Een goed getuigenis
1989-07-07
In ons artikel 'Een geschorste ouderling' hebben we u ingelicht over een schokkende synodale uitspraak in Schotland, die nationaal ontsteltenis heeft gebracht en die tot ver buiten de Britse wateren golvingen veroorzaakte.- Jaargang 33
- nummer 14
Vandaag geven wij u, in aansluiting hierop, een gesprek weer, dat een dagblad (Glasgow Heraid) voerde met een onbekende; blijkbaar met een eenvoudig persoon, die de Lord Chancellor Lord Mackay goed kent, geen kerkgenoot is, toch geen hard oordeel over de synode uitspreekt, maar die alleen staande houdt de integriteit van Lord Mackay, die hij wél kan en durft beoordelen.
Interview
Wat is uw mening over de gebeurtenissen rond Lord Mackay, de Lord Chancellor, en de Free Presbyterian Synode? Hebben deze zaken u ook getroffen als nogal wonderlijk?
Natuurlijk zijn we bezorgd. James Mackay is een van de allerbesten onder ons. Een geweldig begaafd man, de meest bescheiden man, altijd trachtend om juist te handelen, altijd denkend aan anderen. Ik ken niemand, die hoger staat dan James Mackay en geen betere persoon dan zijn echtgenote.
Wat zijn leven beheerst is de wens, zijn talenten te gebruiken tot Gods eer. En wat hem nu overkomen is dat voelen wij diep met hem mee, heel erg diep. Dat diepe meeleven is bij velen aanwezig, geloof ik, zowel in zijn eigen kerk als in heel Schotland, bij ieder die hem kent.
Ik zeg vaak over James Mackay (en ook over George Thomas, de vroegere kamervoorzitter): als ze niet meer bij ons zijn, dan vormen zij een sterke erewacht in de hemelse legers op de nieuwe aarde. En stellig doen ze dat, want ze gaven ons zulke goede voorbeelden.
- We kunnen ons van George Thomas heel goed voorstellen, dat hij met vreugde zo'n erewacht zou betrekken.
- Er moet een hele erewacht zijn bij de hemelse bevolking. De bewondering, het hartelijke respect, de liefde, de diepe gevoelens voor deze bijzondere man - met wie wij zo blij zijn, de Lord Chancellor - mijn bewondering voor hem is grenzeloos.
- Denkt u dat de kerk fout is geweest in zijn zaak?
- Ik kan het niet begrijpen. Ik kan het niet begrijpen ... Ik kan dat niet beoordelen en we zijn er erg bezorgd over. Hij is een fantastisch goede man. Hij is zo goed - en dan goed niet alleen als vroom bedoeld; Hij is tot de bodem goed - ook vriendelijk.
Mijn bewondering voor hem, en ik ken hem, is absoluut onbegrensd. Ik denk altijd:hij is zo iemand die elke dag in de spiegel kan zien, en dan weet dat hij werkelijk weer zijn uiterste best heeft gedaan; en als hij zijn uiterste best heeft gedaan dan weet ik niemand die het beter zou kunnen. We zijn erg blij met hem. Maar hij heeft ook een warme, humor en zo'n fijne manier van spreken, zo'n aardige lach.
- Hij heeft het wel te kwaad gehad met die Engelse rechtsgeleerden, niet?
- Wel wat. Maar we staan allemaal achter hem.
Meer pleitbezorgers
Het zal u opvallen, met welk een voorzichtigheid de onbekende over de Free Presbyterian Synode spreekt. Het voorbeeld van Lord Mackay vindt blijkbaar navolging in zijn omgeving. De man voelt zich niet geroepen om de oordelende synode te oordelen, maar wel om een trouw getuige te zijn, met moed en liefde bezield. In dezelfde geest is een boekje verschenen 'Een pleidooi tegen extremisme', door ds. John Talloch uit Aberdeen, een der (thans 14) uitgetreden predikanten van de FP Kerk.
Ook hier een bescheiden maar krachtig getuigenis - op grond van wat Calvijn, Hodge, Turretin, Spurgeon e.a. uit de Schrift begrepen. En dit tegenover de thans opgekomen mening; als zou alles aan de Roomse Kerk even verwerpelijk zijn.
Talloch toont met een minimum aan woorden aan, dat de hervormers, en latere theologen in hun voetspoor, altijd gewaardeerd hebben in de Roomse Kerk: de prediking van zonde, straf, vergeving door Christus' bloed en een goede toekomst door Gods genade. Daarbij hebben ze nooit de Roomse misbruiken en gebreken uit het oog verloren, maar ze bleven de Roomse Kerk zien als een kerk, als een deel van het lichaam van Christus; ze bleven de oprechte gelovigen zien als broeders in de Heere.
Het nieuwe standpunt van de FP Kerk, door een kleine meerderheid gesteund, luidt dat de RK Kerk 'de Antichrist' belichaamt, en dat men op veilige afstand moet blijven. Het bijwonen van een requiem-mis door Lord Mackay - voor een ambtgenoot en vriend. - was daarmee veroordeeld.
John Talloch toont bescheiden aan, dat Calvijn aan een corresponderende 'Nicodemus' adviseerde: in diens unieke omstandigheden van tijd tot tijd de mis bij te wonen, teneinde niet de indruk van een godloochenaar te geven. Hier werd uiteraard verwezen naar 2 Kon. 5:18, waar Naäman de Syriër werd geraden 'in vrede' zijn vorst te vergezellen 'naar de tempel van diens afgod.
Die situatie is immers parallel aan de positie van Lord Mackay?
Slechte herders
En passant blijkt voor de aandachtige lezer, dat de synode-scriba betrokken was bij een pas verschenen boek 'De Free Presbyterians en de Requiem Mis', een boek dat stemming heeft gewekt in de tijd tussen de aanklacht en het synodeoordeel; een periode, waarin men naar goede zede niet meer met eigen meningen de oordelende vergadering voor de voeten moet lopen.
Bovendien bleken twee van de drie opstellers van dat boek zelf aanklagers te zijn! Om die reden heeft ds. Talloch gemeend, tegengas te mogen geven, wat ongetwijfeld de beoordeling ter synode heeft beïnvloed. Voor ons blijft het echter vreemd, dat het ene boekje uit de geschriften der reformatie putte - het andere uit de geschriften van de eigen kerkhistorie.
Liever hadden wij gezien, dat beiden de Schrift hadden doen spreken.
Maar zelfs de 'leken' op de synode moeten hebben begrepen wat ds.
Talloch delicaat aan de orde stelde: dat de synodale scriba, die als architect van het vonnis wordt gezien, samen met zijn confraters diverse malen onjuist en misleidend uit vroegere synode-notulen citeerde: de ene maal door een cruciale voorzin weg te laten - de andere maal door een eigenmachtige zin binnen de citerende aanhalingstekens te plaatsen. Zoiets moet ieder die lezen geleerd heeft doen weten, dat hier bewust geknoeid is - tenzij het doel de middelen heiligt.
Onze vaderen
Hoe stonden onze vaderen tenslotte tegenover Rome en zijn mis? Die hebben zich nogal voorzichtig uitgelaten in zondag 30 van de HeideIbergse Catechismus. Waar Rome ieder die de mis ontrouw werd vervloekte, heeft de HC niet de roomsen vervloekt, maar de leer van de mis - en dan nog in de grond der zaak - vervloekte afgoderij genoemd.
Die harde uitdrukking, door velen vandaag nauwelijks aanvaardbaar geacht, was aanvankelijk op verzoek van de regerende vorst door de opstellers van de HC geschrapt.
Maar nadat Rome zijn 'anathema' had uitgesproken erkende de keurvorst van de Pfaltz, dat de opstellers het juist hadden gezien: vanaf de tweede druk is die 'harde' zin opgenomen, tot sterking van de weifelaars.
En wat de Roomse doop betreft: onze vaderen hebben de doop, in de naam van de drieënige God toegediend, altijd als wettig aanvaard en bekeerlingen niet overgedoopt.
Evenmin als de reformatoren zelf zijn overgedoopt.
Terecht concludeerde ds. John Talloch dat de nu voorgestane mening niet alleen kleingeestig (narrowminded) is, maar ook alle kerken en gelovigen behalve de kleine groep Free Presbyterian Kerken buiten het koninkrijk der hemelen sluit. Een zaak, waarvoor wij in Nederland evenzeer op onze hoede moeten zijn.