Het rookoffer (1)

1988-02-25
  • Jaargang 32
  • nummer 8
"Neem nou eens een modern boek en behandel dat eens zoals u het op school zou doen". Dat is me wel eens gevraagd en daarom heb ik mij een tijd lang extra bezig gehouden met Het Rookoffer, geschreven door Tessa van Loo, het boekenweekgeschenk 1987. De meeste boekenliefhebbers zullen het al wel gelezen hebben en wie er nog niet toe kwam, kan de achterstand gemakkelijk inhalen: het is in een geweldige hoeveelheid verspreid én het is maar een dun dingetje.
Het zou aardig zijn als de lezers van Opbouw mij straks hun reacties wilden sturen.
Die kan ik dan later in ons blad opnemen, misschien levert dat een interessante gedachtenwisseling op. Doet u mee?

Het boek
Op de omslag staat een vrouw afgebeeld voor een schoolbord. Ze zit achter een tafel, kijkt strak voor zich uit.
De afbeelding is heel eenvoudig, er zijn alleen grote lijnen gebruikt, er is weinig nuancering aanwezig. Het boek telt 92 bladzijden en bestaat uit twaalf hoofdstukken die de namen van maanden dragen.
De inhoud Heel kort weergegeven is de inhoud: Een lerares van zesendertig jaar wordt verliefd op een leerling van achttien, ze krijgen een heel intieme relatie waarbij ook sexueel contact optreedt. Een jaloerse leraar brengt de zaak aan het rollen, de lerares wordt ontslagen, de jongen laat haar in de steek.

De verteltechniek
Er is een "alleswetende" verteller, maar wat er gebeurt, komen wij te weten via de ervaringen van de lerares Barbara Rozemeyer. We lezen wel wat anderen doen en zeggen, maar alleen via Barbara. Door deze vertel techniek leven we mee met de vrouwen hebben we weinig of geen aandacht voor bij voorbeeld de problemen van haar collega's en zelfs niet voor die van de jongen.

De tijd
a. Er wordt verteld van het einde naar het begin. Eerst lezen we dat de jongen haar verlaat en in het laatste hoofdstuk hoe het allemaal begonnen is. Wie het gebeuren in chronologische volgorde op een rij wil zetten, moet met het laatste hoofdstuk beginnen en dan per hoofdstuk terug lezen. In de hoofdstukken zelf is de volgorde zo goed als geheel chronológisch. Het is een wat onnatuurlijke manier van vertellen (en dus ook van lezen) en er wordt van de lezer extra aandacht gevraagd om het verloop van de gebeurtenissen te kunnen volgen.
b. Het hele verhaal strekt zich uit over ongeveer een jaar. De maand maart krijgt de meeste aandacht, daaraan worden vijf van de twaalf hoofdstukken besteed, 36 bladzijden. In die maand gebeuren de dingen die leiden tot het fatale einde: de jongen wordt tijdelijk van school gestuurd omdat hij voor de derde keer het rookverbod heeft overtreden, zijn lerares neemt het voor hem op en dan onthult haar jaloerse collega het geheim.
C. Het verhaal wordt niet-continu verteld, er zitten soms grote gaten en sprongen in. Het laatste hoofdstuk gaat over augustus tot oktober, het hoofdstuk daarvoor over december. Tussen hoofdstuk 1 en 2 liggen ook enkele maanden: van mei tot augustus. Het geheel krijgt iets weg van een toneelstuk met losse scènes en dat past goed bij de inhoud waar juist het toneelspel telkens terugkeert.
d. Als we het gebeuren in chronologische volgorde zetten, vinden we in het verhaal diverse vooruitwijzingen. Maar het verhaal staat niet in die volgorde; na het eerste hoofdstuk kennen we de afloop al en als we dan later zo'n vooruitwijzend element tegenkomen, wordt de gedachte opgeroepen: ze had het kunnen weten! Het doet ook wat kunstmatig aan, wat te veel geconstrueerd, als we het duidelijke verband zien tussen wat op de laatste bladzijden staat over de geschiedenis van Chéri en wat daarover in het eerste hoofdstuk is verteld.
Heel opvallend is blz. 72 waar dejongen zegt: "We spelen het leven alsof we erin geloven". En de vrouw vraagt zich dán al afwat zij eigenlijk voor hem betekent.
Dat geeft ons inzicht in de beide personen: de onvolwassene speelt toneel maar is zich dat nauwelijks bewust en de volwassene doorziet dat wel maar verdringt dat bewust. Ook de vrouw speelt een spel, maar zij beseft wel degelijk het gevaar ervan. Er zijn meer van zulke vooruitwijzingen, ik ga ze niet allemaal opnoemen. Die op blz. 79 is bij het goedkope af: de kerstklok is een onheiiskIok!

De personen
Behalve de twee hoofdpersonen zijn het vooral de rector en de leraar Beverman die wat naar voren komen. Geen van beiden kan onze sympathie oproepen.
Beverman heeft zich aan Barbara opgedrongen, maar is door haar afgewezen.
Hij wordt gedreven door ordinaire jaloezie en wraaklust, ondanks de schone schijn die hij ophoudt. De rector is een man met weinig ruggegraat, hij is bang voor schandalen en voor de reacties van de ouders. Die ouders worden trouwens ook voorgesteld als bekrompen en schijnheilig. Het is allemaal wat cliché-achtig, er zit geen nuancering in de manier waarop de personen worden getekend en dat maakt het boek zwak, ongeloofwaardig. Ook die éne collega die tegen Barbara zegt: "Trek het je niet aan", kan dat tekort niet goed maken.
De lerares en de jongen worden trouwens ook alleen maar met enkele hoofdlijnen getekend, we leren ze niet werkelijk kennen en begrijpen. Het portret op de omslag past goed bij de inhoud, het doet wel wat tragisch aan, maar het is tegelijk koud, vlak. De karakters komen zó weinig uit de verf, zijn zó schetsmatig dat het woord "toneel" zich opdringt.

Motieven
(d. w.z.: terugkerende elementen) Het hele boek. door speelt de jongen .fragm~nten Uit toneelstukken, zijn Ideaal IS acteur te worden. Chéri komt op drie belangrijke plaatsen voor: aan het begin van de geschiedenis, bij het eindexamen en bij het definitieve slot. Als Barbara de jongen voor het eerst uitnodigt bij haar binnen te komen, aarzelt hij en dan zegt hij: "Ik ben Lea niet".
(Lea is de minnares van Chéri die vierentwintigjaar jonger is.) Maar zij wordt wel degelijk Lea en ondanks de nauwelijks verhulde waarschuwing bij het examen handelt de jongen als Cheri en laat hij haar in de steek.
Een ander element dat terugkeert, is dat van de tijd en van het verschil in leeftijd; de lerares is zich dat verschil bewust en is bang voor het verval en de ouderdom.
Zie blz. 22 voor de parallel met Lea.
Er is ook enkele keren sprake van satanische invloeden, van behekst worden, zelfs van een heksenverbranding. De schoonheid van de jongen wordt door de lerares ervaren als geschapen door een satanische godheid; de jongen voelt zich door haar behekst.
De lerares sust haar geweten, zij praat zichzelf schoon en gebruikt excuses die toch maar een zwakke verdediging van haar gedrag zijn. Ik noem: "Als er een God bestond, dan had Hij de mensen met goede redenen hun aantrekkingskracht gegeven". (blz. 18) En op dezelfde bladzijde: "Twee mensen die in overschilligheid samenleven, vroeg ze hem, doelend op haar huwelijk dat een jaar daarvoor was ontbonden, is dat wel verheffend?" En op blz. 16: "Ze had zich niet aan de regels gehouden.
En wat waren die regels? Eigenlijk was er maar één: ervoor zorgen dat niemand iets te weten kwam van wat je deed."
Andere mensen zijn niet beter dan zij!
Zie de twee leraren die het wel eens met meisjes aanleggen, zie Beverman, zie de rector, zie de ouders, ook die van haar minnaar.
Als laatste noem ik het roken. Barbara heeft zelf aangedrongen op een rookverbod in school en de jongen wordt gestraft om zijn herhaalde overtreding van juist _ dát verbod. En Beverman betrapt hem op het balcon van Barbara's huis als hij daar een sigaret staat te roken. Beverman, die zelf tegen alle verbod in voor de klas een pijp rookt, maar wel straf voor de leerling eist! Beverman, die zich aan Barbara opdringt, zelfs handtastelijk wordt! Zie het verband met het vorige motief.
Zo komen we natuurlijk bij de titel terecht: Het Rookoffer. Maar wie wordt er werkelijk opgeofferd? De lerares! En ze heeft het zelf veroorzaakt.

Het thema
Misschien is dat wel het moeilijkste bij het bespreken van een boek: aangeven wat het thema is. Daarbij lopen we altijd het risico van een te subjectieve benadering. Maar goed, ik waag een poging. De lerares is onder de indruk van de schoonheid van haar leerling, we.kunnen ook zeggen: ze is in de ban ervan. Zij laat zich meeslepen, ze soortzich haast in een avontuur van hártstocht en wéét eigenlijk al vanaf het begin dat dit haar ondergang zal worden.
Dat gebeurt ook: zij wordt opgeofferd.
Het is als in het gedicht van Martinus i Nijhoff, De dwaze bijen:
"Niemand kan van nature Zijn hartstocht onderbreken."

Maar ook in dat gedicht is de afloop fataal, namelijk de dood.
Wie eenmaal op het hellende vlak is kàn niet meer terug! Zó zou de grondgedachte geformuleerd kunnen worden.

Ik kan me voorstellen dat u nog niet tevreden bent. Daarom hoop ik de volgende keer hiermee verder te gaan en te proberen tot een beoordeling van dit boekje te komen. Doet u nog mee?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief