Boekbespreking
1988-01-15
De kerk. Trefpunt van sociale en politieke aktie?- Jaargang 32
- nummer 2
Eindredaktie prof. dr K. Runia.
Prijs 112,50, 64 blz. Uitg. Kok Kampen
Aan dit boekje werd meegewerkt door dr G. P. Hartvelt, dr Herman Ridderbos, dr J. D. te Winkel, drs A. M. Oostlander, dr H. Berkhof, G. J. Schutte, dr G. Dekker, drs W. Speelman, dr Jacob Klapwijk en prof. dr K. Runia.
Honderd jaar geleden ontwikkelde dr A. Kuyper gedachten over het onderscheidt tussen "de kerk als instituut" en "de kerk als organisme". Zijn visie trekt tegenwoordig weer belangstelling.
Daarom is het goed, dat in dit geschrift weer op dit vraagstuk ingegaan wordt.
Prof Runia wijst er in zijn voorwoord op, dat vanaf de zestiger jaren steeds meer kritiek op deze onderscheiding te horen valt. Voor velen hebben christlijke organisaties hun vanzelfsprekendheid verloren. Het gevolg is, dat er een toenemende druk op het 'instituut' ontstaat om leiding te geven inzake brandende ethische kwesties, die ook politieke en sociale consequenties hebben.
Men denke slechts aan uitspraken over nuelelaire bewapening, desinvestering in Zuid-Afrika enz.
In 1986 hebben een aantal theologen en politici in Centraal Weekblad gelegenheid gekregen hun visie daarop te geven.
Deze artikelen zijn nu gebundeld in dit boekje.
Dr Hartevelt opent de rij. Hij laat duidelijk zien, wat de onderscheiding van Kuyper voor betekenis had. Op zondag met de kerk (het instituut) het Woord verkondigen en door de week wisselen wij dat grote geld om in klein geld voor het leven dat wij leven. Dominees vallen ons dan niet lastig met hun eigen positiekeuzen, daar zorgen wij zelf voor.
Reeds bij zijn intreepreek in Amsterdam in 1870 heeft de toen 33-jarige Kuyper de onderscheiding van instituut en organisme gelanceerd. Daarbij blijft hij wel steeds de beide aspecten van de kerk samenzien. Hij wijst ook telkens op de ene wortel, het ene beginsel waaruit alles opkwam.
In het volgende hoofdstuk "De kerk past zich aan bij hetgeen buiten haar aan de orde is" begint dr Ridderbos met de opmerking, dat hij altijd moeite heeft gehad met de ternimologie "kerk als instiuut en kerk als organisatie" (en hij is de enige niet), maar hij verklaart zich wel akkoord met de bedoeling van Kuyper, nl. dat men twee gestalten of bestaanswijzen van de kerk moet onderscheiden.
De kerk zoals zij op zich bestaat, op zondag samenkomt en georganiseerd is door kerkelijke ambten.
Maar de kerk bestaat ook op andere wijze, dan op zichzelf. Zij is ook als gemeente opgenomen in de voortgang van heel het menselijk leven in al haar facetten en ze heeft ook daar haar roeping als gemeente van Christus.
Ridderbos wijst er terecht op, dat de Ned. Herv. Kerk na de oorlog nog eenmaal geprobeerd heeft als Christusbelijdende volkskerk de taak van de christelijke organisaties over te nemen.
Kuitert heeft wellicht door ervaring geleerd, aldus Ridderbos, in zijn boek "Alles is polltiek.maar politiek is niet alles" op hardhandige wijze tegen deze vermenging van regimenten stelling genomen.
Helaas, Kuitert onderscheidt niet slechts beide regimenten, hij scheidt ze ook geheel, merkt Ridderbos terecht op.
Drs Oostlander schrijft onder de pakkende titel "Komt er straks een herderlijk schrijven over de opheffing van de kerk als organisatie?" Er is geen behoefte meer aan wat men noemt het kikomodel. Kiko staat daar voor kerk als instituut en kerk als organisme.
Deze vrees van Oostlander is wel gerechtvaardigd, zoals blijkt uit de conclusie van de taakgroep Kerk en Welzijn aan de synode van Almere, die dezer dagen verscheen. "De onderscheiding tussen kerk als instituut en kerk als organisme", zoals die in de maatschappelijke werkelijkheid door vele gereformeerden gedurende meer dan een driekwart eeuw is geïnterpreteerd, heeft haar funktie verloren. "Aparte vereningingen zijn niet meer nodig, want de Kerk is daar meer bij betrokken. Op deze wijze benaderen de (syn) gereformeerde kerken het hervormde standpunt.
Een stimulans voor het Samen-op-Weg-proces.
Dr Berkhof pleit er in zijn bijdrage voor, dat per concreet geval bekeken moet worden ofhet instituut dan wel het ambt der gelovigen voorop gaat.
Tenslotte, ik kan niet op alle schrijvers ingaan, schreef het kamerlid G. J. Schutte "Wie luistert naar de verkonding, zal er naar moeten leven".
Schutte werkt duidelijk uit. Alleen geeft hij de indruk in de praktijk de belijdenis met de Schrift gelijk te stellen, al stelt hij nadrukkelijk dat dit zijn bedoeling niet is.
Het boekje overtuigde mij, en nu spreek ik prof Runia na, dat het bij deze Kyperiaanse onderscheiding van kerk als instituut en kerk als organisme wel degelijk gaat om belangrijke vragen, die ook nu nog springlevend zijn.
J. Meulink, Enschede