Post uit Rwanda
1989-05-26
Een verhaal voor de kinderen, om over na te denken.- Jaargang 33
- nummer 11
Jonathan en Matthijs gaan naar een internationale school. Dat is een school waar kinderen heen gaan die uit allerlei verschillende landen komen.
Er zijn veel kinderen uit België, sommigen praten Frans, anderen Vlaams. Er zijn kinderen uit Engeland, uit Amerika, uit Canada, uit Zwitserland, uit Duitsland, uit India, uit Arabië, uit China, uit Korea en uit Rwanda en - o ja - ook uit Nederland. Drie kinderen uit Nederland: Jonathan, Matthijs en nog een jongen. Nou weet ik niet eens of ik nog een land vergeten ben. AI die kinderen wonen hier in Rwanda omdat hun vaders en moeders hier werken. Soms blijven ze een jaar, soms tWee, soms drie en soms nog veel langer. Ze gaan niet naar een Rwandeese school omdat ze dan kinyarwanda moeten leren en nog meer dingen waar ze niet zoveel aan hebben als ze weer naar hun eigen land terug gaan. Op de internationale school krijgen ze les in het Frans en extra lessen om hun eigen taal niet te vergeten. Dus dan komt er iemand om Duits te geven en Engels en Chinees en al die andere talen.
Jonathan en Matthijs moeten dus nu Frans leren. Bij Jonathan in klas 2 (dat is groep 4 in Nederland) zitten vier Belgische kinderen met wie hij Nederlands kan praten, dat is dus wel makkelijk. Maar bij Mathijs, in de hoogste kleuterklas, zit niemand die dat verstaat. Hij heeft drie goede vrienden: een Engels, een Rwandees en een Zwitsers jongetje. En ze praten samen Frans. Dat kunnen ze alle vier nog maar een klein beetje, maar ze begrijpen elkaar prima.
Zo'n internationale school is heel duur. De regering van Rwanda betaalt voor de gebouwen en voor de meesters en voor de juffen van de Rwandese scholen, maar niet voor deze. Dus moeten de vaders en moeders zelf betalen en dus zitten er alleen maar kinderen op die school van vaders en moeders die dat kunnen doen. Er zijn ook heel rijke Rwandezen en sommigen sturen hun kinderen naar de internationale school zodat ze goed Frans leren en later in Europa kunnen studeren. Maar de meeste mensen in Rwanda zouden daar nooit, nooit genoeg geld voor hebben.
En luister, nou komt er iets waar jullie over na moeten denken. Wij zijn dus ook van die rijke mensen die hun kinderen naar een dure school kunnen laten gaan, die schoenen voor hun kinderen kunnen kopen en fietsjes. Maar er zijn mensen die nog veel en veel rijker zijn.
Mensen die zoveel geld verdienen dat ze elk jaar naar hun land terug kunnen gaan met het vliegtuig en soms zelfs twee keer per jaar. En dan mogen ze ook elke keer nog kisten vol spullen mee terug nemen, kleren en schoenen en snoep en van alles. Veel van die mensen hebben een video in huis en telkens krijgen ze films toegestuurd. Sommige kinderen nemen elke dag een reep chocola mee naar school, chocola die mee is gekomen in zo'n kist uit België of Amerika. En sommige kinderen hebben altijd de modernste kleren en de mooiste schoenen aan en ze hebben autootjes die vanzelf rijden en robots die vanzelf bewegen. Jonathan en Matthijs vinden het best leuk om te spelen bij die kinderen, om lekker een tekenfilm te kijken en chocola te eten. Die kinderen die hier om ons heen wonen hebben dat niet. Die hebben helemaal geen speelgoed en ze eten elke dag bruine bonen en als ze tussendoor trek hebben eten ze een koude aardappel of een stuk suikerriet. En ze hebben maar één stel nette kleren en die mogen ze alleen aan als het feest is. Wat zeg je, vind je dat niet eerlijk? Bedenk jij eens wat jij zou doen als je hier woonde. Met welke kinderen zou jij spelen? Hoe zou jij willen leven? Als je nou een heel goed idee hebt, misschien kun je ons dan schrijven.
Want wij vinden het moeilijk hoor.
Het is leuk om veel te hebben, maar het is niet eerlijk om zoveel meer te hebben dan anderen. Help ons eens denken!
Mieren (voor de kleinere kinderen)
De buurman heeft takken van zijn boom gekapt. Een mooie tak met bladeren ligt erbij en die mag Matthijs hebben. Hij heeft ook een oud blik gevonden. Nu moet er aarde in dat blik en dan zet hij die tak erin.
Dat is een mooie plant voor zijn hutje. Eigenlijk is dat hutje een kookhutje, een keuken dus. Maar wij koken binnen op een fornuis en niet buiten op hout, daarom is óns kookhutje een speelhut. "
Matthijs gaat naar de tuin om zand te scheppen en Gersom gaat mee.
Opeens begint hij te gillen, hij gilt verschrikkelijk! Ik ren naar buiten.
Dan begint Gersom ook te gillen. Ik ren nog harder en roep ook, maar dat hoeft niet eens want daar komt Dick ook al aanrennen. We pakken alletwee een jongen op. Nu zie ik het. Matthijs zit onder de mieren.
Wel twintig in één sok, op zijn benen, in zijn broek, in zijn haar, overal. Sommige zijn klein, maar andere zijn heel dik en zwart. Het zijn soldatenmieren en die bijten. Au, ze prikken mij ook. Gauw alle kleren uit, Matthijs! We trekken aan schoenen en sokken, aan trui en broek.
Gauw naar binnen. We plukken al de mieren van zijn lichaam en we trappen erop, we kammen het haar en gooien alle kleren in een emmer"
water, de schoenen ook. Gersom heeft maar een paar mieren gelukkig.
Tjonge, was dat schrikken!