Toerusting van frans-talig Afrika

1989-07-07
  • Jaargang 33
  • nummer 14
Van eind februari tot half maart hebben ds. H. de Jong (Amsterdam) en ondergetekende colleges gegeven aan de Theologische Fakulteit van Bangui (FATEB), de hoofdstad van de Centraal Afrikaanse Republiek (RCA). Het is al weer. de vierde keer, dat er docenten door de Stichting Evangelische Toerusting Afrika (EvTA) naar dit land zijn uitgezonden.

De vorige drie keren hebt u daarvan steeds een verslag kunnen lezen in Opbouw. Dit keer zal ik u iets vertellen over onze belevenissen in en buiten de colleges.
"Was het niet warm, toen je daar met het vliegtuig aankwam", werd me bij terugkomst in Nederland meer dan eens gevraagd. Ja, dat was het. Om over de volgende dag maar niet te spreken, toen ik overmoedig een wedstrijdje meevoetbalde, maar na 25 minuten al (uitgeteld) gewisseld moest worden.

Die temperatuursovergang alleen al, maakt duidelijk, dat we ons in deze twintigste eeuw toch wel op een heel vreemde manier verplaatsen. Na een geweldige vlooiesprong van acht uur, land je midden in de Afrikaanse wereld, zonder ook maar iets van Spanje, Marokko, Algerije en Tsjaad gezien te hebben. Binnen 24 uur van blank Bilthoven naar zwart Bangui, van het rijke Nederland naar een arm ontwikkelingsland. En je vergeet bijna de cijfers van de toenemende onkerkelijkheid in West-Europa, als je in een werelddeel komt, waar de kerk een aanzienlijke groei doormaakt.
De Republiek Centraal Afrika maakt zijn naam waar. Het land ligt midden in dit werelddeel en wordt ingesloten door een vijftal landen; voor de FATEB zijn vooral Zaire en Tsjaad van belang, want daar komen de meeste theologische studenten vandaan.

In totaal zijn wel zo'n tien nationaliteiten vertegenwoordigd op de FATEB.
Voor alle studenten geldt, dat ze uitgezonden worden door een plaatselijke gemeente, die de betreffende student, zo goed en zo kwaad als dat gaat, van een beurs voorziet. Omdat de meeste studenten al ruime twintigers zijn en met echtgenote en kinderen op de campus van de FATEB wonen, zitten sommigen financieel zwaar.

Het klinkt je vreemd in de oren, wanneer een student je vertelt, dat zijn vrouwen kinderen in Zaire moesten achterblijven (op 2000 km afstand), omdat de beurs ontoereikend was voor de overkomst van de rest van de familie. En een andere student kon voorlopig niet trouwen met de beoogde vrouw, omdat de beurs niet op een bruidsschat berekend was.
Toch raakt men door zulke zaken niet verbitterd en dat tekent hun enthousiast geloof en de grote motivatie voor de studie. Ze willen graag gevormd worden, om later de kerken in hun land te kunnen dienen.
En dat is ook. broodnodig. Want in landen als Zaire en Centraal-Afrika groeien de kerken, en het enthousiasme is groot, maar daarachter gaat veel oppervlakkigheid schuil.

De vraag naar bekwame voorgangers en docenten is groot en het is fijn, dat wij vanuit Nederland kunnen meewerken aan de vorming van een kader voor de kerken in frans-talig Afrika.
Daarbij hoop je, dat het christelijk geloof in de komende decennia aan diepgang zal winnen. Zodat er in die afrikaanse landen capabele christenen opstaan, die de soms schrijnende politieke er) maatschappelijke situatie durven aan te pakken.
Want schrijnend is het, wanneer je de armoedige huisjes en hutjes ziet, de bedelaars tegenkomt en haveloze kinderen ziet rondlopen; wanneer je hoort van de mattqemedische voorzieningen en wanneer jede cijfers ziet van de verspreiding van aids, grotendeels 'veroorzaakt door de niet in te dammen prostitutie.
Het was in dit verband boeiend, dat we ook nog twee keer een korte bijbelstudie konden houden onder christen-studenten van de Universiteit van Bangui (waarvan de FATEB deel uitmaakt). Het waren hartelijke ontmoetingen, waar ds. De Jong en ik korte Schrift-overdenkingen hebben gehouden. Ds. De Jong 'wees de studenten op het grote voorrecht van de universitaire vorming en moedigde ze aan om met hun studie de afrikaanse samenleving te dienen, als betrouwbare en capabele christenen: Ik heb een week later gewaarschuwd tegen een onkritische import van de westerse cultuur en techniek, waarbij de bijbelse waarden en diepste menselijke gevoelens, zo gemakkelijk schade kunnen lijden.
Misschien dat er in de toekomst (vanuit de Reformatorische Wijsbegeerte?) nog eens een projekt kan worden gestart aan de universiteit, maar dit terzijde.

Die maatschappelijke en politieke implicaties van het evangelie laten ook de afrikaanse theologiestudenten van de FATEB niet onberoerd.
De bevrijdings-theologie (die alles op de politieke/maatschappelijke kaart zet) oefent op sommige studenten grote aantrekkingskracht uit. Misschien dat we in onze colleges en gesprekken een derde weg hebben kunnen laten zien. Als christen màg je de politieke en maatschappelijke vragen niet uit de weg gaan, maar aan de andere kant moet het christelijk geloof ook niet opgaan in politieke en sociale kwesties.

Aan het slot van dit eerste artikel wil ik nog even terug naar het werkterrein, waar de studenten na hun studie terecht komen.
De studenten krijgen zoals gezegd, werk in hun land van herkomst.
Die landenverschillen onderling zeer sterk van elkaar, zodat de werksituatie ook niet vergelijkbaar is.
Zo is Zaire (ten zuiden van de RCA) overwegend christelijk en veel studenten komen uit families, die al generaties lang tot de kerk behoren.
Je hebt er de gevestigde kerken (veelal baptistisch, andere reformatorisch getint), die aangesloten zijn bij een overkoepelende protestantse organisatie.
In Tsjaad (ten noorden van de RCA) is de situatie heel anders. Daar is nog veel animisme (de oude afrikaanse godsdienst) en vooral naar het noorden toe is de Islam de belangrijkste godsdienst. Soms richten studenten zich tijdens. hun studie al heel nadrukkelijk op dat toekomstig werkterrein (b.v. evangelisatie onder moslims).
Veel studenten uit landen als Tsjaad zijn eerste- of tweede-generatie christenen. Het is heel bijzonder om; tijdens onze 'huisbezoeken' aan studenten, uit hun. mond te horen, dat ze de christelijke boodschap .
heel persoonlijk als een bevrijding hadden ervaren (bij de overstap uit het animisme). Of wanneer ze vertellen, dat ze de overgang van Islam naar christelijk geloof: hebben gevoeld als een overgang van wet naar evangelie.
Afrika is een boeiend werelddeel, dat volop in beweging is. Dat geldt zeker ook voor de atrikaanse kerken en de afrikaanse theologie. Het is dan ook een bijzondere ervaring om in die context colleges te mogen geven. Daarover gaat het de volgende keer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief