In dienst van het evangelie (2)

1988-02-25
  • Jaargang 32
  • nummer 8
In het vorige nummer van Opbouw werd het eerste deel van de weergave van de preek, die ds De Jong hield bij het vertrek van Christien Breman naar Tanzania, opgenomen.
Hieronder volgt de tweede helft. Vorige maal verzuimden wij te vermelden dat het de Stichting Evangelische Toerusting Afrika is die deze publikatie verzorgd.
Om propaganda te maken, natuurlijk. , Waarom wij ook met genoegen ons adres en giro- of bankrekeningnummer nog een keer noemen: girorekeningnr. 9710 of bankrekeningnr. 33.03.03.724 t.n.v. St. EvT A, Eek en Wiel.

Bij de uitdrukking: Zij zijn uitgegaan terwille van de Naam heb ik nog een opmerking te maken.
Wie zijn het die uitgaan terwille van de Naam?
Daar horen we hier niets van en dat maakt ook niet uit, wil ik u voorhouden.

We lezen hier in dit briefje dat Gaius geprezen wordt om wat hij voor de broeders (dat zijn die evangelie-werkers) doet. "En dat nog wel voor vreemdelingen", zo wordt er dan aan toegevoegd.
Die Gaius, aan wie de brief geschreven is, ontving en verzorgde de broedersevangelisten op hun doorreis zonder dat hij ze kende. Ze waren vreemd voor hem. Kwamen ook uit andere plaatsen dan waar hij woonde. Hij had ze nog nooit eerder gezien. Toch zorgde hij voor ze. Zij gingen uit ter wille van de Naam en dat was Gáius genoeg.
Zonder die broeders te kennen was hij met ze verbonden door de liefde tot de Naam.
Dat vind ik zo mooi in het christelijk geloof.
Je gaat (zoals dat broeder Breukelaar en mij overkwam deze week) naar Schiphol om iemand van de Africa Inland Mission (A.LM) op te halen. Je groet hem en je noemt hem meteen met een intieme broedernaqgi.
Je kent elkaar niet en je kent elkaar toch. Voordat het tot persoonlijke gevoelens komt, heeft de Heilige Geest al een band gelegd.
Zo ervoer Gaius het ook, toen hij zich inspande voor broeders die overigens vreemden voor hem waren.

Hieraan ontleen ik een waarschuwing.
Wij kunnen het werk van Christien helemaal in de sfeer van de vriendschap gaan trekken. Dat we de schouders onder dit werk gaan zetten omdat wij het Christien zo gunnen.
Natuurlijk is het fijn dat wij Christien ook persoonlijk kennen.
Geen misverstanden daarover. Maar er kan zodoende toch iets kneuterigs in het projekt insluipen. Dat het een vriendjespolitiek wordt. Ja, voor een goed doel, maar toch vriendjespolitiek.
Met als gevolg, dat als onze krachten en steun gevraagd worden voor projekten waarin mensen werken die we niet kennen, de beurzen dicht blijven. Daarom zeg ik: we moeten de Naam niet laten schuil gaan achter de namen.
Ook niet achter bekende en geliefde namen.
Uiteindelijk moet liefde tot de Here de eigenlijke drijfveer achter het projekt zijn.
Dat zullen ook de broeders en zusters van Africa Inland Mission helemaal met mij eens zijn. En trouwens, of wij, het hierover met elkaar eens zijn, is ook nog vers twee. We houden dit elkaar als duidelijk bijbelse boodschap voor.

Eigenlijk zijn we nu ook al bezig met die andere uitdrukking: samenwerken voor de waarheid, waarover ik iets beloofde te zeggen.
Ach, de beide thema's zijn ook niet zo van elkaar te scheiden en dat geeft ook niets. Maar ik wil met behulp van die uitdrukking nu iets zeggen over het thuisfront.
'De waarheid' geeft hetzelfde aan als 'de Naam' van zoëven.
Het zijn aanduidingen voor alles wat ons door God in Christus geopenbaard is. En dàn wil ik bij het samenwerken voor de, waarheid in de eerste plaats erop wijzen dat het ja, een zaak van de gemeente is, maar van de afzonderlijke leden van de gemeente voorop. De gemeente bestaat uit leden: van u en mij.
Dat blijkt hier zo mooi.
Want die Gaius over wie de brief schrijft, is niet een ambtsdrager geweest.
Geen apostel, geen oudste. Een gewoon gemeentelid in een gewone gemeente, die wij overigens niet kennen.
Maar deze man heeft vooraan gestaan in het leiding geven aan het thuisfront.
De evangelie-predikers die met hem te maken hadden gekregen en door hem voort waren geholpen, spraken daar tot over verre afstand lovend over.
Hij was een voorbeeld voor de anderen.
Kon het misschien ook goed doen, maar hij dééd het dan ook.
Hij zag best in dat niet allen erop uit konden gaan, maar begreep daarnaast dat die evangelie-verbreiding toch ons aller zaak is. En zo was hij op het thuisfront in die kleine gemeente een vooraanstaande en waardevolle kracht, van wie veel uitging. En die door liefde, zo staat er, bezield was. Liefde. Natuurlijk tot die werkers, maar om hun werks wil, want ook vreemden profiteerden ervan, zoals we opmerkten.
Liefde tot het evangelie dus.
Deze Gaius houd ik u als voorbeeld voor.
Als er zulke Gaiussen in de gemeente zijn, dan wordt de gemeente zelf ook sterk. Dat werkt onderling opbouwend als we ons voor de dienst aan het evangelie inspannen.
Paulus dankt de Filippenzen wegens hun deel hebben aan de prediking van het evangelie.
Ik dacht vroeger dat dat betekende: wegens hun zitten onder de prediking van het evangelie, maar het is aktiever bedoeld.
Ze namen deel aan het werk. Dat was maar niet een aangelegenheid voor de apostelen alleen, maar de hele gemeente rekende zich dat tot haar taak.
Zou ook mede daardoor die gemeente van Filippi zo'n charmante kerk geweest zijn? Dat beeld krijgen we uit de brief. Door hun samenwerking voor de waarheid, de verbreiding van de waarheid?
Het projekt Tanzania, zoals ook andere projekten, kan ook voor ons zelf zegen afwerpen. Samenwerken voor de waarheid is een goed cement voor de gemeente-opbouw.

Die Gaius (en alle echte christenen zullen dat met hem eens zijn), zag het ook als een ereschuld om goed te zijn voor de brengers van de boodschap.
Als die zich namelijk er voor wachtten om iets van de heidenen aan te nemen, (zoals we hebben gezien) dan deden' ze dat omdat ze een gemeente achter zich wisten die voor hun behoeften zou zorgen.
Nu, zo dacht iemand als Gaius, dan kunnen wij ze in die verwachting niet teleurstellen.
Dan moeten ze ook op ons terug kunnen vallen.
Dat zijn wij thuisblijvers verplicht.
En daar had hij gelijk in. Dat zegt Johannes dan ook. "Wij behoren dus zulke mannen te ontvangen, opdat wij mogen samenwerken voor de waarheid".
Wij behoren dus ...

Inderdaad is het een ereschuld om als christelijke gemeente voor de verbreiders van het evangelie te zorgen. Er is vandaag veel dat om onze steun vraagt.
Ons wordt veel leed, gebrek en nood voorgeschoteld en we kunnen daar niet onbewogen onder blijven. Samen met niet-christenen doen we daar wat aan.
Maar als christenen hebben we dan bovendien nog die heel speciale ereschuld dat we voor de mogelijkheden zorgen dat het evangelie gepredikt en onderwezen wordt. Dat is een bij uitstek kerkelijke taak.
En de gelegenheid die wij nu krijgen om als gemeente en andere Nederlands Gereformeerde broeders en zusters uit ons land achter een dienst van het evangelie in een ontwikkelingsland te gaan staan - grijpen we daarom met vreugde en dankbaarheid aan.

Is er veel waarvoor we subsidie kunnen aanvragen (of we het krijgen is een tweede vandaag) maar deze taak kunnen en mogen we door geen enkele subsidie lichter maken. Dit valt ons bij uitstek toe. Het is onze eer dat te zien en daarnaar te doen.
De middelen die we daarvoor opbrengen heb ik geld der dankbaarheid genoemd.
Wij kennen zelf de Naam. Die is tot onze vreugd nabij.

Moge de Here Christien en ons in dit werk zegenen.
Moge het de liefde voor de Naam groter maken en moge het de samenwerking voor de waarheid sterk maken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief