Hulpeloos maar schuldig?
1988-02-18
De titel van het vorig jaar verschenen boekje van Aleid Schilder is een vondst. Het lijkt of daarmee de eerste vraag van Zondag 4 volledig gedekt wordt. "Doet God de mens dan geen onrecht, dat Hij in zijn wet van hem eist wat hij niet doen kan? Overvraagt God een mens niet wanneer Hij het onmogelijke van een mens vraagt? Je mag toch ook van een verlamde in een rolstoel niet verlangen dat hij zich langs vier trappen omhoog zeult. Ja, hij heeft twee benen, maar is het zijn schuld dat hij die niet kan gebruiken?- Jaargang 32
- nummer 7
De vergelijking gaat natuurlijk scheef, maar dat is ook het misleidende in het woordje "hulpeloos", het suggereert dat een mens het ook niet kan helpen, dat hij is wie hij is: zondaar voor God.
De vervuiler betaalt
God neemt de zonde serieus. Veel meer dan wij de zonde serieus nemen. Wij zijn geneigd om wat lichtvoetig over de zonde heen te springen. We zijn immers geen volmaakte mensen, en soms zijn de omstandigheden er ook naar.
God zondigt niet en daarom heeft de Here ook zo'n scherp oog voor de zonde.
Hij ziet hoe de zonde het leven kapot maakt. Hij ziet hoe de schepping zucht onder zondige mensenhanden.
Daarom toornt God over de zonden der mensen, want Hij ziet als geen ander de verschrikkelijke gevolgen er van.
Ieder, die rookt en drinkt, weet welke schadelijke gevolgen roken en drinken kunnen hebben. We weten het, en tegelijk kunnen we op meesterlijke wijze de ernst er van bagatelliseren. Ach, het valt allemaal wel mee. Het loopt zo'n vaart niet. Ik weet precies hoe ver ik kan gaan!
Een niet-roker en een niet-drinker kunnen furieus worden, wanneer er gerookt en gedronken wordt. Ik zeg niet, dat zij altijd gelijk hebben, maar zij zien vaak scherper de schadelijke gevolgen van een hebbelijke gewoonte.
Terwijl de vervuiler veel eerder de neiging heeft om de vervuiling goed te praten.
God heeft ons niet als hulpeloze wezens op deze aarde gezet. Als zwakke en gebrekkige mensen. Hij heeft ons geschapen als volkomen gave mensen. Naar het beeld van God. Wij moeten ons zelf daarom ook niet zien als slachtoffers van het kwaad, maar als daders, die hun door de zonde verdorven aard volgen.
Echte kinderen van Adam en Eva.
En heeft de Schepper dan ook niet het recht om zijn schepsel ter verantwoording te roepen en te zeggen: Ik neem het niet wanneer je zo leeft, wanneer je moedwillig ongehoorzaam bent. En mijn oordeel komt over je, wanneer je op die weg van ongehoorzaamheid blijft doorhollen.
Wie vuil maakt moet betalen!
Niet hulpeloos
De catechismus legt in deze Zondag veel nadruk op de rechtvaardigheid van God, in die zin dat God het volle pond van de mens eist. Van de gevallen mens, die vanwege z'n moedwillige ongehoorzaamheid op geen enkele wijze aan Gods wet kan voldoen. Ik kan me voorstellen, dat zo'n gedachtengang verlammend kan werken op de mentaliteit van een mens. Daar word je inderdaad hulpeloos van, zeker wanneer je wel wilt.
Het is daarom nodig, om vooruitlopend op de Zondagen 6 en 7, te zeggen, dat God na de zondeval, de mens niet aan z'n lot heeft overgelaten. God is niet een tegenstander geworden, maar is van zijn kant trouw gebleven aan zijn schepsel.
Hij oordeelt en tegelijk trekt Hij de gevallen mens naar Zich toe. Je behoort Mij toe. Ik ben je schepper, Ik wil ook je verlosser zijn.
Daarom, ondanks de val in de zonde is de mens niet tot hulpeloosheid veroordeeld.
De Here is zijn helper. De Here baant de mens een weg tot het leven. Hij gaat verder met Adam en Eva. Niet in, maar buiten het paradijs. Maar Hij gaat mee. En Hij gaat met ons in Abraham, in Israël. En tenslotte is Hij met ons in Christus Jezus.
Schuldig
We hebben een zondige aard. Dat wil zeggen, we zijn niet in staat in eigen kracht de zonde te beteugelen. Om het kwaad in te dammen. Maar zijn we daarom ook gedoemd te zondigen? Kan er werkelijk alleen maar kwaad uit onze handen komen? Nee! Want God is er ook nog. Hij heeft een dam opgeworpen tegen het kwaad. Had Hij ons de vrije teugel gelaten, ons aan zijn oordeel overgelaten, we zouden geen leven meer hebben op aarde. Maar de Here heeft zijn verbond gegeven, Hij heeft zijn beloften en geboden gegeven, Hij heeft zijn legers gemobiliseerd in de strijd tegen de boze.
Daarom zijn we ook geen hulpeloze mensen, maar schuldige mensen, wanneer we toch zondigen. Wie bewust zondigt, die volgt niet alleen z'n zondige aard, maar die kiest daar ook voor. Die kiest er voor te handelen tegen de wil van de Here. We kunnen ons daarom ook niet verontschuldigen door ons te beroepen op onze zondige aard, want die zondige
aard is voor God geen verhindering geweest om ons in genade aan te nemen.
De Here wil de mens vasthouden. Hij wil verlossing geven in het leven. Daarom wil Hij ook over de zonde heen stappen, wanneer wij onze zonden belijden en ons bekeren van onze ongehoorzaamheid.
Wij gaan echter het heil van God in de weg staan, wanneer wij niet van die genade willen leven. En blijven doen wat goed is in eigen ogen, maar kwaad is in de ogen van God. Dan volgen wij ten volle onze eigen aard en die weg voert naar de dood. En op die weg komt de Here ons tegen met zijn oordeel. Nu en eeuwig.
Samenvatting
Zondag 4 plaatst de mens, de gevallen mens, voor het oordeel van God. Hij heeft de eeuwige straf verdiend, omdat hij door moedwillige ongehoorzaamheid niet kan voldoen aan Gods geboden.
In Zondag 4 gaat de' mens er heel diep onderdoor, om in Zondag 5 weer met zijn hoofd boven water te komen.
Ternauwernood gered in Jezus Christus.
De catechismus legt in deze Zondagen veel nadruk op de ernst van de zondeval om zo op de grootheid van Gods genade in Christus uit te komen. De verlossing van de mens wordt helemaal in het licht van Christus' middelaars werk gezet.
Misschien ware het beter geweest om de verlossing niet alleen christocentrisch (van Christus uit geredeneerd) uit te leggen, maar ook heilshistorisch.
D.w.z. de Here heeft de mens niet losgelaten, maar is verder gegaan in Adam, in Abraham, in Israël. Op de weg van Adam naar Christus heeft het aan heil en heilsfiguren niet ontbroken.
God betoonde niet alleen zijn rechtvaardigheid, maar ook zijn barmhartigheid.
Wellicht was dan een boekje als "Hulpeloos maar schuldig" minder gauw geschreven geweest.
Onze eigen (vrijgemaakte) traditie noopt ons om voor dat heilshistorische aandacht te krijgen.