Abba, Vader!
1988-01-22
Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader! - Jaargang 32
- nummer 3
(Rom. 8:15)
Het godsdienstig gevoel van de mens is iets heel merkwaardigs. Telkens weer zie je, dat mensen van alles wat God aanbiedt op z'n hoogst de helft aan durven nemen. Als je dat nuchter bekijkt, is dat toch erg vreemd. Stel dat iemand u een prachtige vaas cadeau doet, dan zegt u vast niet: geef mij alleen het deksel maar, en neem de vaas zèlf maar terug.
Ten eerste zou dat erg ondankbaar zijn, en ten tweede heb je niet zoveel aan alleen een deksel.
Toch zit het erg diep in ons, om van Gods gaven nog niet de helft aan te willen nemen. Daar heeft Paulus het over in de tekst die hierboven staat. Het geschenk dat God aanbiedt, is niets minder dan dat wij zijn kinderen mogen zijn. Kinderen, natuurlijk niet op dezelfde manier als Christus de Zoon van God is. Hij is het immers van nature, en Hij is het altijd al. Maar ook voor ons is het een geweldige werkelijkheid: kinderen van God te zijn. We zijn zijn "aangenomen kinderen". Geadopteerd, zoals de Bijbel heel letterlijk zegt (Efeze 1:5). En dat betekent, dat wij mede-erfgenamen, samen met Christus, mogen zijn. Wat een hoge positie is dat!
Een dagloner?
Maar terwijl we dàt aangeboden krijgen, gebeurt het telkens weer, dat we ons tegenover God voelen als slaven, met zoals Paulus het noemt "een geest van slavernij om opnieuw te vrezen".
Nu moeten we wel eerlijk zeggen: het is ook geen wonder dat we ons zo voelen.
Wie ook maar iets beseft van zijn zonden, die moet zich ook wel afvragen: hoe kàn het dat God ons als kinderen wil?
Precies hetzelfde zie je gebeuren bij de verloren zoon uit de gelijkenis. Wanneer hij alles verkwist heeft, gaat hij terug naar huis en zegt tegen zijn vader: "ik ben het niet waard uw zoon te heten, laat mij maar een van uw dagloners zijn". Maar Jezus is er in de gelijkenis heel duidelijk over: als de zoon terugkomt, dan wil de vader hem terug als zoon, en niet als knecht.
Ik schrijf dat nu zo in een paar woorden, maar het is eigenlijk iets zo onvoorstelbaars.
Dat God onze Vader wil zijn, en dat wij nooit ophouden zijn kinderen te zijn. Dat Hij altijd blij is als we weer thuis komen.
De grote verwondering hierover proef je in de reactie van de mensen, wanneer Jezus de Bergrede gesproken heeft. Let u er maar eens op bij het lezen van de Bergrede, hoe vaak Jezus het daarin heeft over God als Vader. Wel 17 keer noemt Jezus God in de Bergrede "uw Vader, die in de hemelen is". En dat, terwijl de mensen van de Farizeeën niet veel meer over God hoorden dan dorre praat. Wet op wet en regel op regel.
Rechtvaardige Vader ...
Wat zijn Jezus' woorden dan totaal anders.
Van Hem hoorden ze weer, dat God niet een verre en boze God is, maar onze Vader. Dat was totaal nieuw voor hen. En daarom staat er (Mat. 7 : 28) "dat de scharen versteld stonden over zijn leer", Veel later, toen Jezus in het Hogepriesterlijk gebed uitvoerig als de Zoon met zijn Vader sprak, toen eindigde Hij dat gebed als volgt: "Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet, maar Ik ken U, en dezen weten, dat Gij Mij gezonden hebt; en Ik heb hun uw naam bekend gemaakt en Ik zal hem bekend maken, opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij en Ik in hen" (Joh. 17 : 25 en 26). In die woorden is eigenlijk heel onze vrijmoedigheid om God Vader te mogen noemen, gegeven.
Jezus immers kan als samenvatting van heel zijn werk noemen: dat Hij ons de naam, de Vadernaam, van God heeft willen leren. En dat, terwijl wij van onszelf Hem niet eens zouden kennen!
En met welk doel deed Jezus dat? Opdat wij dezelfde liefde zouden ervaren als God aan zijn eigen' Zoon bewees!
Het is goed als wij bij onszelf eens nagaan, hoe wij in gedachten eigenlijk met God omgaan. Accepteren wij ook ten volle dat grote, goddelijke geschenk, dat wij geen slaven maar kinderen van God mogen zijn? Alleen zó kun je namelijk bidden en danken. Vertrouwelijke omgang met God hebben. Vandaar, dat Jezus gezegd heeft:" Wanneer gij bidt, zeg dan: Vader ... " (Lucas 11 : 2).