De ambten open voor de zusters?

1988-01-29
  • Jaargang 32
  • nummer 4
We staan als Nederlands Gereformeerde Kerken voor belangrijke vragen. Op de eerstkomende Landelijke Vergadering in Dronten ligt een kommissierapport op tafel waarin gesteld wordt, dat de Schrift vrouwelijke diakenen kent en dat daarom ook de zusters der gemeente als diaken in volle rechten lid van de kerkeraad moeten kunnen zijn, en van de kerk van Eindhoven wordt een Verantwoording aangekondigd waarin zelfs gesteld wordt "dat de toelating van vrouwen tot de kerkelijke ambten op bijbelse gronden in principe verantwoord en gewenst is". Na lezing van beide stukken kan ik niet bepaald zeggen, dat ik overtuigd ben. Nu zegt dat niet alles, want iemand uit een Nederlands Gereformeerde Kerk in den lande vertelde mij, dat in die gemeente al vierjaren gestudeerd is op deze zaak, zonder dat ooit iemand van inzicht veranderd is, de tegenstanders bleven tegen, de voorstanders bleven voor. Toch is het goed enkele zaken aan te wijzen, die tot tegenspraak prikkelden. Want het is in ieder geval nodig dat hier flink over doorgesproken wordt.

1. Het rapport van de kommissie Vrouw in het Ambt Integenstelling tot de vorige Landelijke Vergadering geen twee, maar één rapport.
De kommissie is het eens over duidelijke uitspraken:

a) dat het Schriftuurlijk verantwoord is zusters te roepen tot het ambt van diaken;
b) dat het eveneens Schriftuurlijk verantwoord is dat zulke vrouwelijke diakenen samen met de ouderlingen lid zijn van de kerkeraad.

Hoe is men tot deze konklusies gekomen?
De eerste door twee teksten uit het Nieuwe Testament, 1 Timotheüs 3 : 11 en Romeinen 16 : 1 te exegetiseren. De kommissie komt tot de konklusie, dat in de eerstgenoemde tekst met ,,(hun) vrouwen" niet de vrouwen van de daarvóór genoemde diakenen zijn, maar vrouwelijke diakenen, die, omdat het Grieks nu eenmaal geen woord voor diakones kent, voor alle duidelijkheid als 'vrouwen' aangeduid zijn.
Gaat deze konklusie niet een beetje erg ver? Immers, de vraag: "wat bedoelt Paulus, diakenvrouwen of diakonessen?"
is niet de vraag, die rechtstreeks aan de tekst kan worden gesteld. Het antwoord op die vraag is alleen met zekerheid te geven, wanneer we zouden weten: waren er in de gemeente van Efeze zusters in het diakenambt of niet.
Van het antwoord op die vraag is de uitleg van de tekst afhankelijk. DAT BETEKENT DAT JE DUS NOOIT HET ANTWOORD UIT DE TEKST ZELF ZULT KUNNEN HALEN.
Er zijn argumenten pro en contra, maar het verlossende woord kan niemand spreken. We weten het niet.
Sterker is m.i. de Kommissie-uitleg bij de tweede tekst. Zoals dr. Holwerda in Opbouw heeft geschreven, vinden we het participium van het Griekse werkwoord voor "zijn" ook vaak bij ambtelijke funkties. Er is dus een grote kans (verder mag je weer niet gaan!) dat Paulus de gemeente van Rome meedeelt, dat Febe "diakonos" is in het havenstadje Kenchreae.
Nu gaat de kommissie haar eerste konklusie trekken. Ik had liever eerst nog antwoord gehad op een paar vragen.
Zoals deze: wat deed een "diakonos" in die tijd? Hetzelfde als een diaken onder ons? Had een diaken ook zitting in de "raad der oudsten"? (Deze vraag hoort ook bij konklusie b van het kommissierapport).
Was het gebruikelijk, dat er vrouwelijke diakenen waren, of had men in de kleine gemeente Kenchreae slechts broeders voor het ambt van oudste en moest een zuster de dienst namens de Here doen (een probleem, dat onze zendelingen in Zuid-Afrika maar al te goed kennen!)?
Ik vind de konklusie van de kommissie wel erg onbevangen. Op anderhalve tekst kun je geen dogma bouwen. Met zo weinig studie moesten wij onze kerkelijke praktijk ook maar niet onherstelbaar veranderen; de hele zaak vraagt een bredere benadering.
Vervolgens geeft de kommissie een interessante uiteenzetting over de verhouding tussen het ouderling- en diakenambt. Erg mooi is de definitie: "Ambtsdrager zijn betekent: Door de Here geroepen zijn om tegenover en in de gemeente het herderschap van Christus over zijn gemeente gestalte te geven." Terecht wijst de kommissie erop, dat dat ook een zeker gezag impliceert. Het diakenambt zou zijn ontstaan omdat de ouderlingen het werk niet alleen aankonden. Dat zou heel goed kunnen. Vanuit de definitie beschouwt de kommissie dan ook de diaken als ambtsdragers. Dat lijkt me niet overtuigend. De leden van de Kommissie van Beheer assisteren de kerkeraad, maar zijn toch ook geen ambtsdragers?
Het is best denkbaar, dat de diaken de ouderling assisteert zonder dat hij ambtsdrager is. Maar dat is een punt, dat ik nu laat rusten.
Want interessant is de vraag, waar in het in heel de kwestie van de vrouw in het ambt feitelijk om draait: hoe zit het met het GEZAG van het ambt.

De kommissie gaat er (m.i. terecht) van uit, dat de bekende 'ondergeschiktheidsteksten' uit het Nieuwe Testament niet toestaan, dat vrouwen gezag uitoefenen over mannen. Nu zou mij lijken, dat een pleidooi voor vrouwelijke diakenen dan moet samengaan met een pleidooi voor het uit de kerkeraad halen van de diaken. Maar dat doet de kommissie niet. Invier kleine alinea's wordt meegedeeld, dat het toch verantwoord is, dat zulke vrouwelijke diakenen volop zitting hebben in de kerke raad.
Ook hier had ik graag wat meer papier ontvangen van de kommissie. De zinnen worden namelijk wel steeds ingewikkelder, maar de argumentatie, waar het toch eigenlijk om gaat, ontbreekt.
Nadat men gewezen heeft op de prioriteit van het ambt van ouderling zegt men (de zin is te mooi om niet te citeren):

,Het feit dat de diaken vanuit de eigenheid van zijn ambt betrokken is bij het leidinggeven en verzorgen van de gemeente, betekent nog niet dat het werk van de diaken daarom ook als leidinggevend te typeren is. "

Volgens mij staat hier: hoewel diakenen volop meedoen bij het leidinggeven is hun ambt toch niet leidinggevend. De volgende opmerking sluit hierbij aan:

"Naar. ons oordeel worden genoemde teksten overvraagd, wanneer men op grond daarvan zou willen konkluderen dat het vanuit de eigenheid van het diakenambt betrokken zijn bij het leidinggeven van de gemeente aan de zusters der gemeente zou zijn ontzegd."

Ook weer zo'n fraaie zin; hier staat volgens mij: je mag uit de 'ondergeschiktheidsteksten' niet afleiden, dat zusters niet betrokken mogen zijn bij het leidinggeven.
Hier kan een welles-nietes diskussie op volgen, want juist datgene, wat de kommissie moet onderzoeken, gaat ze poneren. Hoe werkt dit alles in de praktijk, wat doet dan een diaken in de kerkeraad?
Nu, zelfs ingeval er nog 'breed' en 'smal' is in een gemeente, wordt het gehele beleid van de kerkeraad diepgaand door de diakenen meebepaald.
Ze zijn niet aanwezig als direktiesekretaresse maar als volwaardige leden van de raad van direkteuren, als men mij het beeld wil vergeven. Ze beslissen mee met tal stelling, met benoemingen, bij moeilijkheden in de gemeente. Of in hun eigen werk: ze bemoeien zich soms met in de problemen geraakte huishoudens, helpen iemand een gezonde financiële praktijk op te zetten en vermanen (!) dan natuurlijk ook, wanneer de des betreffende broeder of zuster toch zichzelf weer in de nesten werkt. De diakenen dragen in de kerkeraad volledig de verantwoordelijkheid mee. Het ambt van diaken ligt dicht tegen dat van ouderling aan, zeker in kleine gemeentes waar de diaken vaak ook 'hulpouderling' is en de ouderlingen volop betrokken zijn bij het werk van de diakonie. De tweede konklusie van de kommissie lijkt me dan ook onjuist. In onze kerkelijke praktijk zal het invoeren van vrouwelijke diakenen binnen korte tijd leiden tot het invoeren van vrouwelijke ouderlingen.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief