Je naam

2011-01-21
  • Jaargang 55
  • nummer 2
Dit zijn de namen van de zonen van Israël die samen met hem, Jakob, naar Egypte waren gekomen, ieder met zijn gezin: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issachar, Zebulon, Benjamin, Dan, Naftali, Gad en Aser. Jozef was al langer in Egypte. In totaal waren daar toen zeventig personen die rechtstreeks van Jakob afstamden. Jozef en zijn broers en al hun generatiegenoten stierven, maar hun nakomelingen kregen veel kinderen en zo breidden de Israëlieten zich steeds meer uit. Ze werden zo talrijk dat ze het hele land bevolkten.
(Exodus 1:1-7)

Je naam, dat is wie je bent. Je naam, die geeft aan dat jij een uniek iemand bent. Kom je aan iemands naam, dan kom je aan hem of haar zelf. Maak je van iemands naam een grap, dan is die jongen zelf beledigd. Mark – stijve hark, zoiets.

Misschien is het wel veel handiger en praktischer om met nummers te werken in plaats van met onze namen. Maar weet je… het leven, het levendige, het persoonlijke, dat is dan wel verdwenen. Zonde!

Dit zijn de namen
Het tweede boek in onze Bijbel heet ‘Exodus’, ‘uittocht’. In het Jodendom heet dit boek naar de eerste woorden: ‘Dit zijn de namen’. Veel-zeggend! En er komen heel wat namen voorbij. Het begint met de namen van de zonen van Israël. Alle elf worden ze genoemd. Alle elf waren ze met hun gezin naar Egypte gekomen. Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar, Zebulon, Benjamin, Dan en Naftali, Gad en Aser. En Jozef wordt genoemd. Jozef, die al in Egypte was.
En ook hierna hoor je tal van namen. Opvallend genoeg trouwens hoor je niet de naam van de koning, de farao. Want ‘farao’, dat is een soort titel, ‘koning’. Maar hoe de farao heet, die hier zo’n belangrijke rol gaat spelen, dat hoor je niet. Dat, hij, mag geen naam hebben…

Je naam, wat is hij belangrijk! Denk aan het gedicht van Neeltje Maria Min:

Mijn moeder is mijn naam vergeten.
Mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
Hoe moet ik mij geborgen weten?

Noem mij, bevestig mijn bestaan.
Laat mijn naam zijn als een keten.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
O, noem mij bij mijn diepste naam.

Voor wie ik liefheb, wil ik heten.

Proefpolder
Bij al die namen van de zonen van Israël zou je kunnen denken dat de focus eenzijdig op dat ene volk komt te liggen. Een beetje gesloten op het eerste gehoor. Toch valt er direct iets op, waardoor het licht niet alleen valt op dat ene volk, maar dat de hele wereld in beeld blijft. Vergelijk het begin van Exodus maar eens met het begin van Genesis. Bijna aan het eind van het eerste scheppingsverhaal in Genesis 1 hoor je God de mens zegenen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde…’. En hier in Exodus 1 hoor je over de nakomelingen van Jozef en zijn broers: ‘de Israëlieten waren vruchtbaar en breidden zich snel uit. Ze werden zo talrijk dat ze het hele land bevolkten.’ Tot en met de letterlijke tekst aan toe hoor je het verband tussen het begin van Genesis en het begin van ons boek.

Oftewel van twee kanten bekeken: de zegen van Genesis komt hier tot vervulling, een eerste vervulling. En vanaf de andere kant: wat hier gebeurt, mag in de wereld gebeuren.
De gemeente als een voorpost van de samenleving, een proefpolder van God. Om hier te leren zó mens te zijn, mens van God, volgeling van Jezus, zodat je tot zegen in en voor de samenleving kunt zijn. En dan zó mens, zó volk van God, dat je een naam hebt, dat je iemand bent, mag zijn. Sowieso. En temeer in Gods volk, in de gemeente van Christus. Gedoopte mensen, mensen van wie de naam geschreven is in de palm van Gods hand. Onuitwisbaar.

Waar is God?
En weet u wat nog meer opvalt? … In het begin hoor je niets over de HERE God! Helemaal niets! Pas aan het eind van het eerste hoofdstuk, als het gaat over de twee vroedvrouwen, die God vrezen, dan hoor je over Hem, dan doet Hij wat. En ook bij Mozes, hoor je lange tijd niets over Hem. Niet rond zijn geboorte, niet bij het kistje in het riet, waar de prinses hem vindt, niet bij zijn opvoeding, niet bij zijn vlucht naar Midjan. Pas veel later wordt God weer genoemd, pas aan het eind van hoofdstuk 2.

Ik haal er dit uit. Vaak, heel vaak, merk je niet direct iets van de HERE God. Betekent dat dat Hij afwezig is? … Welnee! Alleen, in onze beleving zie je Hem niet, hoor je Hem niet, merk je Hem niet op. Het is als het ware zoeken tussen de regels door.
Zoals hier in feite gebeurt met dat aanhaken bij de zegen van Genesis 1: vruchtbaar zijn, talrijk zijn en worden, het land of de aarde bevolken.

Ontvankelijk
Het lijken van die feitelijke gegevens. Zo ging het bij die zonen van Israël. Maar wie een ontvankelijke geest heeft, wie niet is van de korte halen snel thuis, maar de fijngevoelige ziel, de stille hoorder, de echte hoorder, die merkt wel degelijk iets op van de HEER, iets van zijn fijnzinnige signalen. En zo, zó mag je je eigen leven, jouw naam, uw uniekheid als mens, steeds weer leggen langs de Naam van de HEER, langs zijn Woord.
En dan dus niet alsof je altijd weet waar Hij is, waar Hij te ‘plaatsen’ is. Want het klinkt misschien wel mooi hier, dat de zonen van Israël vruchtbaar waren en zo talrijk werden dat het land met hen vervuld werd. Maar we weten, dat juist hun groei zorgde voor de dreiging van de farao, een dreiging op termijn ten dode. En waar is God dan? …

Onzichtbaar nabij
Het boek Genesis eindigt met de tweemaal door Jozef uitgesproken belofte op zijn sterfbed tegen zijn broers: ‘God zal zich jullie lot aantrekken.’ ‘Hij zal jullie uit dit land voeren naar het door hem beloofde land.’ En dat betekent: Hij blijft trouw. Hij vergeet je niet. Zoals Hij Israël niet vergat gedurende die vele, lange jaren in Egypte – en ze merkten ogenschijnlijk niets van Hem –, zo vergeet Hij u niet. Hij is bij je. In Christus is Hij ons zeer goed gezind. Onzichtbaar, maar al te vaak. Maar daarom nog niet minder nabij.

Mark Janssens is predikant van de NGK (Jeruzalemkerk) in Utrecht.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief