Jacob naar Laban (Gen. 30)
1988-03-04
Lichtvoetig?- Jaargang 32
- nummer 9
Daar gáát Jacob. Wie hij is? In elk geval de man die zojuist de eerste steen heeft gelegd van Beth-El: Huis Gods. Huis met een "bovenverdieping" en een imposante massief stenen trap, waarlangs engelen Gods opklimmen en afdalen, terwijl de HERE, de Huisheer, bovenaan staat en Jacob verzekert en bemoedigt: zie, Ik ben met u en Ik zal u behoeden overal waar gij heengaat. (28 : 10-22) Daar gaat Jacob, lichtvoetig? Haastig?
(hij hief zijn voeten op en ging . .. 29: 1). Op wegnaar het land van de stammen van het Oosten, naar Haran ingevolge Izaäks opdracht (28 : 2, 10). En we denken aan een soortgelijke reis: Eliëzer, Abrahams macor domus, op weg naar datzelfde land om een vrouw voor Izaäk te vinden (24: 1 vv.).
Daar gaat Jacob, vanuit het "Huis-Gods " en het beloofde land, op weg naar Paddan-Aram, ver van Huis. En we herinneren ons Calvijns scherpe inzicht: Jacob, niet zo maar iemand, een willekeurig mens, een figuur uit een roman. Nee: het gaat hier om de aanvangen van de kerk, om de stamvader van Israëls twaalf stammen.
Om een man, om een volk straks, waaruit de Messias geboren gaat worden.
Om een man, beladen met de zegen van Abraham: in/met u zullen alle volkeren gezegend worden (12: 3; 28: 4; Gal. 3: 14).
Eervol?
Daat gáát Jacob, prille aanvang van de kerk: zo is zijn plaats in Gods heilsgeschiedenis. Je zou denken: dit wordt een glorieuze tocht, een imposante geschiedenis. Met als centrale figuur Jacob met een stralenkrans, de onaantastbare: is hij niet Gods beminde zegen-drager? Viel op hèm niet Gods keus en gevielhèm niet als mindere de meerdere te zijn? Wij zouden hem willen ophemelen ;- zoals Israël (naar Jacobs nieuwe naam genoemd, Ps 105: 2 ber.) dat zo vaak heeft gedaan.
Ja, maar Hosea, een profeet van God, een man die Góds woorden aan de Israëlitische man en vrouw bracht, die profeet had er een andere kijk op: "Jacob vluchtte naar het veld van Aram, "en Israël diende om een vrouw "en om een vrouw was hij veehoeder" (Hos. 12: 13, vgl. 12: 3-7).
Dat is àndere taal: in vluchten, dienen, knecht-veehoeder zijn valt niet veel glorieus' en imposants te bespeuren: niet veel om op te roemen ...
De man aan wie het beloofde land is toegezegd, is smadelijk op de vlucht uit dat land. De man tot wie Izaäk zegenend sprak:" volken zullen u dienen . .. wees heerser over uw broederen ... " (27 : 29 e.a.), die "heer" wordt knecht, veehoeder, een die dient ...
Niet omdat hij geen betere capaciteiten had, niet omdat hij vergeleken bij Ezau maar een min mannetje, een slap kereltje was (vgl. 29 : 3, 8, 10).
Nee, het behaagde de HERE hem te verbrijzelen (Jes. 53: 10a). Dè "knechtsgestalte " wordt al zichtbaar bij de aanvangen van de kerk. Hosea heeft het gezien en Paulus herkende het later ook (Rom. 9: 11; 1 Cor 1 : 26-28). Alleen zó is Gods Messias te herkennen.
Van harte welkom
Daar gaat Jacob. En Gods hand leidt hem. Van Rebecca zal hij gehoord hebben waar hij moest zijn. Maar nauwelijks heeft hij naar Laban gevraagd, of Labans dochter Rachel komt er al aan. Terecht spreekt Calvijn hier van Gods zeer bijzondere voorzienigheid. De HERE is - als beloofd - met Jacob. Zou Jacob niet van moeder Rebecca hebben gehoord, hoe het Eliëzer indertijd bij een put was vergaan (24: 12-15)? Jacob heeft zijn doel bereikt en tranen van vreugde springen hem in de ogen bij de ontmoeting met zijn bloedverwante.
Aan de hand van de nodige informatie, uiteraard, herkent en erkent Laban hem als zijn eigen vlees en bloed". Hij omhelst hem en kust hem herhaaldelijk: blijk van hartelijke vreugde of overdrijving? Ziet hij de bruidsschat die Eliëzer meebracht weer in gedachten en hoopt hij op een herhaling? Hoe welkom is Jacob eigenlijk?