In dienst van het evangelie (1)

1988-02-18
  • Jaargang 32
  • nummer 7
Op 16 augustus 1987 werd in een bijzondere kerkdienst afscheid genomen van Christien Breman, in verband met haar vertrek naar Tanzania.
Voorganger in deze dienst was ds H. de Jong, die over 3 Johannes: 5-8 preekte. Uit deze preek geven wij in twee gedeelten het voornaamste weer.

Wij zijn hier bijeengekomen om onze zuster en vriendin Christien Breman, die gereed staat om naar Tanzania uitgezonden te worden, te groeten en haar aan de Here en Zijn genade op te dragen.
Aan mij de taak om door de verkondiging van Gods Woord u naar die voorbede toe te leiden. Een voorbede trouwens die u thuis moet voortzetten.

Waar gaat het om? Er zitten veel kanten aan zo'n uitzending.
Denk alleen maar eens aan het land, het werelddeel, waar Christien heen gaat.
Naar een kultuur die zo anders is dan de onze hier.
Hoe begrijpelijk zou het zijn, als wij in ons meeleven met Christien niet verder zouden komen dan de ingrijpende overgang van hier naar daar.
Ik denk dat het zo ook vaak toegaat in de gesprekken die Christien in deze tijd te voeren heeft. "Ik heb gehoord, Christien, datje naar Afrika gaat. Vertel me daar eens wat over: En: ik ben benieuwd hoe je het daar zult vinden".
En dan hoeft er geen woord te vallen over wat Christien daar nu eigenlijk gaat doen.
Daarom is het heel goed dat we ons in een kerkdienst met Christiens uitzending zullen bezig houden. Want een kerkdienst noodzaakt ons altijd naar de kern te gaan. Het Woord wordt geopend en dan vallen bijkomstigheden weg.

Ik wil u laten zien dat Christien terwille van de Naam uitgaat en dat het aan ons is om met haar samen te werken voor de waarheid.
Dat zijn twee uitdrukkingen die ik aan de gekozen tekst ontleen.
'Uitgaan terwille van de Naam' en 'samenwerken voor de waarheid'.
Van beide wil ik in het vervolg een uitwerking geven met het oog op wat ons rondom Christiens uitzending bezig houdt.

Uitgaan terwille van de Naam.
We worden in de Derde brief van Johannes verplaatst in de sfeer van een huisgemeente uit het begin van de geschiedenis van de kerk.
Een gemeente die niet groot is, maar waarin toch veel omgaat.
Het is daar een af en aan van reizende evangelie-predikers, die worden ontvangen en voortgeholpen.
En zo vervult die kleine gemeente die we niet eens kennen een strategische rol in de verbreiding van het evangelie.
Want daar is men blijkbaar vol van. Dat het evangelie verkondigd zal worden.
Er zijn daar mensen die van het belang daarvan zo zeer doordrongen zijn dat ze hun leven voor dit werk geven, dat ze hun beroep daarvan maken, dat ze uit hun gewone bezigheden breken om zich daarmee bezig te houden.

Zij gaan uit ter wille van de Naam.
Wiens Naam?
Dé Naam, de enige die onder de hemel is gegeven waardoor wij moeten behouden worden. Mooie, korte aanduiding is dat die alles in één klank noemt: de Naam.

Er zit in opgesloten dat niets in het leven eigenlijk naam mag hebben tenzij dan dit ene dat we door de Here Jezus en Zijn werk kinderen van God zijn.
Dat Hij vóór ons is.
En als Hij voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn?
En daarom is er geen naam zoeter en beter voor het hart dan de Naam van Jezus.
Als wij Hem kennen, echt kennen, dan komt er beweging in ons leven. Dan willen we voor Hem leven. Voor Hem onze krachten inzetten. "
Niet dat we dan allemaal evangeliepredikers worden.
leder heeft zijn roeping. Maar dat dit werk dan gebeurt en mogelijk gemaakt wordt, ja, dat wordt een zorg voor iedere christen.
Je wilt namelijk dat dat goede dat in je eigen leven gekomen is en daar zo'n heilzame rol speelt, ook voor anderen beschikbaar komt.
De grote drijfveer achter de verbreiding van het evangelie is daarom niets anders dan de Naam van God en Christus Zelf.

Alle andere motieven zijn daaraan ondergeschikt en moeten daaraan onderworpen worden. Niet dat ons dat altijd even helder voor de geest staat.
Wij moeten daar ook als evangeliedienaars regelmatig aan herinnerd worden.
Het kan wel eens wegzakken in onze geest, overwoekerd worden door andere dingen, de zorgvuldigheden des levens, zoals Jezus zegt.
Daarom doet zo'n uitzenddienst mij zelf ook goed. Ik merk het. En dat zullen andere evangelie-werkers ook hebben.
Wij moeten ook als dienaars van het evangelie ons eigen geestelijk leven goed onderhouden.
Om niet, zegt Paulus, na anderen het evangelie te hebben gebracht, zelf afgewezen te worden.
Daarom moet de kerk om zich te verbreden en uit te breiden, zich altijd eerst verdiepen, verzinken in het goede van Christus. Anders gaan we met een lege dop op stap.
Als we niet van binnenuit gedreven worden, vanuit de eigen ondervinding van wat God in Christus voor ons gedaan heeft en doet, dan spreken we ook niet blij meer van Hem.
Ja, dan kunnen we nog wel iets organiseren, iets bekwaam opzetten, maar ons werk mist dan het eigenlijke.
Het is helaas geen denkbeeldig gevaar dat juist degenen die bezig zijn in de verkondiging, het evangelie als hoofdzaak vergeten en het belangrijkste, de motivatie, verliezen.

