Het Liedboek
1988-01-22
Lied 448- Jaargang 32
- nummer 3
De dichterlijke zeggingskracht van dit Lied is minder dan van het voorgaande van dezelfde dichter, waarbij het dan uiteraard gaat over de Nederlandse bewerkingen.
De tekst is tamelijk vlak, zoals b.v. in strofe 4: "Daar ik op Hem mag hopen, ben ik alleen maar blij" en de "braafheid" krijgt een te sterk accent b.v. in strofe 2: Bevrijd van onze zorgen begroeten wij de dag en vrezen niet de morgen, wat hij ook brengen mag".
Overigens is het bij het overwegen van de inhoud goed om op te letten op de levensgang van de dichter (zie bij 447): "een afgezonderd, gekweld en toch ook met mensenliefde verlicht leven. Een leven met een wonderlijk samenspel van simpele genoegelijkheid en afgrondelijke verschrikking. Het lied lijkt te zijn geschreven in een tijd, een moment zelfs van opgetogenheid, van geestelijke zorgeloosheid". (Comp. p. 1015, 1020).
De melodie is goed zingbaar en gemakkelijk te leren.
Tekst: 2; melodie: 3.
Lied 449
Inons land "heeft dit Lied een populariteit verworven die het inhet land van de dichter zelf (Duitsland) nooit heeft gehad.
Dat zal wel te maken hebben met het feit dat men Schubart daar maar al te goed kende. Gezien zijn antecendenten en ideeën (in verschillende opzichten revolutionair) zou men hem in het Liedboek bepaald niet in de eerste plaats zoeken!" (Comp. p. 1021). Dit boetelied heeft hij tijdens zijn gevangenschap geschreven en waarin hij in elk geval blijk geeft van bezinning en inkeer, van een leven uit Gods genade en barmhartigheid en schuldvergevende liefde door Christus.
In deze nieuwe bewerking zijn enige wijzigingen aangebracht die tekst en inhoud ten goede komen: zie strofe 1 en 2 in vergelijking met de vroegere tekst.
"De melodie kenmerkt zich door uiterste soberheid, maar is voortreffelijk van conceptie" . Een verbetering zou zijn het weglaten van de rusten bij de eerste 2 en de 4e en Se regel: daardoor zou de tekst meer zeggingskracht krijgen. Het tempo moet niet te hoog worden opgenomen.
Tekst: 3; melodie: 3
Lied 450
De dichter Rhijnvis Feith heeft een belangrijk aandeel gehad in de tots,tandkoming van de Evangelische gezangen.
"In de bundel van 1806 komen maar liefst 35 teksten van hem voor, wat inde Hervormde bundel-1938 weliswaar tot 18 gereduceerd is, maar ook dat is nog aanzienlijk. In het Liedboek resten nog slechts twee (bewerkte) strofen van dit Lied; zelfs het berucht geworden oudejaars-avondlied "uren, dagen, maanden, jaren" is als een schaduw heen gevlogen". (Comp. p. 1024). O.i. zou ook dit lied gevoegelijk kunnen verdwijnen.
De stijl is voor onze tijd weinig aansprekend, de taal verouderd en de inhoud maar matig.
De melodie is dienovereenkomstig: langdradig.
Tekst: 1; melodie: 1
Lied 451
Vaneen tijdgenoot van Rhijnvis F eith is dit Lied afkomstig, dat in alle opzichten een belangrijk contrast betekent t.o.v.
het voorgaande. Taal en inhoud zijn duidelijk. Inde tekst zijn enige veranderingen aangebracht, die even zovele verbeteringen inhouden. Opmerkelijk is overigens dat de strofen 1 en 3 in de "ikvorm"
zijn gesteld, terwijl strofe 2 inde meervoudsvorm staat.
De melodie is dezelfde als van Lied 317 en 426: hersteld naar de oorspronkelijke versie. Even vooraf oefenen lijkt daarom wel gewenst. Een aanwijzing in dit verband: De 2e regel eindigt met een noot van 3 tellen en de 3e regel begint met een rust.
Tekst: 3; melodie: 3
Lied 452
Ook van dit Lied moet worden gezegd dat het gekenmerkt wordt door een verouderde taal en stijl, terwijl het wat de dichtvorm aangaat beneden de maat blijft. Ter illustratie: strofe 1; "Verlosser, Vriend, O hoop. Olust... Een zondaar, een verlost'OHeer,Oneem het aan".
De melodie komt het best tot haar recht, wanneer ze enigszins breed en met een tamelijk krachtige toonvorming wordt voorgedragen". (Comp. p. 1029). Maar dat neemt niet weg dat ze erg middelmatig blijft.
Tekst: 1 melodie: 2.
Lied 453
"De dichter van dit Lied was een romanticus in een harde tijd en het karakter van zijn liederen getuigt daarvan.
Graag verheerlijkt hij op romantische wijze wat sterk en onwrikbaar is en dat geeft aan zijn geestelijke liederen een vastheid die men in andere gezangen van die tijd node mist. In dit lied is het centrale thema de rots des heils" . (Comp. p. 1031). Aangezien het lied niet een zuivere vertaling is, maar een bewerking, is de inhoud wel verbeterd.
Zo is b.v. in strofe 3 een verwijzing naar de hoeksteen aangebracht (Ps. 118: 22), een gedachte die in de oorspronkelijke tekst ontbreekt. Diverse romantische schilderingen van het nieuwe Jeruzalem zijn afgezwakt. Het geheel is dan ook van 7 naar 4 strofen teruggebracht.
Wel zijn ook verzwakkingen t.o.v. het origineel aan te wijzen, zoals b.v. in strofe 1: "Als alles wordt verstoven, tot zand en stof vergaat", waar de oorspronkelijke versie luidt: "Wenn Alles hier im Staube, wie Sand und Staub verweht". Ook de eerste regels van strofe 2: "Ik weet wat eeuwig duren en staan zal in zijn stand", zijn niet sterk van vorm. Voorts is ook hier opmerkelijk dat strofe 3 in onderscheiding van de overige in de "wij-vorm" staat.
De sterke melodie, afkomstig van Heinrich Schütz, is een goede aanwinst.
Enige oefening zal wel gewenst zijn.
Tekst: 2; melodie: 3.
Lied 454
Ook dit Lied is, ondanks een bewerking die de oorspronkelijke 10 strofen heeft teruggebracht tot 4, romantisch van karakter: "Ik werd verteerd door wild verlangen, door 's levens maalstroom weggevaagd" (strofe 2); al komt door deze bewerking dit wel minder tot uiting.
De inhoud van de beide eerste strofen is na de vraagstelling in de eerste beide regels van strofe 1 sterk negatief bepaald in de uitwerking. De vraag rijst dan ook of deze problematiek wel schriftuurlijk genoemd kan worden: "Ik zou ten prooi aan angst en vrees zijn... en waar zou ik een trooster vinden"
(strofe 1); "Ik zou alleen zijn, wie kan er aarden hier beneden", (strofe 2).
De inhoud en de gezwollen stijl zijn o.i. zodanig, dat het geen verlies zou betekenen wanneer dit lied wegvalt voor de kerkzang.
De melodie is dezelfde als van lied 390.
Tekst: 1; melodie: 3.
Lied 455
De dichter van het voorgaande Lied is duidelijk herkenbaar. "De romantische denker en dichter was grootgebracht in een milieu van piëtisme, dat wat betreft zijn liederen ontaard was in moralisme". (Comp. p. 1039). Zijn sterke betrokkenheid op de problematiek van het sterven heeft een levensinstelling bewerkt die in dit lied sterk tot uiting komt: fantasie, innigheid, mystiek.
"Als Hij maar van mij is", is van alle 3 strofen uitgangspunt. Het goede genieten in dit leven uit Gods Vaderhand blijft dan ook geheel buiten het gezichtsveld: "Mij is om het even heel het lichte, luide, aardse leven" (strofe 2).
De melodie is mooi, maar past niet voor deze tekst. Vooral de "ij-klank" in de 1e en 3e regel van elke strofe is als melisme (zingen van eenzelfde lettergreep op meer dan één toon) niet acceptabel.
Tekst: 1; melodie: 3.