'Leringen van mensen'
1989-06-23
Dat de NBG-vertaling niet meer voldoet, zal zo langzamerhand velen wel duidelijk zijn geworden.- Jaargang 33
- nummer 13
Mij is met name op de catechisatie gebleken, dat vooral de jonge mensen met deze weergave van de bijbel niet meer uit de voeten kunnen. En het zou, denk Ik, goed zijn, als de kerkeraden zich er eens op gingen bezinnen, of gebruik van deze vertaling In eredienst en catechese nog langer verantwoord Is. Deze vertaling Is dan ook al weer een veertig jaar oud. En onze wereld - ook onze taal - verandert snel.
Missers in de NBG
Afgezien echter van het inmiddels - en ten dele reeds bij verschijnen - verouderde taalgebruik is op verschillende plaatsen de NBGweergave inhoudelijk ernaast. Nu ken ik geen enkele vertaling die voor 100% juist is. En gezien de moeilijkheidsgraad van de grondtekst zal dat laatste ook wel een onbereikbaar ideaal blijven.
Toch zijn er teksten waar men zich terecht met verbazing afvraagt, hoe de NBG-vertalers hebben kunnen kiezen voor een apert, foutieve weergave, terwijl de juiste uitleg al lang bekend was. Een daarvan vindt men in Col. 2, 20b-22: " ...waartoe laat gij u, alsof gij in de wereld leefdet, geboden opleggen: raak niet, smaak niet, roer niet aan; dat alles zijn dingen, die door het gebruik te loor gaan, zoals het gaat met voorschriften en leringen van mensen". Om te beginnen een formele kleinigheid: waarom laat men de zin die met een vraagwoord ('waartoe') begint, met een puntkomma eindigen?
De zin van de NBG-vertaling
Maar nu de inhoudelijke kant.
Vragen we ons af, waarop in v. 22b de uitdrukking "zoals het gaat met..." slaat, dan zal het antwoord moeten zijn: op "door het gebruik te loor gaan". De bedoeling van de vertalers is kennelijk geweest: door, het gebruik te loor gaan is het normale lot van voorschriften en leringen van mensen.
Uit deze formulering van v. 22b wordt dan op zijn beurt weer duidelijk, dat de vertalers de woorden "dat alles zijn dingen" (v. 22a) verstaan willen hebben van de "geboden" in v. 20 genoemd. Immers: als gezegd wordt: "door het gebruik te loor gaan is het normale lot van voorschriften en leringen van mensen", dan moet dat hier als een generalisering zijn bedoeld van de speciale uitspraak al deze - hier genoemde - geboden gaan door het gebruik te loor".
De NBG-weergave laat zich dus, dunkt mij, niet anders verstaan dan zo: al die geboden die men jullie oplegt, gaan door het gebruik te loor, want dat lot is menselijke geboden nu eenmaal beschoren.
De onzin van de NBG-vertaling
Wie echter even nadenkt zal zich afvragen: hoe ter wereld kan een gebod, een wetsvoorschrift door het gebruik te loor gaan? Als het gebruikt wordt, als het in de praktijk gehandhaafd 'wordt, gaat het - zou men toch denken - juist niét te loor. Als er nu gestaan had "dingen die op den duur in onbruik raken", dan had men tenminste met een begrijpelijke uitspraak te doen gehad.
Maar wat er nu staat is ten enen male onzin.
De griekse tekst
Nu mag men van Paulus niet verwachten, dat hij onzin schrijft. De schuld ligt dan ook inderdaad bij de NBG-vertalers. De griekse tekst luidt nl. op essentiële punten heel anders dan zij het doen voorkomen. Er staat - en ik blijf nu, wat de zinsbouw betreft, maar even zo dicht mogelijk bij het origineel: " ...waarom laten jullie je, alsof jullie nog onder de oude wet (1) leefden; voorschrijven: 'je mag niet aanpakken, je mag niet proeven, je mag niet aanroeren ...' dingen die allemaal zijn tot vertering door het verbruik, overeenkomstig de verordeningen en leerstellingen van de mensen?" (2)
'Verbruik'
Er is in de tekst sprake van 'verbruik'.
Dat is iets anders dan 'gebruik', zoals b.v. Peake hier terecht heeft opgemerkt (3), Als ik mijn handen gebruik voor een karwei, zijn ze na het werk niet 'teloor gegaan' (om maar even het woord van de NBG aan te houden), zelfs niet gesleten. Maar als ik een kubieke meter gas verbruik, dan is het weg, opgestookt, 'verteerd'.
Over dát soort zaken gaat het hier dus: over dingen die door het verbruik verteerd worden.