Ik pak er nu een element uit de tekst bij.
Er wordt gezegd dat degenen die zo voor de Naam uittrokken, niets van de heidenen, van de niet-christenen, aannamen.
Een typische bijzonderheid.
Wat leert ons dat?
Het kan erg eigenwijs zijn om niets van anderen aan te nemen.
Er kan een geweldige trots uit spreken.
Juist degenen die met het evangelie in een andere kultuur gaan werken, zou ik daarom op het hart willen binden, zich ontvankelijk op te stellen en die kultuur met achting te benaderen: Wat hebben zij dat ik niet heb?
Er is in het verleden wel minachting geweest bij de brengers van het evangelie.
Minachting voor de kultuur die ze aantroffen.
Een superioriteitsgevoel waarmee ze niet alleen het evangelie, maar ook met een onbelast geweten de europese beschaving brachten. Alsof die onderdeel van de blijde boodschap kon zijn.
Dat kan ze niet! Dat weten wij inmiddels heel goed.
Wat dit betreft heeft de latere kerk het wel heel anders gedaan dan in het begin van de kerkgeschiedenis toen de evangelisten in Griekenland en Rome het evangelie brachten aan mensen die voor hun gevoel kultureel boven hen stonden.
Dat had bij hen bescheidenheid tot gevolg en dat was een heel mooie vrucht hiervan.
Ze waren vol van Christus, maar keken toch tegen de kultuur die hen omringde, op. Ze hadden er wel kritiek op, maar tegelijk hadden ze er respekt voor.
Mooi was dat.

Toch werd in die tijd gezegd: denk erom, geen geld aannemen van de heidenen! Dat kwam dus niet voort uit trots of superioriteitsgevoel, maar uit het inzicht dat het evangelie daarvoor te uniek is.
En zo moeten wij dat ook voor nu van hen overnemen.
Het evangelie komt van God en daar kan niet voor betaald worden.
Daar is voor betaald, met het kostbare bloed van Jezus Christus.
Dat verplicht ons met het geschenkkarakter van het evangelie de grootst mogelijke ernst te maken.
Om niet hebben wij het ontvangen en daarom geven we het ook om niet.
Zoals de Heiland ons geleerd heeft.
Voor de evangelie-verbreiding is alleen geld der dankbaarheid bruikbaar.
Want u zit natuurlijk te denken: wat is dat nou voor een onzakelijk idealisme.
Het kost toch geld? Waarom dan geen geld aannemen, van uit welke hoek ook?
Nou, daarom niet. Alleen geld der dankbaarheid is daar goed voor.
Dat wil zeggen: geld waar niet het misverstand aan kleeft dat de geestelijke dingen waar Christus voor gezorgd heeft, te koop zouden zijn.
Dat zijn ze niet. Daarom nam ook Eliza niets aan van Naäman, toen hij die genas.

Het is niet denkbeeldig dat er zijn die zeggen: geld aannemen?
Natuurlijk geen geld aannemen van de Afrikaanders! Wij zijn rijk en zij zijn arm. Het zou een misdaad zijn! Maar dat is het punt niet.
Nog eens: in het begin lag dat omgekeerd.
Toen was de kerk arm en de heidense wereld rijk. Toch was ook toen het parool: geen geld aannemen!

Er kan dus geen ekonomisch motief achter deze handelwijze zijn schuil gegaan.
Nee, want als de Afrikaander tot het geloof komt, dan vragen wij ook van hem geld. Of beter: dan vraagt de Here van hem geld om de verbreiding van het evangelie ook met medewerking van hem voort te zetten. Geld naar draagkracht.
Zeker, maar toch geld.

Opnieuw stuiten we hier op iets dat in het verleden is fout gegaan en waarvan de gevolgen nog verschrikkelijk nawerken.
Dat wij de jonge Afrikaanse kerken hebben bedorven met onze geldstroom.
Zodat ze niets zelf kunnen en voor alles van westers kapitaal afhankelijk zijn.
Eigenlijk hebben we ze daarmee diep in hun eer aangetast.
Hiermee is een geweldig grote fout gemaakt, waarvan je je af kunt vragen, of die nog ooit hersteld kan worden.

Toen ik in Afrika was heb ik vaak gedacht: het geeft niets dat hier alle kerkewerk op z'n Jan-Boeren-fluitjes gebeurt.
Als het maar door hen zelf gebeurt.
Dan leren ze van hun eigen fouten.
En er is geen beter leermeester dan je eigen fouten.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief