpje Poortvliet vertrokken.
Dat kon zo maar waar zijn. Achternamen zijn immers in vier hoofdgroepen te verdelen. En wel deze: 1) de namen die van vadersnaam zijn afgeleid: Janssen van Jan, Pieterse van Pieter, enz.; 2) de namen die een beroep aanduiden: Smid, Rietdekker (Thatcher) , Slager enz.; 3) namen die oorspronkelijk als bijnaam zijn bedoeld: Grootkarzijn, Kleinbussink, de Jonge, de Rijke, de Oude, Pastoor'e, Priester's, Konings, enz.; 4) tenslotte de namen, die de plaats van herkomst van een migrant aanduiden: van Tiel, van Apeldoorn, van Swol, (van) Poortvliet. Het voorzetsel van kan, als bij de (van) Poortvliets, zijn afgesleten.
Rien is, beladen met deze rijke kennis over zijn voorgeslacht, de dorpjes rondgetrokken waar zijn vaders-Poortvliet leefden. Hij vond het pad van zijn vaderen, intiemer: het tuinpad van zijn vaderen! Hij heeft plaatjes gemaakt, dorpsgezichten, landschappen, waterpartijen en typen, die u al lezend en kijkend verplaatsen naar de goeie ouwe tijd. En hij rookte een pijpje aan het wijde water, zoals zijn vaderen voor hem deden ...
Dat is nostalgie.