En dán vraag ik eens te méér: hoe kan nu een wetsvoorschrift door verbruik verteerd worden? Als ik een wet naleef of toepas (als onderdaan of als overheid), dan verbruik ik die toch niet, zelfs niet voor een deel? Zo'n voorschrift gaat daarmee toch niet de pijp uit?
Bestemming
Er is sprake van een bestemming: "dingen die zijn tot ..." staat er; d.w.z. "dingen die bestemd zijn voor ...". Is dat ooit op wetsvoorschriften van toepassing? Zal een wetgever ooit van. zijn verordeningen zeggen: "Het is de bedoeling, dat je ze opstookt"?
Een wet(sbepaling) kàn op zichzelf wel als object verbonden worden met het werkwoord 'phtheirein', dat ' correspondeert op het in onze tekst gebruikte zelfstandig naamwoord 'phthora'. Ik heb het oog op een plaats als Soph. Ai. 1344. Maar dan heeft dit werkwoord de betekenis 'schenden'. Echter speelt in de eerste plaats bij zo'n schending 'verbruik' geen rol. En in de tweede plaats: dat een wet ervoor bestemd zou zijn te worden geschonden, ook dàt laat zich toch niet horen.
Consumptieartikelen
Men ziet dus, dat het onmogelijk is bij "dingen die bestemd zijn voor vertering door het verbruik" te denken aan voorschriften. Wat beantwoordt nu wél aan de omschrijving die Paulus in v. 22a geeft? Wel, heel simpel: etenswaren. Dat de apostel dié op het oog heeft, ligt ook alleszins in de lijn der verwachting. lrnmers a) Paulus is deze pericoop begonnen met de woorden: "Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken ... ", v.16; b) wat verwacht men na de werkwoorden aanpakken, proeven (11), aanroeren anders dan een lijdend voorwerp bij deze werkwoorden?
Welnu, dat laatste staat hier dan ook inderdaad: in de nu volgende bijzin (dingen) die allemaal zijn tot vertering door het verbruik) geeft Paulus aan, wat je niet mag aanpakken, proeven, aanroeren.
Ik heb tussen deze werkwoorden en hun lijdend voorwerp puntjes gezet.
Als de apostel deze woorden had gesproken ... of nee, nu zeg ik het verkeerd: als wij hem deze woorden hadden kunnen horen spreken.
Want gesproken heeft hij ze, toen hij zijn schrijver de brief dicteerde.
Welnu: toen de apostel deze woorden had uitgesproken, zal hij, denk ik zo, zich even hebben bezonnen, of hij nu een opsomming zou geven van de door de dwaalleraars verboden spijzen en dranken. Maar hij ziet daarvan' af, en kiest voor een samenvatting ("allemaal") waarin hij die etenswaren kwalificeert.
"Bestemd voor vertering": u mag ook - met een latijns leenwoord zeggen: bestemd voor consumptie.
Wij gebruiken in het hedendaags Nederlands beide woorden afwisselend, als we het hebben over wat we in een restaurant gegeten of gedronken hebben.
Het woord dat hier staat voor 'vertering' vinden we ook in 2 Petr. 2, 12, waar de apostel het heeft over dieren die geboren zijn "tot vangst en vertering", d.w.z. om gevangen (in een strik of een klapnet, of hoe dan ook) en vervolgens verorberd te worden.
Het slot v. 22
Er rest nu nog een vraag: waarmee zijn de slotwoorden van v. 22 "overeenkomstig de verordeningen en leerstellingen van de mensen" te verbinden? We hebben in de verzen 20-22 nl. te maken met een heel lange volzin. En men moet die zorgvuldig lezen, wil men vaststellen, waar de bepaling "overeenkomstig de verordeningen en leerstellingen van de mensen" op te betrekken is.
Wij kunnen dan, om te beginnen, vaststellen, dat ze niet past op v. 22a. De verbinding dingen die bestemd zijn tot vertering door verbruik overeenkomstig de verordeningen en leerstellingen van de mensen" geeft geen goede zin. Het zijn immers niet de verordeningen van mensen die etenswaren bestemmen tot vertering. Het zijn evenmin deze verordeningen die het verbruik of de vertering van die etenswaren regelen.
Men zal deze bepaling - over de voorafgaande betrekkelijke bijzin (,,(dingen) die zijn tot vertering door het verbruik") heen - moeten verbinden met het daaraan voorafgaande 'voorschrijven'. Dan staat er, dat de Colossenzen zich door valse leraars onthouding "laten voorschrijven overeenkomstig de verordeningen en leerstellingen van de mensen". En dat geeft een goede zin.
Het verband met v. 8
Dat dit inderdaad de juiste verbinding is, wordt bevestigd door de overweging, dat Paulus met de woorden "overeenkomstig de verordeningen en leerstellingen van de mensen" onmiskenbaar teruggrijpt op wat in v. 8 staat: "overeenkomstig de overlevering van de mensen? (4), Welnu, waarbij behoren die laatst geciteerde woorden in v. 8? Bij "medeslepe."
De dwaalleraars proberen de gelovigen mee te krijgen op een verkeerde weg; willen hen een weg doen inslaan "overeenkomstig de overlevering der mensen". Zij zetten voor hen een koers uit die is afgestemd op de overlevering der mensen.
Nu, de apostel herhaalt in v. 22 in ietwat andere bewoordingen wat hij in v. 8 heeft gezegd: laat je met die onthoudingsvoorschriften niet een weg opsturen die is uitgestippeld volgens de verordeningen en leerstellingen van mensen.
Inschuiving van een tussenzin
Nu zal men vragen: komt dat vaker voor, dat men, om het vervolg van een zin te vinden, over een tussenzin heen moet springen?
Ja zeker. Eigenlijk zou men dit verschijnsel kunnen onderbrengen bij het z.g. hyperbaton, een zeer veel voorkomende figuur in het Grieks.
Maar het is hier niet de plaats over stijlfiguren te theoretiseren. Laat ik liever een paar voorbeelden geven uit het NT.
Allereerst een uit deze zelfde brief, en wel uit 4, 3.4. De NBG zet na v. 3 een punt, en begint dan v. 4 met een nieuwe hoofdzin (..Dan zal ik.;" ). Zakelijk niets op tegen; alleen in het Grieks is v. 4 een finale bijzin: ..opdat ik.v.". Nu, ieder begrijpt, dat men niet moet verbinden terwille waarvan ik ook gevangen zit, opdat ik het zo in het licht stelle, als ik het behoor te spreken". Nee, men moet de woorden "opdat ..enz." verbinden met wat aan de betrekkelijke bijzin ..waarvoor ik ook gevangen zit") voorafgaat.
Een tweede geval noteerde ik uit Johannes, en wel uit diens evangelie: "Ik ben blij om u, opdat gij gelooft, dat Ik daar niet was" (11, 15).
In die volgorde staat het er in 't Grieks. Maar de bedoeling is natuurlijk niet, dat de discipelen "zullen geloven dat Jezus daar niet was".
"Dat ik daar niet was" hangt, zoals ieder voelt, af van ..Ik ben blij".
Voor de duidelijkheid heeft de NBG in de vertaling de volgorde dan ook gewijzigd. Zou men liever de oorspronkelijke orde handhaven, dan zou men met enige vrijheid de tekst zo kunnen weergeven: "Ik ben blij - met het oog op uw geloof - dat Ik daar niet was".
Levende taal
Verwarrend, zo'n afwijkende volgorde?
Ach nee; dat valt best mee.
Om te beginnen houdt Paulus - om me nu maar tot hem te beperken reeds in het algemeen het ervoor, dat hij met lezers te doen heeft die hun verstand gebruiken, vgl. 1 Cor. 10, 15.
En hier in Col. 2, 22 heeft hij bovendien gevoeglijk kunnen aannemen, dat de woorden uit v. 8 hun wel in het geheugen waren blijven hangen.
De taal van Paulus blijft bij alle rhetorisch talent dat hij van tijd tot tijd aan de dag legt, toch duidelijk improvisatorische trekken vertonen, die er een grote frisheid aan verlenen.
Je hoort hem als het ware met je praten. Nu, juist in de alledaagse spreektaal, waar men improviserend praat, treft men tal van afwijkingen - let u er maar eens op - van de strikt logische woordorde die perfectionisten misschien zouden wensen.
Het citaat uit Jesaja
Dat Paulus het hier heeft over wat met etenswaren gebeurt, wordt eens te meer duidelijk, als men bedenkt, dat hij zich hier uitdrukt in bewoordingen, ontleend aan Jes. 29, 13.
Dat is nl. exact de Schriftplaats die Jezus aanhaalt in een discussie met de Farizeeën over het eten met
ongewassen handen (Mt. 15,9). In dat gesprek dus waarin Hij van het eten dat we verorberen zegt: "Begrijpt
gij niet, dat al wat de mond binnengaat, in de buik komt en tezijner plaatse verdwijnt?" (v. 17).
Als men nu van Paulus weet, dat hij graag woorden van Jezus oppakt en uitspint (5) zal men, dunkt mij, mede op grond van die citaat-gelijkheid geneigd zijn Abbott bij te vallen, als hij schrijft: "The argument is strikingly similar to Matt. XV 17, 'eis aphedroona ekballetai' (d.i. 'in de WC verdwijnt', D.H.): so much so, indeed, that we might suppose that the apoatle had th is discourse in his mind? (6).
Nogmaals v. 8
Zoals ik aan het begin van dit artikel al zei: aan de NBG-vertalers had de juiste uitleg van deze tekst bekend kunnen zijn. Tot dusver heb ik vrijwel uitsluitend argumenten naar voren gebracht die door vele exegeten van oudsher al zijn aangedraqen (7), Men ziet hier eens weer, hoe nodig het soms kan zijn bekende dingen te herhalen, omdat ze in vergetelheid zijn geraakt of genegeerd worden".
Wél kan ik het pas genoemde argument (dat van het Jesaja-citaat) nog aanvullen.
De woorden in Col. 2, 22 "overeenkomstig de verordeningen en leerstellingen van de mensen" grijpen - zoals we reeds zagen - terug op de woorden uit v. 8 "overeenkomstig de overlevering der mensen". Welnu, die uitdrukking "overlevering der mensen" vinden we verder in het NT uitsluitend nog in het zojuist gereleveerde twistgesprek van Jezus met de Farizeeën, en wel in de parallelle versie van Marcus, t.w. 7,8, het vers dat volgt op het citaat uit Jes. 29, 131 Als we dus constateren, dat Paulus zijn waarschuwing, zich niet door dwaalleraars te laten betuttelen, kleedt in woorden uit Me. 7, 8; en dat hij de herhaling van die waarschuwing kleedt in woorden uit Me.
7, 7, terwijl het aan de orde zijnde onderwerp in Mc. 7 en Col. 2 hetzelfde is ('eten en drinken'), dan mogen wij, dunkt mij, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aannemen, dat bij het schrijven van deze passage den apostel het onderricht van Jezus in Mc. 7 voor ogen heeft gestaan.
Noten
1 Er staat: "alsof jullie nog in de wereld leefden".
'Wereld' heeft hier dezelfde zin als in Gal, 6, 14. Daar zegt de apostel in een uitval naar de judaisten, die de christenen uit de heidenen willen dwingen tot het onderhouden van het oudtestamentisch voorschrift van de besnijdenis (v. 12), dat "door Jezus Christus de wereld voor hem gekruisigd is".
Welnu, wàt er met Christus aan het kruis ging, zegt hij in Col. 2, 14: onze schuldbrief; d.w.z. de wet, die door zijn inzettingen tegen ons getuigde. : 2 Ik volg de interpunctie van Aland c.s. (1966).
Ook ZIJ beëindigden de zin pas met een vraagteken aan het slot van v. 22.
3 A.S. Peake, The Epistle of Paul to the Collossians in The Expositor's Greek Testament, 111,534.
4 De correspondentie van v. 22 op v. 8 blijkt ' ook daaruit, dat in de naaste context van eerstgenoemd vers (v. 20), de "elementen der wereld" ("wereldgeesten" NBG; niet terecht rn.i.) In v. 8 genoemd, terugkeren.
5 Ik denk bv. aan de uitwerking van Jezus' woord uit Joh. 8, 35 door Paulus in Gal. 4, 21-31.
6 T.K. Abbott, The EpistIe to the Ephesians and to the Collossians in ICC, Edinburgh 1964, p. 274.
7 Zo heeft niet alleen Peake (zie boven, noot 3), maar ook Van Leeuwen in het bekende Van Bottenburg-commentaar, 1926) de termen, hier in geding, zorgvuldig geduid: "als het is opgebruikt, heeft het zijn roepin~ voldaan en IS het bestemd, teniet te gaan' (cursivering van mij, D.H.). Maar men kan voor de juiste uitleg al veel eerder in de geschiedenis van de exegese terecht. Zo citeert Abbott van Theodoretus (eerste helft 5de eeuw): "alles wordt immers omgezet in drek' , en van Oecumenius (eerste helft 6de eeuw): "het is namelijk, zo zegt hil (Paulus), onderhevig aan vertering in de WC". Daarnaast valt nog te noemen Severianus van Gabala (rond 400), die denkt dat het gaat tegen dwaalleraars die het eten van dierlijk voedsel verbieden; waarvan hij dan zegt, dat dit toch "aan de mensen is gegeven tot consumptie".
(Zie K. Staab, Paulus-kommentare aus der griechischen Kirche, Münster 1933, S.326.) 6 Zo wees ds. J. Waagmeester in dit blad (32ste jrg., blz. 362) zeer terecht op het voorkomen van het Jesaja-citaat zowel in Mt. 15 als in Col. 2.