Rapport van de 'kommissie vrouwelijke diakenen' (3-slot)
1988-01-22
B) Is het schriftuurlijk verantwoord dat vrouwelijke diakenen samen met de ouderlingen lid zijn van de kerkeraad?- Jaargang 32
- nummer 3
In het voorgaande hebben we gezien, dat de ouderling en de diaken beiden een ambt bekleden in de gemeente van Christus. Behalve het na-elkaar is er ook een naastelkaar.
In de gereformeerde kerkenordeningen is dan ook altijd de nadruk gelegd op de eigen ambtelijke verantwoordelijkheid van deze beide diensten. Zo zegt ons 'Akkoord van Kerkelijk Samenleven' (A.K.S.) in artikel 2: " ... Tussen deze diensten bestaat geen onderscheid in rangorde, alleen in dienstbetoon."
In artikel 13 en 14 wordt het onderscheid in diensbetoon nader omschreven.
Artikel 13: "De dienst van de ouderling.
De dienst van de ouderling houdt in: het weiden van de gemeente als kudde Gods, het trouw bezoeken van de leden van de gemeente, het toezien op de leer en de wandel van medeambtsdragers, en het tesamen met de dienaren des Woords oefenen van de kerkelijke tucht. "
Artikel 14: "De dienst van de diaken.
De dienst van de diaken houdt in: het verlenen van christelijke hulp aan de leden der gemeente die in nood verkeren, en hen met raad en troost bij te staan. Naar vermogen zullen zij ook anderen hulp bieden. "
Deze omschrijvingen van de ambten zijn geen waterdichte definities, maar op de Schrift gebaseerde richtlijnen. Evenzo zijn deze omschrijvingen niet bedoeld om een waterdichte scheiding aan te brengen tussen de beide ambten of diensten.
En dat is ook niet goed mogelijk.
In de praktijk zullen de ouderling en de diaken elkaar voortdurend tegenkomen, zonder dat zij met elkaar botsen.
Zij werken samen in de gemeente, elkaar assisterend, elkaar helpend en bemoedigend.
De kerkeraad
In artikel 15 van het A.K.S. wordt niet de verhouding tussen de beide ambten geregeld, maar hun gezamenlijke zorg voor de gemeente: "De ambtsdragers tesamen vormen de kerkeraad, die belast is met de leiding en de verzorging van de gemeente. Voor overleg daartoe vergadert de kerkeraad regelmatig."
Hierbij wordt er vanuit gegaan, dat de kerkeraad een college is van ouderlingen en diakenen, die in onderling overleg leiding geven aan de gemeente en zorg om haar dragen.
In de kerkeraad werken ouderlingen en diakenen dus samen om het ene Herderschap van Christus gestalte te geven.
Dit samen bezig zijn van ouderling en diaken moet ons er evenwel niet toe brengen om het onderscheid tussen beide ambten uit het oog te verliezen en te nivelleren. De diakenen en de ouderlingen zijn beide bezig vanuit de eigenheid van hun ambt. Een ouderling is geen diaken, en een diaken geen ouderling.
Men hoede zich zowel voor overdrijving als voor nivellering. Artikel 2 A.K.S. is ook te lezen als een waarschuwing. De eigen dienst van de diaken dient door de woorden zorg, hulp en barmbartigheidsbetoon gekarakteriseerd te blijven.
Dit samen bezig zijn van ouderling en diaken in de kerkeraad is een levende zaak. In Christus zal men in goede harmonie de balans vinden tussen de gezamenlijke verantwoordelijkheid enerzijds, en de eigenheid van elk ambt anderzijds.
Slechts daar waar de zonde de verhoudingen ontwricht komt het tot onoplosbare kompetentievragen en konflikten.
De 'ondergeschiktheidsteksten"
Wanneer nu vrouwelijke diakenen deel uitmaken van de kerkeraad zou de vraag gesteld kunnen worden of dit niet in strijd is met wat de apostel Paulus leert in 1 Corinthe 11 vers 3; in 1 Corinte 14 vers 34 tot 36 en in 1 Timotheüs 2 vers 11 en 12.
Naar ons oordeel hoeft dit niet het geval te zijn.
We wijzen daarvoor samenvattend op het volgende:
1). Ten aanzien van het leiding geven aan en regeren van de gemeente is het Schriftuurlijk te spreken van een prioriteit van het ambt van de ouderling.
2). Het feit dat de diaken vanuit de eigenheid van zijn ambt betrokken is bij het leidinggeven en verzorgen van de .
gemeente, betekent nog niet dat het werk van de diaken daarom ook als leidinggevend te typeren is.
3). Naar ons oordeel worden genoemde teksten overvraagd, wanneer men op grond daarvan zou willen konkluderen dat het vanuit de eigenheid van het diakenambt betrokken zijn bij het leidinggeven van de gemeente aan de zusters der gemeente zou zijn ontzegd.
Bij dit laatste punt past een korte toelichting, waarbij we u ook enig inzicht menen te moeten geven in de binnen de kommissie gevoerde gesprekken.
Juist aan de bespreking van dit punt hebben we erg veel tijd besteed. De relevantie van deze teksten voor de vraag die ons was voorgelegd bleek ons in laatster instantie gering te zijn, met name vanwege de eigen aard van het diakenambt.
We kwamen tot de konklusie dat de apostel Paulus wil dat het hoofd-zijn van de man ook in de gemeente erkend en gerespekteerd wordt. Over de wijze waarop en de mate waarin werd verschillend gedacht.
Maar eenstemmig waren we weer in ons oordeel, dat wat Paulus ons in deze teksten leert, heel goed tot zijn recht kan komen als mannelijke en vrouwelijke diakenen samenwerken met de ouderlingen in de kerkeraad.
In dit rapport moeten we het laten bij deze summiere opmerkingen.
Een bredere bespreking van de genoemde teksten valt buiten het bestek van de aan ons gestelde vragen.
Konklusies
Zo komen we - afrondend - tot de volgende konklusies:
a) dat het Schriftuurlijk verantwoord is zusters te roepen tot het ambt van diaken;
b) dat het eveneens Schriftuurlijk verantwoord is dat zulke vrouwelijke diakenen samen met de ouderlingen lid zijn van de kerkeraad.
Breukelen, 23 maart 1987